Veroordeling voor Utrechtse F. Abarchan apotheker die drugsorganisatie leidde

Dit betreft Faghreddin Abarchan, inmiddels voormalig apotheker bij BENU Apotheek, Leidsche Rijn, Utrecht Province, Netherlands, zie Linkedin
De heer Abarchan was afwezig bij zijn rechtszaak, en ook is er geen advocaat namens hem verschenen.
————-

Veroordeling voor Utrechtse apotheker die drugsorganisatie leidde

Een 45-jarige man uit Utrecht, die de spil in een drugsorganisatie was, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Ook verduisterde de man als Utrechtse apotheker medicijnen. Zes anderen die elk een eigen rol hadden in of bij de drugsorganisatie zijn veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraffen, taakstraffen en geldboetes.

Criminele organisatie

De 45-jarige man stond aan het hoofd van een criminele organisatie. De medeverdachten zijn onder andere familieleden van de man. Van mei 2015 tot en met februari 2016 heeft hij zich mede schuldig gemaakt aan het opzetten van een hennepkwekerij in Spanje en het telen en verkopen van de drugs. In het onderzoek naar de leden van de organisatie zijn de verdachten onder andere afgeluisterd en gevolgd door de recherche. De drugs zijn onder andere verkocht aan coffeeshops in Amsterdam.

Apotheker

Naast het opzetten van een hennepkwekerij, het telen van wiet en het verkopen van drugs heeft de hoofdverdachte zich ook schuldig gemaakt aan verduistering van medicijnen. In het onderzoek naar de drugshandel is een afluisterapparaat geplaatst in een auto van de hoofdverdachte. Uit afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan de verduistering van medicijnen en de illegale verkoop daarvan. De man werkte in Utrecht als apotheker. Daarnaast heeft hij een valse aangifte van een inbraak gedaan en zo geprobeerd om een verzekeraar op te lichten.

De zeven verdachten hebben met het kweken van de hennep en de verkoop daarvan enkel gedacht aan eigen geldelijk gewin. Bovendien hebben zij geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in softdrugs met zich meebrengt. Achter de illegale handel gaat bovendien een wereld van georganiseerde criminaliteit schuil die wordt gekenmerkt door intimidatie en geweld. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank in alle gevallen gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

Overschrijding redelijke termijn

Op 9 februari 2016 is de politie een pand in Utrecht binnengevallen waarna enkele verdachten – onder wie de hoofdverdachte – zijn vastgezet. Dat er bijna vier jaar na de aanhoudingen pas een uitspraak komt, betekent dat de redelijke termijn van het strafproces fors is overschreden. Dat komt onder andere door het uitvoerige onderzoek dat nodig was. De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf rekening met deze overschrijding. De hoofdverdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Daarnaast mag hij de komende twee jaar en 8 maanden niet aan het werk als apotheker. De overige verdachten zijn veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraffen, taakstraffen en geldboetes.


Apotheker krijgt jaar cel voor leiden drugsorganisatie

Een 45-jarige man uit Utrecht, die de spil in een drugsorganisatie was, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Ook verduisterde de man als Utrechtse apotheker medicijnen. Zes anderen die elk een eigen rol hadden in of bij de drugsorganisatie zijn veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraffen, taakstraffen en geldboetes.

De rechter acht bewezen dat de 45-jarige Faghr A. aan het hoofd stond van een criminele organisatie, waar meerdere familieleden deel van uitmaakten. De organisatie had onder meer een hennepkwekerij in Spanje opgezet. De drugs werden onder meer verkocht aan coffeeshops in Amsterdam.

Apotheker

Naast het opzetten van een hennepkwekerij, het telen van wiet en het verkopen van drugs heeft de Utrechtse apotheker zich blijkens afgeluisterde telefoongesprekken ook schuldig gemaakt aan de verduistering van medicijnen en de illegale verkoop daarvan. Bovendien heeft hij een valse aangifte van een inbraak gedaan en zo geprobeerd om een verzekeraar op te lichten.

Wapens

De zeven verdachten hebben met het kweken van de hennep en de verkoop daarvan volgens de rechter enkel gedacht aan eigen geldelijk gewin. Achter de illegale handel gaat een wereld van georganiseerde criminaliteit schuil die wordt gekenmerkt door intimidatie en geweld. Bij invallen werden naast hasj en tienduizenden euro’s aan contant geld meerdere wapens gevonden.

Beroepsverbod

In verband met langdurig onderzoek is “de redelijke termijn” voor een strafproces overschreden. Om die reden valt de straf lager uit dan de eis van dertien onvoorwaardelijk. Wel mag Faghr A. twee jaar en acht maanden het beroep van apotheker niet uitoefenen.

ECLI:NL:RBMNE:2020:65

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-01-2020
Datum publicatie
13-01-2020
Zaaknummer
16/659711-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 45-jarige man uit Utrecht, die de spil in een drugsorganisatie was, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Ook verduisterde de man als Utrechtse apotheker medicijnen. Zes anderen die elk een eigen rol hadden in of bij de drugsorganisatie zijn veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraffen, taakstraffen en geldboetes.

De 45-jarige man stond aan het hoofd van een criminele organisatie. De medeverdachten zijn onder andere familieleden van de man. Van mei 2015 tot en met februari 2016 heeft hij zich mede schuldig gemaakt aan het opzetten van een hennepkwekerij in Spanje en het telen en verkopen van de drugs. In het onderzoek naar de leden van de organisatie zijn de verdachten onder andere afgeluisterd en gevolgd door de recherche. De drugs zijn onder andere verkocht aan coffeeshops in Amsterdam.

Naast het opzetten van een hennepkwekerij, het telen van wiet en het verkopen van drugs heeft de hoofdverdachte zich ook schuldig gemaakt aan verduistering van medicijnen. In het onderzoek naar de drugshandel is een afluisterapparaat geplaatst in een auto van de hoofdverdachte. Uit afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan de verduistering van medicijnen en de illegale verkoop daarvan. De man werkte in Utrecht als apotheker. Daarnaast heeft hij een valse aangifte van een inbraak gedaan en zo geprobeerd om een verzekeraar op te lichten.

De zeven verdachten hebben met het kweken van de hennep en de verkoop daarvan enkel gedacht aan eigen geldelijk gewin. Bovendien hebben zij geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in softdrugs met zich meebrengt. Achter de illegale handel gaat bovendien een wereld van georganiseerde criminaliteit schuil die wordt gekenmerkt door intimidatie en geweld. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank in alle gevallen gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

Op 9 februari 2016 is de politie een pand in Utrecht binnengevallen waarna enkele verdachten – onder wie de hoofdverdachte – zijn vastgezet. Dat er bijna vier jaar na de aanhoudingen pas een uitspraak komt, betekent dat de redelijke termijn van het strafproces fors is overschreden. Dat komt onder andere door het uitvoerige onderzoek dat nodig was. De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf rekening met deze overschrijding. De hoofdverdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Daarnaast mag hij de komende twee jaar en 8 maanden niet aan het werk als apotheker. De overige verdachten zijn veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraffen, taakstraffen en geldboetes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/659711-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 januari 2020 (verstek)

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) in 1958,

zonder bekende woon-of verblijfplaats in Nederland.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2018 (regie) en 21 maart 2019 (regie) en op 18 en 19 november en 30 december 2019.

