Zorginstituut: Test op osteoporose na botbreuk kan miljoenen besparen

Dat schrijft Zorginstituut Nederland in het onlangs verschenen ‘Verbetersignalement Osteoporose’. In het rapport staan verbeterafspraken om osteoporose eerder op te sporen en gepaste zorg te bieden, zodat de negatieve effecten van de ziekte zich minder snel en ernstig manifesteren.

Zo is afgesproken om standaard een botdichtheidsmeting aan te vragen voor 50-plussers die met een eerste breuk bij de SEH komen. Dat is een manier om osteoporose op te sporen. Daarnaast is het advies om meer onderzoek te doen naar wervelbreuken en om meer patiënten botsparende medicatie voor te schrijven.

Botscan

Uit het onderzoek blijkt dat nu maar een op de vier patiënten een botscan krijgen na een breuk en behandeling blijft vaak uit. Veel mensen stoppen ook voortijdig met medicatie. Volgens het Zorginstituut komt dit onder andere door gebrek aan patiënteninformatie waarmee patiënten gericht keuzes kunnen maken voor hun behandeling of leefstijl.

Osteoporose is een chronische aandoening waarbij de sterkte van botten afneemt en het risico op breuken toeneemt. Het Zorginstituut betoogt dat jaarlijks ongeveer 22 duizend mensen extra moeten worden behandeld om botbreuken te voorkomen. Daardoor zullen de uitgaven in de ziekenhuizen tot 10,4 miljoen euro stijgen en de kosten voor huisartsenzorg en medicatie tot 9,4 miljoen euro.
Daar staat tegenover dat de kans op nieuwe botbreuken wordt gehalveerd en ieder jaar 1500 patiënten met fracturen kunnen worden voorkomen. Dat leidt ook tot minder sterfte, want een botbreuk verhoogt de kans op sterfte in de eerste jaren. Vooral mannen en oudere mensen met heup- en wervelbreuken lopen risico. Bovendien rekent het Zorginstituut de maatschappelijke kosten, kosten door verminderde arbeidsproductiviteit en de druk op de zorg niet mee in het model.