Zorg voor kwetsbare ouderen schiet in één op tien gemeenten tekort

De zorg voor kwetsbare ouderen is in 38 gemeenten onder de maat. Dat constateert de Inspectie voor de Gezondheidszorg & Jeugd (IGJ) op basis van onderzoek naar de stand van zaken rond netwerkzorg. De ondermaatse zorg manifesteert zich onder meer in overbelasting van mantelzorgers, een groot beroep op de spoedeisende hulp, een relatief hoog aantal heropnames en een onverwacht lange opnameduur.

De bevindingen van de inspectie werden op 10 oktober gepresenteerd door inspecteur-generaal Ronnie van Diemen tijdens het Skipr-evenement Van ketenzorg naar netwerkzorg. De genoemde indicatoren zijn wat de inspectie betreft indicatief voor onvoldoende aandacht en ondersteuning vanuit het zorgnetwerk rondkwetsbare ouderen. Ook geven ze aan dat zorg thuis en ziekenhuiszorg  niet goed aansluiten.
“Op basis van die vier indicatoren heeft 10 procent van de gemeenten van ons de kleur rood gekregen”, aldus Van Diemen. “Als we kijken naar het zorgnetwerk rond de circa één miljoen kwetsbare ouderen dan is er een groot verschil tussen gemeenten. Sommigen zijn al redelijk ver, anderen moeten eigenlijk nog beginnen. Wat we nu al wel kunnen zien is dat een goede relatie tussen arts en wijkverpleegkundige cruciaal is.”

Overbelaste mantelzorgers

In gemeenten waar dergelijke samenwerkingsrelaties nog niet goed van de grond zijn gekomen telt de IGJ relatief veel overbelaste mantelzorgers. Ook doen ouderen een groter beroep op de spoedeisende hulp en belanden ze vaker herhaaldelijk in het ziekenhuis. Opvallend is dat grootte geen factor lijkt te zijn bij de ontwikkeling van regionale netwerkzorg. Naast kleine gemeenten in sterk vergrijsde regio’s in Noord-Nederland en Zuid-Limburg hebben ook grote gemeenten als  Amsterdam en Almere een rode kleur gekregen van de IGJ.

Volgens Van Diemen is adequate organisatie van netwerkzorg – met in het verlengde daarvan de borging van en het toezicht op kwaliteit – één van de grootste maatschappelijke uitdagingen voor de komende jaren. “We kijken naar een verdubbeling van de kosten een enorme groei van het aantal ouderen. We gaan de problemen niet oplossen als we door gaan zoals nu”, aldus Van Diemen. “Een nieuw systeem bouwen gaat in elk geval niet helpen. Systemen lopen vast. Vaak zijn ze vanuit verschillende wereldbeelden ontstaan, dat maakt het ook zo moeilijk voor zorgprofessionals. We moeten echt anders naar zorg gaan kijken. We moeten het idee loslaten dat zorg overal hetzelfde is. Wat passende en goede zorg is moet je in de context van de regio zien.”

Een dergelijke contextuele kijk op kwaliteit van zorg stelt ook andere eisen aan het toezicht. “Je kunt netwerkzorg niet vanuit een medisch model bekijken, want net netwerkzorg draait om hun mensen en daarmee om welzijn”, aldus Van Diemen. “De uitdaging voor de IGJ is om telkens andere perspectieven te hanteren. Houden we straks daadwerkelijk het perspectief van kwetsbare burger en hulpbehoevende oudere voor ogen? We zitten als inspectie vaak aan tafel met bobo’s die mooie verhalen vertellen, maar voelen we werkelijk wat de kwetsbare oudere of psychiatrische patiënt voelt? Ook ik raak dat wel eens kwijt. Als het op toezicht op netwerken aankomt is het van cruciaal belang om door de ogen van de patiënt, burger en zorgverleners te kijken en niet te streven naar een landelijk dashboard.”

Wildgroei aan indicatoren voorkomen

Gezien de veelal nog prille ontwikkeling van netwerkzorg wil de inspectie de betrokken veldpartijen voorlopig vooral een spiegel voorhouden.  Ook belooft Van Diemen dat de inspectie anders zal omspringen met formele toezichtcriteria. “Goede indicatoren kunnen ondersteunend zijn, maar we moeten voorkomen dat er een wildgroei van nieuwe indicatoren komt. Bovendien: een verpleeghuis kan op grond van de huidige kwaliteitscriteria de zorg pico bello op orde hebben, maar wat is dat waard als ouderen thuis zitten te verpieteren en de helft van hen met een crisis wordt opgenomen. We moeten los durven te komen van het systeem en ook professionals het vertrouwen geven om dat ook te doen. Misschien is die zorg straks niet tot drie cijfers achter de komma te verantwoorden, maar hebben we wel het goede gedaan voor de individuele patiënt.”

De IGJ geeft zelf het goede voorbeeld en heeft het initiatief genomen om bij het toezicht op en ondersteunen van regionale zorgnetwerken samen op te trekken met de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), het Zorginstituut en de ACM. Zeker deze laatste partij is van belang, omdat veel aanbieders bang zijn de kartelwaakhond tegen te komen als ze in de regio samen willen optrekken.