Op 18 en 19 november 2019 heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden, waarbij de strafzaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd is behandeld met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] . Op 30 december 2019 is het onderzoek op de terechtzitting gesloten.

De verdachte is, hoewel de dagvaarding op de juiste wijze is betekend, op geen van de terechtzittingen verschenen en evenmin is een gemachtigd raadsman of raadsvrouw verschenen. Dit vonnis is derhalve bij verstek gewezen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen en standpunten van officier van justitie mr. B. Nitrauw.

2 TENLASTELEGGING

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. in de periode van 1 maart 2015 tot en met 9 februari 2016 in Utrecht en/of (elders) in Nederland en/of Spanje heeft deelgenomen aan een organisatie gericht op het opzetten van hennepkwekerijen, de im- en export van hennep en de handel in hasj;

2. op 9 februari 2016 in Utrecht 98,87 gram hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad;

3. in de periode van 9 september 2014 tot en met 9 februari 2016 in Utrecht samen met anderen op meerdere tijdstippen hasjiesj heeft verkocht.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

Inleiding

Onderliggende strafzaak tegen zeven verdachten heeft betrekking op het onderzoek 09Cosby, dat is gestart naar aanleiding van door de politie ontvangen informatie dat enkele leden van de familie [familie] zich bezig zouden houden met de invoer van hasj. Gedurende het onderzoek zijn daar tegen de verschillende verdachten nog andere verdenkingen van strafbare feiten bijgekomen. Aan alle verdachten is de deelname aan een criminele organisatie ten laste gelegd welke organisatie als doel had het plegen van Opiumwet feiten. In de optiek van het Openbaar Ministerie richtte die organisatie zich op de hasjhandel in Nederland in het algemeen, het opzetten van hennepkwekerijen in Spanje en op de levering van hasj aan coffeeshops in Amsterdam.

Verdachte [verdachte] wordt daarnaast samen met medeverdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] verdacht van het verkopen van hasjiesj gedurende een aantal maanden in eetcafé [eetcafé] (feit 3), dat in eigendom is van medeverdachte [medeverdachte 3] en waar verdachte werkte. Daarnaast wordt verdachte het bezit van een plak hasj van 98,87 gram in zijn kamer boven het eetcafé verweten (feit 2).

4.1

Feiten 2 en 3

De rechtbank is, met de officier van justitie van oordeel dat de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Bewijsmiddelen feit 2

Verdachte heeft het onder 2 ten laste gelegde feit bij de politie bekend, er is geen vrijspraak bepleit en het feit is ook door verdachte begaan. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte van 19 mei 2019, documentcode 2016-05-12.1337.8192, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, inhoudende een bekennende verklaring van verdachte, doorgenummerde pagina 2154 e.v.;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 10 februari 2016, documentcode 2016021008207310, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, betreffende de bevindingen van doorzoeking ter inbeslagname in de woning aan de [adres] te [woonplaats] , doorgenummerde pagina 2454 e.v.;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen met nummer 2014203884-41, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 3026 e.v.

Bewijsmiddelen feit 3

Verdachte heeft het onder 3 ten laste gelegde feit bij de politie bekend, er is geen vrijspraak bepleit en het feit is ook door verdachte begaan. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte van 19 mei 2019, documentcode 2016-05-12.1337.8192, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, inhoudende een bekennende verklaring van verdachte, doorgenummerde pagina 2154 e.v.;
  • een in wettige vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen onderzoek beelden camerasysteem café [eetcafé] van 28 april 2016, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 42 e.v.

Gelet op de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte vanaf 16 november 2015 zich schuldig heeft gemaakt aan – kortgezegd – de verkoop van hasjiesj.

4.2

Vrijspraak feit 1

Onder feit 1 wordt verdachte verweten deel te hebben genomen aan een organisatie gericht op het opzetten van hennepkwekerijen in Spanje, de im- en export van hennep en de handel in hasj.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen het onder 1 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Voor een bewezenverklaring van een ‘criminele organisatie’ moet worden vastgesteld dat twee of meer personen een samenwerkingsverband hadden, met een zekere duurzaamheid en structuur, en dat dit samenwerkingsverband het oogmerk had bepaalde misdrijven te plegen. Niet vereist is dat alle leden hebben samengewerkt of bekend waren met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.

Voor een bewezenverklaring van ‘deelneming’ aan een criminele organisatie is vereist dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en daarnaast een aandeel heeft in het samenwerkingsverband, dan wel gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie ondersteunt. Daarbij moet worden opgemerkt dat niet iedere bijdrage kan leiden tot het oordeel dat iemand deel uitmaakt van de organisatie. De bijdrage moet een zekere duur en intensiteit hebben. Tot slot moet bewezen kunnen worden dat verdachte opzet had op het deelnemen aan de organisatie. Voldoende daarvoor is dat verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op grond van hetgeen de rechtbank hiervoor onder de feiten 2 en 3 heeft vastgesteld acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met anderen gedurende ongeveer 2,5 maand hasjiesj heeft verkocht aan bezoekers van eetcafé [eetcafé] en een plak hasj in bezit heeft gehad. Behoudens het bezit van de hasj en de betrokkenheid bij het verkopen van de hasjiesj, bevat het dossier verder geen bewijs voor enige andere relevante bijdrage van verdachte aan een criminele organisatie. Weliswaar heeft verdachte in opdracht van [medeverdachte 1] eenmaal geld verzonden naar en eenmaal geld ontvangen uit Spanje via een money transfer, maar het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte zich bewust was van de herkomst en bestemming van het geld of van een criminele organisatie.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de rol van verdachte, ook gezien de ruime tenlastelegging van feit 1 en de invulling die de officier van justitie hier tijdens de inhoudelijke behandeling aan heeft gegeven, te beperkt en te ver verwijderd was van de bezigheden van de criminele organisatie en aldus niet van voldoende duur en intensiteit was. Op basis van het dossier kan bovendien niet worden vastgesteld dat verdachte zich bewust was van het bestaan van een criminele organisatie en/of behoorde tot een samenwerkingsverband en daarmee opzet had op de deelname. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van deelname aan een criminele organisatie.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

2.

op 9 februari 2016 in Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad 98,87 gram van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjhiesj), zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

op tijdstippen in de periode van 16 november 2015 tot en met 09 februari 2016 in Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (telkens) heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt, een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

3. medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

– een geldboete van € 200,- (ten aanzien van feit 2)

– een geldboete van € 2.000,- (ten aanzien van feit 3)

– hechtenis van 2 weken geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren (ten aanzien van feit 3).

8.2

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van één plak hasj en aan het verkopen van hasj gedurende tweeënhalve maand vanuit het eetcafé waar hij werkte. Het ongereguleerd verkopen van drugs brengt een bedreiging voor de volksgezondheid met zich mee en leidt tot onrust in de samenleving. Achter de illegale handel in drugs gaat bovendien een wereld van georganiseerde criminaliteit schuil die wordt gekenmerkt door intimidatie en geweld. Verdachte heeft door drugs te verkopen daaraan een bijdrage geleverd.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het de verdachte betreffende strafblad van

15 november 2019 waaruit blijkt dat verdachte – hetzij lang geleden (veroordelingen uit 2004 en ouder) – eerder is veroordeeld. De rechtbank zal dit gegeven in het voordeel noch in het nadeel van verdachte meewegen.

Vaak wordt een bekennende houding van een verdachte in het voordeel van de verdachte meegewogen bij het bepalen van de strafmaat doordat een bekennende verdachte verantwoording neemt voor zijn daden. Verdachte [verdachte] is echter na het afleggen van zijn verklaring bij de politie uit beeld verdwenen en heeft Nederland verlaten, waardoor hij niet beschikbaar was om als getuige te worden gehoord in de zaken van zijn medeverdachten en om bij zijn eigen berechting aanwezig te zijn. Dat getuigt niet van het nemen van verantwoordelijkheid. De bekennende houding van verdachte wordt aldus niet in zijn voordeel betrokken bij de straftoemeting.

Strafoplegging – LOVS-oriëntatiepunten

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS gaan voor het voorhanden hebben van een hoeveelheid (tussen de 31 en 100 gram) hasj uit van een geldboete van €200,-.

Voor het handelen in softdrugs bestaan geen LOVS-oriëntatiepunten. De rechtbank gaat daarom uit van straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank acht in beginsel voor het verkopen van hasj gedurende de bewezen verklaarde periode een werkstraf voor de duur van 60 uur passend. Omdat de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, wat het uitvoeren van een werkstraf onmogelijk maakt, acht de rechtbank een geldboete van omgerekend € 2.000,- passender.

Overschrijding redelijke termijn

Uitgangspunt is dat binnen twee jaar nadat een verdachte kon vermoeden dat hij voor een strafbaar feit vervolgd zou gaan worden een uitspraak in de strafzaak wordt gedaan. De rechtbank stelt vast dat verdachte op 19 mei 2016 is gehoord als verdachte. Op die datum is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden aangevangen. Dit is namelijk het moment waarop vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De behandeling in eerste aanleg is niet binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn met een eindvonnis afgerond, terwijl niet van bijzondere omstandigheden is gebleken die deze overschrijding rechtvaardigen. De redelijke termijn is met ruim 19 maanden overschreden. De rechtbank zal hiermee bij de strafoplegging rekening houden, in die zin dat zij in plaats van een boete van € 2.000,- een boete van € 1.700 zal opleggen voor feit 3. Voor feit 2 vindt, gelet op de hoogte van de daar op te leggen boete, geen vermindering plaats

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van €1.700,-, te vervangen door 27 dagen hechtenis (feit 3) en een geldboete van €200,- te vervangen door 4 dagen hechtenis (feit 2), passend en geboden is.

9 BESLAG

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen plak hasj zal worden onttrokken aan het verkeer. De rechtbank zal de hasj onttrekken aan het verkeer nu feit 2 met betrekking tot de plak hasj is begaan.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 23, 24c, 36b en 36c, 47 en 62 van het Wetboek van Strafrecht, en artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

– verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

– verklaart het onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

– verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

– verklaart het onder 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

– verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straffen

– veroordeelt verdachte voor het onder 2 bewezen verklaarde tot een geldboete van

€ 200,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 4 dagen;

– veroordeelt verdachte voor het onder 3 bewezen verklaarde tot een geldboete van

€ 1.700,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 27 dagen;

Beslag

– verklaart het voorwerp G1641363 (1 plak hasj) onttrokken aan het verkeer.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. van Rijssen, voorzitter, mrs. H.F. Koenis en

C. van de Lustgraaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Harskamp-Snoeren, griffier,

en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 januari 2020.

Bijlage: de gewijzigde tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2015 tot en met 09 februari 2016

in de gemeente Utrecht en/of (elders) in Nederland en/of in Spanje,

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte en/of een of

meer anderen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of

[medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als

bedoeld in artikel 11 derde, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet en/of

artikel 11a van de Opiumwet, namelijk:

– ( in de uitoefening van een bedrijf of beroep) opzettelijk telen, bereiden,

bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van

hoeveelheden hasjiesj in elk geval een materiaal bevattende een gebruikelijk

vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj en/of

hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II

en/of

– het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen

van hoeveelheden hasjiesj in elk geval een materiaal bevattende een

gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van

hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj

en/of hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II

en/of

– het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden

hasjiesj in elk geval een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel

van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj en/of hennep een middel vermeld

op de bij de Opiumwet behorende lijst II en/of

– het voorhanden hebben van ruimten, gelden en/of andere betaalmiddelen

en/of gegevens, waarvan hij, verdachte en/of een of meer andere

perso(o)n(en) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat deze

bestemd was/waren tot het plegen van een van de in artikel 11 derde en/of

vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

Art. 11 lid 1 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 09 februari 2016 in de gemeente Utrecht opzettelijk

aanwezig heeft gehad ongeveer 98,87 gram, in elk geval een hoeveelheid van

meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel

van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd (hasjhiesj), zijnde hasjiesj een middel vermeld op

de bij de Opiumwet behorende lijst II;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 09 september

2014 tot en met 09 februari 2016 in de gemeente Utrecht tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) heeft verkocht

en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van niet meer

dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige

elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


www.rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL:2016:9401

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
28-11-2016
Zaaknummer
200.195.475
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Wwz. Einde arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3537
AR-Updates.nl 2016-1363
GZR-Updates.nl 2016-0469
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.195.475

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 5005989)

beschikking van 23 november 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster] ,

gevestigd te [plaatsnaam] ,

verzoekster in hoger beroep,
in eerste aanleg: verzoekster,

hierna: [verzoekster] ,

advocaat: mr. P.P.M. Wijnands,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verweerder in hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerder,

hierna: [verweerder] ,

advocaat: mr. A.P. van Geffen.

1
1. Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van

10 juni 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, waarbij de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] om de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verweerder] te ontbinden op grond van de e-grond dan wel de g-grond heeft afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1Het verloop van de procedure is als volgt:

– het beroepschrift (met producties) van [verzoekster] , ter griffie ontvangen op 18 juli 2016;

– het verweerschrift (met productie) van [verweerder] ;
– het V-6 formulier van 24 augustus 2016 van de zijde van [verzoekster] , met bijgevoegd het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 31 mei 2016;

– het V-6 formulier van 30 september 2016 van de zijde van [verzoekster] , met bijgevoegd productie 10 (bericht omtrent verdere vervolging door de officier van justitie);

– de op 12 oktober 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

2.2Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald op 23 november 2016 of zoveel eerder als mogelijk is.

3
3. De feiten

3.1In hoger beroep staan de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, vast.

3.2[verweerder] , geboren op 31 maart 1974, is op 1 april 2009 voor de duur van (maximaal) twee jaar als tweede apotheker in dienst van (een rechtsvoorgangster van) [verzoekster] getreden. In verband met zijn bevordering tot beherend apotheker per 1 oktober 2010 is met [verweerder] een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (tot en met 31 maart 2012) gesloten. Met ingang van 1 oktober 2011 is deze arbeidsovereenkomst omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het laatstgenoten brutoloon bedraagt € 4.999,92 per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en een bonusregeling ter grootte van maximaal 15% van het jaarsalaris.

3.3In artikel 5.1 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de Personeelsgids Apothekers geacht wordt onderdeel uit te maken van de arbeidsovereenkomst.

3.4In artikel 2.1 van de Personeelsgids Apothekers is het volgende bepaald:

“De afspraken tussen werkgever en werknemer worden vastgelegd in een schriftelijke arbeidsovereenkomst. De arbeidsvoorwaarden worden in de arbeidsovereenkomst geregeld voor zover die voorwaarden niet reeds zijn vastgelegd in de personeelsgids apothekers of voor zover van de personeelsgids apothekers uitdrukkelijk wordt afgeweken. Werkgever stelt de medewerker in staat conform het huidige Professioneel Statuut voor apothekers in loondienstverband en de Nederlandse Apotheek Norm te kunnen werken. Werkgever volgt zoveel als mogelijk de arbeidsvoorwaardenregeling Loondienst Apothekers van de KNMP.”

3.5De considerans van het Professioneel Statuut voor apothekers en ziekenhuisapothekers in loondienstverband luidt als volgt:

“Overwegende dat

1. het beroep van apotheker in het stelsel van de gezondheidszorg een zelfstandige plaats ten dienste van patiënt en maatschappij inneemt, met een eigen professionele verantwoordelijkheid;

2. de professionele verantwoordelijkheid een persoonlijke, gedeelde en ketenverantwoordelijkheid voor elke apotheker inhoudt en tevens het afleggen van verantwoording inhoudt;

3. deze professionaliteit onafhankelijk is van het maatschappelijk kader waarin het beroep van apotheker wordt uitgeoefend;

4. het maatschappelijk kader of een dienstbetrekking geen belemmering mag zijn voor een apotheker om in professionele autonomie het beroep uit te oefenen volgens de vigerende wet- en regelgeving en professionele standaarden;

5. elke apotheker zich, individueel of werkend vanuit een samenwerkingsverband, en elke in een eventuele (contractuele) hiërarchie boven hem gestelde natuurlijke of rechtspersoon, zich bij de concrete beroepsuitoefening laat leiden door hetgeen in dit Professioneel Statuut is verwoord.”

3.6Ingevolge de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) valt [verweerder] als apotheker onder het toezicht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg.

3.7Op 9 februari 2016 ontving [verzoekster] van het apotheekteam van haar apotheek in [plaatsnaam] , waar [verweerder] op dat moment als beherend apotheker was tewerkgesteld, de mededeling dat [verweerder] in de apotheek door de politie was aangehouden en naar het politiebureau was overgebracht.

3.8Bij brief van 11 februari 2016 heeft [verzoekster] onder meer aan [verweerder] medegedeeld dat zij tijdens de afwezigheid van [verweerder] geen loon verschuldigd is nu de oorzaak van de verhindering in zijn risicosfeer ligt, dat de loonbetaling met ingang van 10 februari 2016 beëindigd wordt tot nadere berichtgeving volgt en dat zij verdere informatie over de voorlopige hechtenis en de redenen daarvan afwacht en op basis daarvan zal bezien welke gevolgen dit dient te hebben voor de arbeidsovereenkomst.

3.9In aanvulling op voormelde brief heeft [verzoekster] bij brief van 12 februari 2016 aan [verweerder] medegedeeld dat hij in verband met deze zaak voorlopig is geschorst en dat hem de toegang tot [apotheek] in [plaatsnaam] is ontzegd.

3.10Bij e-mailbericht van 15 februari 2016 heeft [verweerder] aan [regiomanager] , regiomanager bij [verzoekster] , medegedeeld dat hij beschikbaar is om te werken en dat zijn advocaat uitzoekt wat er is gebeurd. Verder heeft [verweerder] bezwaar gemaakt tegen zijn schorsing en de opschorting van de loondoorbetaling.

3.11Bij brief van 16 februari 2016 heeft [verzoekster] aan [verweerder] medegedeeld dat [leidinggevende] , zijn leidinggevende, de vorige dag vergeefs heeft getracht telefonisch contact met hem te krijgen maar dat [verweerder] niet heeft gereageerd op het verzoek [leidinggevende] terug te bellen. [verzoekster] heeft voorts in deze brief meegedeeld dat zij op dat moment geen reden zag om de schorsing op te heffen, dat zij de resultaten van het verdere onderzoek afwachtte en dat zij de loonbetaling met ingang van 15 februari 2016 zou hervatten nu niet langer sprake was van hechtenis. Verder heeft zij [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek op 19 februari 2016.

3.12Na het gesprek op 19 februari 2016 heeft [verzoekster] bij brief van 29 februari 2016 aan [verweerder] medegedeeld dat de schorsing werd opgeheven aangezien [verzoekster] geen direct verband meer zag tussen het politieonderzoek en de arbeidsrelatie met [verzoekster] . Verder is aan [verweerder] medegedeeld dat is besloten om hem in een apotheek te [plaatsnaam] te plaatsen. [verweerder] heeft op 7 maart 2016 zijn werkzaamheden aldaar hervat.

3.13Op 7 april 2016 heeft de recherche [directeur operations] , directeur operations bij [verzoekster] , (hierna: [directeur operations] ) als getuige verhoord. Tijdens dit verhoor heeft de recherche aan [directeur operations] verteld dat er in de woning van [verweerder] tijdens een huiszoeking een aantal doosjes met alleen op recept verkrijgbare medicijnen was aangetroffen en dat er in het ene geval op de verpakking geen etiket van de apotheek aanwezig was en dat in het andere geval niet kon worden vastgesteld voor wie de medicijnen bestemd waren omdat het etiket op het verpakkingsdoosje grotendeels verwijderd was. Ook zijn tijdens dat verhoor aan [directeur operations] transcripties voorgelegd van gesprekken die [verweerder] in zijn auto met twee andere mannen had gevoerd. [directeur operations] heeft jegens de politie verklaard uit de transcripties de indruk te hebben gekregen dat [verweerder] uit de apotheek een scala aan receptplichtige medicijnen had meegenomen en dat het gaat om illegale verkoop van geneesmiddelen.

3.14Bij brief van 8 april 2016 heeft [verzoekster] aan [verweerder] onder meer medegedeeld dat zij op 7 april 2016 van de regionale recherche het proces-verbaal van getuigenverhoor van [directeur operations] tot haar beschikking had gekregen en dat de inhoud van dat proces-verbaal voor haar grond is om [verweerder] met directe ingang op non-actief te stellen en hem daarmee iedere toegang tot de [verzoekster] apotheek te [plaatsnaam] te ontzeggen. Zij heeft [verweerder] geschreven dat haar uit de transcripties onder meer is gebleken dat hij mogelijk onderdeel uitmaakt van een netwerk van illegale medicijnenhandel, dat hij zich bezig houdt met valsheid in geschrifte, dat hij zich bezig houdt met het verduisteren van [verzoekster] eigendommen en dat hij zich allerminst gedraagt zoals van een eerzame apotheker mag worden verwacht. [verzoekster] heeft verder geschreven dat haar vertrouwen in [verweerder] volledig is weggevallen en dat zij op korte termijn ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal verzoeken.

3.15[verzoekster] heeft op 29 april 2016 aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking. Zij heeft zich voorts als benadeelde partij in het strafproces jegens [verweerder] gevoegd.

3.16Op 30 mei 2016 heeft [verzoekster] via de recherche de beschikking gekregen over het onderzoeksdossier inzake [verweerder] tot op dat moment. Dit onderzoeksdossier bevat onder meer de transcripties van afgeluisterde gesprekken die [verweerder] in zijn auto heeft gevoerd. Uit deze transcripties wordt het volgende geciteerd (waarbij “F” staat voor [verweerder] , “N” staat voor de medeverdachte [medeverdachte] , “A” eveneens staat voor [medeverdachte] , “fon” staat voor fonetisch, “mtv” voor ‘moeilijk te verstaan’ en “ntv” voor ‘niet te verstaan’):

Gesprek op 20 oktober 2015, 19:23:08 uur.

“(…)

F: Die dingen die jij krijgt, die eh … komen die uit een apotheek, op recept ofzo, hoe eh hoe doen ze dat? Stelen ze die of zo?

N: …mtv…apotheek… maar hij zegt ook die… mtv…

F: … Ik kan niet mijn baan op het spel zetten, begrijp je?

N: Nee, nee, begrijp ik.

F: Alleen als ik honderd procent zeker weet dat ik veilig ben, weet je waarom? Als ik wegpak dan is een tientje genoeg… als ik dat zou doen… ik wacht, ik kan… twee keer per maand kun je bij mij bestellen. En ik kan (praten door elkaar mtv)… misschien heb ik dat ook… dit zijn.. mtv (…) Alles heb ik, allemaal… mtv… álles heb ik ….nee… mtv… (…) … hier… Lorazepam…Methyfenidaat… dit is Ritalin, dit is die dure, die is een opiaat… deze kun je niet zomaar, zelfs hij die mtv wegpakt kan hij weer niet pakken, alleen die apotheker controleert dit, snap je? Dit is eh…

N: …mtv… zo ga je naar die prijs toe..

F: Hè?!

N: …mtv…

F: Ja. Deze kan ik voor veertig regelen.

N: Voor veertig?

F: Ja. Ik kan jou bonnen laten zien, op het moment dat je ze gaat kopen … betalen ze vijftig euro. Vijftig euro betalen mensen.

N: Ook die hoeveelheid ook? Ook ook eh ..

F: Ja? Dertig stuks.

N: Wat is het eh…

F: Nee maak niet uit, deze kan ik niet voor je halen. Heb ik misschien drie, vier per week…of nee, niet eens per week, misschien per twee weken. Weinig doosjes kunnen die.

(…)

F: Ja nee sorry, dit moet ook tussen ons blijven, begrijp je [verweerder] . Ik dit is eh… ik wil niet mijn baan, ik heb een goeie baan, ik wil daar niet…

N: Dit moet tussen mij en jou (praten door elkaar mtv)

F: Dit kunnen we lang werken, we kunnen lang werken.

N: …het liefst had hij nu al mtv… wat-ie mtv… bijna om de week…

F: Moet je zoiets hebben… maar ik kan niet, voor die tientje kan ik niet. Ik zeg je: alles kan, alles kan ik leveren voor twintig, behalve deze, deze is een opiaat, en die Xanax, Alprazolam. Heb je daar die Xanax, dat is zelfde als Xanax origineel…

N:…mtv… ik ken het wel, moeten we het over gaan hebben, kijk, zeg het wel eerlijk, zijn ook verder aan het kijken…

(…)

F: Zolazepam… Temazepam kan ik ook regelen.

(…)

F: Ja die katteoogjes, hier zitten Clonazepam negentig stuks zitten hier in, ik had geen doosjes van dertig. Dus deze is… eigenlijk drie doosjes drie doosjes en één strip. Clonazepam vroegen ze ook toch, zei je?

N: En was dat… heb jou die lijstje gegeven?

(…)

F: Dit is wat ze allemaal hebben opgeschreven, Zolpidem, Fynaniels (fon.), Zopiclon, Fynaniels, zijn allemaal verslavende middelen en slaapmiddelen. Dit is Xanax.

N: Wat dit is de hoogste wat…?

F: Dit is de hoogste. Ja, Xanax heb je ook in één milligram, die kan ik óók regelen. Maakt niet uit.

N: Ja nee mtv… je hebt ook… mtv… ik wil het hoogste van het …

F: De hoogste.

N: Ja dan weer mtv… je hebt één, twee, vijf.

F: Ja, Lorazepam, heb je alleen in één milligram. Deze. Clonazepam. Dit zijn allemaal benzodiazepinen, dit zijn kalmeringsmiddelen. Dit is Valium, Valium.

(…)

F:…Lormetazepam, ook allemaal slaapmiddelen, zodat jij weet wat het is, wat het doet. Dus, deze is een slaapmiddel. Déze is een slaapmiddel. Deze, Zolpiclon en Zolpidem, zijn ook slaapmiddelen, wordt je allemaal rustig van, ga je kalm worden, zwaar verslaafd, Xanex, klaar dan ben je weg. Als je die met alcohol neemt, ben je helemaal dood, klaar, ben je…Clonazepam: óók. Methylfenidaat… is hetzelfde als MDMA, net zoals amfetamine. Amfetamine. … is deze. En déze is de duurste omdat deze extra wordt gecontroleerd, maar die kan ik voor veertig.

N: Deze voor veertig.

F: Ja. Maar dan kun je gewoon een heel jaar, er kan hele jaar ons niets overkomen

N: Maar is dan veel wat je kan pakken dan?

F: Vier, per twee weken, vijf… doosjes.

N: Doosjes?

F: Ja. Ja. Meer niet, anders eh… anders is het.. of hoe heet ‘t

N: Dát is..?

F: Dat is Lorazepam.

N: Lorazepam. Die had ik, die had je al.

F: Ja.

N: Eén twee drie vier vijf zes… zeven doosjes heb je mij gegeven ja?

F: Ik heb jou zeven doosjes gegeven.

N: Eh dit even voorstellen?

F: Hou maar. Het is makkelijk onthouden, alles is twintig euro, dat weet jij.

N: Het is allemaal twintig euro.

F: Alleen Methylfenidaat is veertig en die Xanax, waar is die Xanax, die heet… die moet je even Xanax opschrijven. Anders, ik dacht jij onthoud dat gewoon

(…)

F: Xanax is originele merk, net als Viagra mtv… dit is Xanax, begrijp je? Die kan voor dertig, klaar.

N: Deze? Deze voor dertig?

F: Ja. Omdat … díe is duurder, en déze is te weinig in de apotheek, gaat héél weinig, héél mensen die echt grote problemen hebben krijgen die pas. En déze wordt extra gecontroleerd, daarom kan ik niet veel. Maar van déze andere kan ik méér leveren, dat is Ritalin, schrijf het daarop.

(…)

N: En die Sivolafin (fon.) hoeveel vraag je voor die?

F: Ik weet het niet, ik heb niet gekeken, weet ik niet… die is ook weer, die letten ze op vanuit hoofdkantoor, van naar wie gaat dat enzo, laat het maar (…)”

Gesprek op 20 oktober 2015, 19:33:03 uur:

“(…) F: Plus, nou werk ik niet eens in mijn eigen apotheek. Mijn eigen apotheek waar ik zes jaar heb gewerkt, ik ben eh zeg maar, zat in de ziektewet, ze hebben mij naar een andere plek overgeplaatst, is tijdelijk deze maand… en dan volgende maand ga ik drie maanden naar een andere plek en daarna ga ik wéér naar een andere plek. En dán heb ik mijn vaste apotheek. Dán kunnen we misschien wél wat doen. Dan heb ik álles onder controle voor mezelf. Hier twijfel ik nog een beetje, begrijp je? Is niet mijn eigen plek. (…)”

Gesprek op 21 oktober 2015, 19:45:24 uur (waarin [verweerder] met ‘F’ wordt aangeduid en [medeverdachte] met ‘A’):

“(…) F: (…) Hier, ik heb alles samengevat (of: samen gepakt, mtv)…

A: … dit is…

F: … dit is mét die jij hebt gekregen.

A:… ja, ik heb zeven doosjes hè?

F:… ja, zeker, kijk maar, mooi (…) … heb je niet vijftig euro ofzo in je zak? Ik kan niet pinnen. Kijk uit, je laat het vallen.

F: Ok, geeft niet, ik wilde alleen maar tanken…

A: … hier, pak die veertig… (…)”

Gesprek op 22 oktober 2015, 19:22:59 uur:

“(…) F: Okee, maar deze gaat niet door kan ik al zeggen, die zijn ze uit aan het sparen, kan ik niet leveren.

A: Wat? Waarom? Die bestaat?

F: Bestaat wel, maar ken niet

A: Maar

F: Kan niet, zijn misschien 1 doosje per maand of.

A: Oo nee, je moet niet

F: De hele apotheek heeft maar 1 klant voor deze. Dat ken niet.

A: Je moet me niet teleurstellen.

F: Maar als ik dan 10 milligram en 20 kan misschien ook

A: Deze heb ik veel van nodig, deze gebruik ik zelf ook wel

F: Ja. Deze kan, deze kan.

(…)

A: Wil je kijken wat je voor mij ken doen, wat krijg je van mij negen, negentig … (ntv)

F: negentig, vijfenveertig, negentig… (…)

(…)

F: Honderdveertig voor, dus krijg je 5 van mij. Jij krijgt 5 euro van mij.

(…)

F: Dat methyl…mtv… dat kan ie niet nemen? Ik kan em nu moeilijk terug brengen, …mtv… die Ritalin.

A: Die Ritalin. Die is duur.

F: Ja.

A: Als jij… mtv.., ik ken… iemand ander vroeg mij toevallig misschien wel daarom

F: He? kan moeilijk om terug te brengen. Is even veel risico.(…)”

Gesprek op 1 december 2015, 22:07:35 uur:

“(…)

A: En de andere doosjes.. mtv.. Kijk maar wat je me geeft.. mtv..

F: Ja, geeft niet, gewoon verkopen

A:..mtv.. sowieso samen.

F: Ja, en ok? Die andere die ik had? Kan je niks meer? Al die dingen die ik .. mtv.. als ..mtv.. tabletten enzo? Kijk maar, verkoop het gewoon. Ik kan ze niet meer terugbrengen. Ik heb ze hier, ik heb ze.

A: .. Themazepam..

F: . Themazepam heb ik, Normeta (fon.) .. mtv.. mazepam, Lorazepam.

A: Dit .. mtv.. te weinig man.

F: Diazepam vijf. Dia.. mtv. Valium. Dat is valium man.

A: ..mtv..

F: Die is valium.

A: Die pakken hun niet.

F: Willen ze niet?

A:Nee, ..mtv.. vragen..

F: .. wel opgeschreven.

A: .. mtv.. opgeschreven?

F:..mtv.. geschreven Valium .. mtv.. dit zijn die dingen die ik terug had gebracht.. mtv.. terugbrengen, snap je? Van mij mag je ze voor een tientje.

A:.. mtv.. Ik zie jou morgen.

F: Pak maar en kijken hoe verder

A: Hoeveel…

F: Van mij mag je ze voor een tientje, want ik ga ze niet terug doen want dat is even veel risico. Snap je?(…)

F: Themazepam? Vanaf februari heb ik m’n eigen plek. Kan ik echt goed regelen..mtv..(…)”

Gesprek op 18 januari 2016, 16:47:15 uur (waarbij F staat voor [verweerder] en Y voor ene [persoon 1] ):

“(…) F: Dat is het, ga dan naar hoe heet het, achttienduizend patiënten die we hebben. Weet je hoeveel geld dat is, pure winst, en daarom zie je dat ik af en toe medicijnen mee neem. Ik steel niet! Helemaal niet! [verzoekster] , het is betaald, [verzoekster] ! Snap je? Dus één keer in de zoveel tijd ruimen we de niet opgehaalde recepten, maar ja of ik dat nu in de ladekast doe, of dat ik het mee neem, voor iemand omdat iemand een zalfje nodig heeft of zo, is zelfde. (…).”

3.17Uit het onderzoeksverslag blijkt verder dat er bij de huiszoeking op 9 februari 2016 in de woning van [verweerder] de volgende medicijnen zijn aangetroffen: een doosje met 100 tabletten Clonazepam Sandoz 0,5 mg; vier capsules Temazepam 10 PCH en een doosje met opschrift 30 tabletten Diazepam met daarin ook vijf tabletten Diclofenac.

3.18[verweerder] heeft zich op 8 april 2016 ziek gemeld.

4 Het verzoek aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1[verzoekster] heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden, primair op de e-grond, subsidiair op de g-grond, per een in goede justitie te bepalen datum en met bepaling dat [verzoekster] géén transitievergoeding verschuldigd is. Zij heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat haar door de aanhouding van [verweerder] en het daarop volgende verhoor van haar directeur [directeur operations] , waarbij aan [directeur operations] delen van het strafdossier tegen [verweerder] zijn voorgelegd, is gebleken dat [verweerder] mogelijk deel uitmaakt van een crimineel netwerk van illegale medicijnenhandel, dat hij valsheid in geschrifte heeft gepleegd, dat hij eigendommen van [verzoekster] heeft verduisterd en, meer in het algemeen, dat hij zich geenszins gedraagt zoals van een eerzame apotheker mag worden verwacht. Hij heeft daarmee zijn voorbeeldfunctie jegens het personeel van de apotheek verzaakt en [verzoekster’s] goede naam op het spel gezet. Hij heeft gehandeld in flagrante strijd met de voor hem geldende beroepsnormen en voorts zijn verplichting om zich als een goed werknemer te gedragen geschonden. Dat alles is volgens [verzoekster] (ernstig) verwijtbaar. Subsidiair heeft [verzoekster] aangevoerd dat hierdoor haar vertrouwen in Abarchans integriteit totaal verloren is geraakt en dat sprake is van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding.

4.2[verweerder] heeft afwijzing van het verzoek bepleit. Hij heeft ontkend dat hij deel heeft genomen aan illegale medicijnenhandel. Het enige wat [verweerder] kwalijk zou kunnen worden genomen is dat hij heeft gesproken over het eventueel kunnen leveren van medicijnen. Dat was echter in een privégesprek, terwijl [verweerder] niets strafbaars heeft gedaan. Er is volgens [verweerder] dus geen verwijtbaar gedrag, terwijl er ook geen sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie: een enkele verdenking zou niet automatisch tot een verstoorde arbeidsrelatie moeten leiden en verder kan [verweerder] prima met zijn leidinggevenden en collega’s door één deur.

4.3De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met een opzegverbod. Voorts heeft de kantonrechter geoordeeld dat vooralsnog onvoldoende is komen vast te staan dat [verweerder] zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan verduistering en/of diefstal van medicijnen. Gezien de verklaring van [verweerder] kan uit het feit dat enige medicijnen bij hem thuis zijn aangetroffen niet worden geconcludeerd dat [verweerder] een ‘handelsvoorraad’ thuis had liggen en/of dat er sprake was van illegale handel in medicijnen. Op grond daarvan heeft de kantonrechter geoordeeld dat [verzoekster] in onvoldoende mate heeft aangetoond dat [verweerder] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat van haar in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voorts is de kantonrechter tot de conclusie gekomen dat de arbeidsverhouding weliswaar verstoord is geraakt, maar niet zodanig dat van [verzoekster] niet in redelijkheid gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

[verzoekster] heeft in haar hoger beroepschrift verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en bij beschikking (voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad):
– de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW, subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW, dit per een in goede justitie te bepalen tijdstip en met bepaling dat [verzoekster] geen transitievergoeding aan [verweerder] verschuldigd is;

– [verweerder] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

5.2[verweerder] heeft verweer gevoerd, waarna hij primair afwijzing van het verzochte heeft bepleit en subsidiair, voor het geval het hof toch de arbeidsovereenkomst zou ontbinden, dat het hof bepaalt dat [verzoekster] aan [verweerder] een transitievergoeding dient te betalen, alsmede de hoogte hiervan vaststelt, dit alles onder veroordeling van [verzoekster] in de kosten van de procedure in hoger beroep.

5.3[verzoekster] heeft in haar verzoekschrift in hoger beroep een aantal gronden aangevoerd voor het hoger beroep, die zij niet expliciet heeft genummerd, maar die er, samengevat, op neerkomen dat uit het overgelegde onderzoeksverslag aannemelijk is geworden dat [verweerder] betrokkenheid heeft gehad bij illegale medicijnenhandel, althans dat hij zich ontvankelijk heeft getoond voor illegale medicijnenhandelaren, en dat hij medicijnen van [verzoekster] heeft verduisterd en/of valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Dit gegeven is van zodanig gewicht dat [verweerder] alle vertrouwen van [verzoekster] heeft verloren. Daarbij is niet van belang, zo voert [verzoekster] aan, of [verweerder] strafrechtelijk reeds is of nog zal worden vervolgd. Evenmin is relevant dat rechtens nog niet is komen vast te staan (naar het hof begrijpt: in een strafrechtelijke procedure) dat [verweerder] de strafbare feiten heeft gepleegd, aangezien dit wel aannemelijk is. Ten slotte is irrelevant dat [verweerder] zich onbespied waande en dat delen van de gesprekken niet of moeilijk te verstaan waren. Het gaat er volgens [verzoekster] om wat wél is gebleken over hetgeen [verweerder] met zijn gesprekpartners heeft besproken. Evenmin is van belang of is komen vast te staan dat als gevolg van [verweerder’s] handelen daadwerkelijk receptplichtige medicijnen zonder doktersrecept in het verkeer zijn gebracht. Ten slotte is niet van belang of [verzoekster] daadwerkelijk reputatieschade heeft geleden. Verder maakt [verzoekster] bezwaar tegen de overweging van de kantonrechter dat gesteld noch gebleken is dat collega’s van [verweerder] niet meer met hem willen samenwerken.

5.4Het hof stelt voorop dat ook in hoger beroep niet is gebleken dat het verzoek van [verzoekster] verband houdt met een opzegverbod en overweegt voorts als volgt. Uit het onderzoeksdossier van de recherche blijkt dat [verweerder] meerdere gesprekken heeft gevoerd met medeverdachte [medeverdachte] en ook een gesprek met de koerier [persoon 1] . In die gesprekken gaat het over het ‘regelen’ van medicijnen door [verweerder] , waarbij de medicijnen met naam worden besproken (Lorazepam, Diazepam, Temazepam, Methylfenidaat, Xanax, Sildenafil, Clonazepam), de prijs van de medicijnen (kennelijk: op de zwarte markt), de doosjes die [verweerder] aan zijn gesprekspartner heeft gegeven, de risico’s voor [verweerder] , die expliciet stelt zijn goede baan niet kwijt te willen, het vooruitzicht van [verweerder] op een eigen apotheek, waar hij zelf de controle zou hebben en dan ook meer zou kunnen regelen, de risico’s voor [verweerder] van het terugnemen van medicijnen en ‘dat hij wel eens wat mee naar huis neemt’. [verweerder] heeft tijdens de zitting in eerste aanleg en ook in hoger beroep de juistheid van de transcripties betwist. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft het hof aan [verweerder] de meeste pregnante delen uit het onderzoeksverslag voorgehouden. [verweerder] heeft daarover niet veel meer gezegd dan dat zijn advocaat hem in verband met de strafzaak heeft geadviseerd niet te veel te zeggen, dat hij het allemaal niet meer zo weet, dat hij zich de gesprekken niet goed meer kan herinneren, dat het hem allemaal niet zoveel zegt en dat het deels niet over medicijnen ging. Het hof acht die betwisting te algemeen en onvoldoende concreet. [verweerder] heeft geen verklaring gegeven voor de gesprekken, noch aangevoerd wat er dan wél zou zijn besproken. Het hof gaat aan die aldus onvoldoende toegelichte betwisting voorbij en zal er dus van uit gaan dat de gesprekken zijn gevoerd zoals in het onderzoeksverslag weergegeven.

5.5.Dat leidt dan tot het volgende. Vooropgesteld zij dat het niet aan het hof is in deze ontslagprocedure om volledig ten gronde te beoordelen of het strafrechtelijk aan [verweerder] verweten handelen daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dat is aan de strafrechter. Uit het bericht van de officier van justitie van 30 september 2016 blijkt dat deze van plan is [verweerder] nog strafrechtelijk te vervolgen. Het hof kan hierop niet vooruitlopen. Het hof heeft ook geen kennis genomen van wellicht nog ná 30 mei 2016 in het strafrechtelijk onderzoek vergaard materiaal en van verklaringen van anderen in dat dossier. Evenmin kan het hof kennis nemen van mogelijk van de zijde van de verdediging in de strafzaak nog aan te voeren ontlastend materiaal. Om die reden past het hof terughoudendheid bij de beoordeling van de vraag of in het kader van deze arbeidsrechtelijke procedure voldoende is komen vast te staan dat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan illegale handel in medicijnen, of als gevolg daarvan receptplichtige medicijnen zonder doktersrecept in het verkeer zijn gebracht en of er sprake is geweest van verduistering door [verweerder] van medicijnen die afkomstig zijn uit de apotheek van [verzoekster] .

5.6Uit het onderzoeksverslag van de recherche komt wel het beeld naar voren dat [verweerder] zich heeft ingelaten met illegale medicijnenhandel. Zo heeft hij op 20 oktober 2015, tijdens een gesprek met [medeverdachte] , te kennen gegeven dat hij geneesmiddelen kan ‘regelen’ voor € 20, € 30 of € 40 per verpakking. In een tweede gesprek op die dag heeft [verweerder] gezegd dat hij [medeverdachte] zeven doosjes heeft gegeven. Verder zegt [verweerder] dat hij nu nog twijfelt maar dat ze misschien wél wat kunnen doen als hij eenmaal zijn eigen apotheek heeft. Op 1 december 2015 zegt [verweerder] tegen [medeverdachte] dat hij bepaalde dingen, die [medeverdachte] bij nader inzien toch niet wilde hebben, voor € 10 mag houden omdat het te riskant is om ze terug te brengen. In het gesprek van 18 januari 2016 zegt [verweerder] tegen [persoon 1] dat hij af en toe medicijnen mee neemt, maar dat dat geen stelen is (naar het hof begrijpt: omdat het niet-afgehaalde medicijnen betreft die aan de ziektekostenverzekeraar reeds zijn gedeclareerd). Met het voorgaande staat (gezien de onder 5.5 verwoorde terughoudende toetsing) daadwerkelijke betrokkenheid van [verweerder] bij illegale medicijnenhandel echter nog niet vast, en daarmee is er naar het oordeel van het hof een onvoldoende solide basis om tot de conclusie te komen dat [verweerder] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat [verweerder] medicijnen uit de apotheek heeft verduisterd, staat evenmin vast. Bij intern onderzoek heeft [verzoekster] geen medicijnen gemist. Bij huiszoeking in de woning van [verweerder] zijn weliswaar enkele medicijnen aangetroffen, maar [verweerder] heeft voor de aanwezigheid daarvan een verklaring gegeven die juist kan zijn. Het hof is daarom mét de kantonrechter van oordeel dat de ontbinding niet op de e-grond kan worden toegewezen.

5.7Het hof acht de ontbinding echter wel op de g-grond toewijsbaar. De transcripties doen minst genomen het vermoeden rijzen dat [verweerder] het niet zo nauw neemt met zijn beroepsnormen als apotheker. [verweerder] heeft aangevoerd dat hij feitelijk niet aan illegale medicijnenhandel heeft meegewerkt. Dan blijft echter nog steeds staan dat hij deze gesprekken heeft gevoerd. [verweerder] heeft daarover aangevoerd dat dit slechts ‘stoerdoenerij’ was. Die stelling wordt echter niet gestaafd door het onderzoeksverslag, waarin het immers gaat om concrete prijzen voor concrete medicijnen, met een concrete afnemer en waarin het bovendien gaat om meerdere gesprekken. Dat gaat, ook als [verweerder] daaraan geen uitvoering zou hebben gegeven, verder dan stoerdoenerij in antwoord op de vraag van een kennis of hij bepaalde medicijnen zou kunnen leveren, kennelijk zonder recept en buiten een apotheek. Het hof acht die uitlatingen, waarmee [verweerder] de suggestie wekt te willen voldoen aan de vraag van zijn gesprekspartner, zodanig ernstig en strijdig met wat van een apotheker verlangd mag worden dat [verzoekster] terecht aanvoert dat dit heeft geleid tot onherstelbaar verlies van vertrouwen in de professionaliteit en integriteit van [verweerder] , en daarmee van een verstoorde arbeidsverhouding van dien aard dat van haar niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat die gesprekken in de privésfeer zijn gevoerd maakt dit niet anders. [verzoekster] heeft nu eenmaal van die gesprekken kennis genomen en deze hebben al haar vertrouwen in [verweerder] doen verdwijnen. Of [verzoekster] daadwerkelijk schade heeft geleden doet evenmin ter zake. [verzoekster] moet er op kunnen vertrouwen dat de bij haar in dienst zijnde apothekers zich niet zullen inlaten met dergelijke opzettelijke, flagrante en strafrechtelijk gesanctioneerde schendingen van hun beroepsnormen. Dat vertrouwen is door die gespreksverslagen onherstelbaar beschadigd. Uit het voorgaande volgt dat herplaatsing niet in de rede ligt. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is dan ook ten onrechte afgewezen.

5.8[verzoekster] heeft bepleit dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, zodat zij ingevolge artikel 7:673 lid 7 onder c BW geen transitievergoeding verschuldigd is. Daarin wordt zij niet gevolgd. In de parlementaire geschiedenis op de Wwz wordt als voorbeeld van ernstig verwijtbaar gedrag van de werknemer genoemd: de situatie waarin de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 40 (MvT)). Met de enkele verdenking is, naar het oordeel van het hof, de lat voor ernstige verwijtbaarheid nog niet bereikt. [verzoekster] is dan ook de transitievergoeding verschuldigd. [verweerder] heeft in hoger beroep vaststelling van de hoogte daarvan verzocht. In eerste aanleg heeft hij een berekening gemaakt waarbij geen rekening is gehouden met een gemiddelde bonus. Nu [verweerder] daaromtrent geen nadere informatie heeft verstrekt, zal het hof de transitievergoeding op vergelijkbare wijze berekenen en bepalen op € 13.499,77 bruto (15 x 1/6e x € 5.399,91).

5.9Het hof zal bepalen (ingevolge artikel 7:683 lid 5 BW) dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 31 december 2016. Aangezien de arbeidsovereenkomst tot aan de in deze beschikking te bepalen einddatum in stand blijft, zal de bestreden beschikking van 10 juni 2016 slechts worden vernietigd voor wat betreft de proceskostenveroordeling.

5.10Nu beide partijen voor een deel in het ongelijk worden gesteld, namelijk [verweerder] voor wat betreft de beëindiging van zijn dienstverband en [verzoekster] voor wat betreft de transitievergoeding, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 10 juni 2016 voor zover het de onder 5.2 gegeven proceskostenveroordeling betreft en doet in zoverre opnieuw recht:

bepaalt dat de arbeidsovereenkomst tussen de partijen eindigt op 31 december 2016;

veroordeelt [verzoekster] tot betaling aan [verweerder] van de transitievergoeding ter hoogte van € 13.499,77 bruto;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van beide instanties draagt;

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.B. ter Heide, M.E.L. Fikkers en D.H. de Witte en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 november 2016.