Tuchtzaak: beroepsverbod tegen hoogleraar Onno van der Hart psychotherapeut ivm grensoverschrijdend gedrag

zie hier de uitspraak van het regionaal tuchtcollege Amsterdam dd 7 nov. 2019, alsmede onderaan. Er is geen hoger beroep ingesteld.
Op basis van de verstrekte feiten bijkt dat het em. Prof. Onno van der Hart betreft.
Overigens vermeldt www.bigregister.nl in het overzicht Maatregelen tegen zorgverleners zijn naam en de maatregel dat hij zich niet meer in het BIG-register mag inschrijven.

————-

Analyse Grensoverschrijdend gedra

Hilly’s therapeut ging twintig jaar lang te ver, voor het haar lukte er iets aan te doen

Een prominent emeritus-hoogleraar in de traumatherapie gedroeg zich twintig jaar lang grensoverschrijdend ten opzichte van zijn patiënte. Drie jaar na het einde van de therapie spande die een tuchtzaak tegen hem aan en werd hij uit zijn vak gezet. Dit is het verhaal van de patiënte, Hilly.

‘Zo vaak, als ik aan je denk en je emotioneel vasthoud, voel ik iets van paniek’, schrijft hij.

Hilly laat de woorden op zich inwerken. Dagelijks krijgt ze mails van de man die haar therapie geeft in een ggz-instelling. In de ruim twintig jaar durende behandeling zal ze duizenden indringende boodschappen van hem ontvangen. In eindeloos veel variaties vertelt hij haar hoe bijzonder ze is, hoe diep ze hem raakt en hoe verbonden hij zich met haar voelt.

‘Je bent absoluut IEMAND voor me’, schrijft hij vaak. ‘Een GOED MENS, een FIJNE vrouw!! Dat uit ik in DIEPE VERBONDENHEID.’

Hij noemt deze woorden zijn ‘levende getuigenis’. Ook laat hij haar geregeld weten dat hij haar ‘stevig’ en ‘héél voorzichtig’ zal vasthouden.

Hoe langer de therapie duurt, hoe ongemakkelijker Hilly zich voelt. Toch houdt ze twintig jaar haar mond. Tot twee maanden geleden. Dan onthult Hilly tegenover het medisch tuchtcollege wat er is gebeurd.

Dit verhaal gaat over de kwetsbare afhankelijkheidsrelatie tussen psychotherapeuten en hun patiënten. Zowel fysiek als emotioneel. Over de noodzaak van het bewaken van grenzen, en over wat er mis kan gaan als die grenzen niet door de therapeut worden gerespecteerd. Het gaat ook over hoe machteloos cliënten kunnen zijn in de besloten setting van de spreekkamer.

Psychotherapie voltrekt zich onder vier ogen, er kijkt niemand mee, terwijl patiënten kwetsbaar zijn en de therapeut vaak beschouwen als een vertrouwenspersoon bij wie ze al hun emoties op tafel leggen. Maar hoe weet je als patiënt wat wel en niet is toegestaan in een behandeling? Wie zal je geloven als het misgaat, zeker als je zelf met complexe problematiek kampt?

Grensoverschrijdend gedrag komt in alle sectoren van de zorg voor. Zorgverleners mogen niet verder doordringen in de privésfeer van de patiënt dan voor de behandeling strikt noodzakelijk is – die grenzen staan in elke beroepscode, in alle gedragsregels. Toch gaat het af en toe fout.

Van de ongeveer driehonderd zaken die jaarlijks door de tuchtcolleges gegrond worden verklaard, gaat ongeveer 10 procent over grensoverschrijdend gedrag, zegt emeritus-hoogleraar gezondheidsrecht Joep Hubben. Dat aantal neemt niet af. Jurist Hubben, verbonden aan een advocatenkantoor, is voorzitter van het tuchtcollege dat klachten over psychologen behandelt en expert op het gebied van tuchtrecht.

Opmerkelijk: van de tuchtzaken over grensoverschrijdend gedrag uit de afgelopen jaren speelden zich er veel af in de wereld van de geestelijke gezondheidszorg. Zo moest dit jaar een psychiater zes maanden stoppen met werken omdat hij een patiënt als deurwaarder had ingeschakeld. Ook werd een psychotherapeut uit zijn vak gezet na het versturen van 30 duizend seks-apps en privéfoto’s aan een patiënt. Een 77-jarige psychiater kreeg een beroepsverbod na intieme afspraakjes met patiënten in een hotel.

Kirsten Hauber, voorzitter van de NVP, de beroepsvereniging voor psychotherapeuten, denkt niet dat in haar vakgebied meer problemen voorkomen. ‘Toch is elke zaak er een te veel. Of patiënten nu een lichamelijke of een psychische ziekte hebben, ze zitten in een afhankelijkheidsrelatie.’ Hubben denkt dat psychotherapie meer risico’s met zich meebrengt dan gewone medische zorg. ‘Psychotherapie is een kwetsbaar vakgebied’, schreef hij recent in het tijdschrift Gezondheidszorg Jurisprudentie, en dat komt doordat intimiteit noodzakelijk is om tot resultaat te komen. ‘Dat vraagt vertrouwen van de patiënt en gepaste distantie van de therapeut.’

Hoe vaak het misgaat in de psychotherapie is lastig te zeggen. Er komen weinig verhalen naar buiten. Hoe moeilijk het is om erover te praten, blijkt uit het feit dat het Hilly twintig jaar heeft gekost om te vertellen wat haar is overkomen. In de lichte, hoge huiskamer van haar zus in Amsterdam vertelt ze haar geschiedenis.

Haar behandelaar is een emeritus-hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, gespecialiseerd in chronische traumatisering. Hij is inmiddels 78, maar nog altijd een wetenschapper die wereldwijd bekendheid geniet. Hij is een van de grondleggers van de Nederlandse behandelmethode voor patiënten met dissociatie, een fenomeen dat voorkomt bij mensen met traumatische ervaringen. Veel Nederlandse traumacentra werken volgens die methode. De emeritus-hoogleraar schreef diverse standaardwerken, won onderscheidingen, was een jaar voorzitter van de internationale beroepsvereniging. Voor zijn verdiensten ontving hij in 2011 een koninklijke onderscheiding.

Tot zeer recent publiceerde hij in wetenschappelijke tijdschriften, gaf hij lezingen op congressen, hield hij zich bezig met behandelrichtlijnen, gaf hij cursussen aan psychotherapeuten, was hij adviseur van een psychotherapiepraktijk. Zijn carrière was succesvol. Maar ondertussen wist vrijwel niemand wat zich twintig jaar lang met een van zijn cliënten had afgespeeld.

Toen de Volkskrant contact opnam met Hilly, aarzelde ze. Ze wil haar therapeut niet onnodig beschadigen. Wel wil ze duidelijk maken hoe gemakkelijk het is in de ggz om wangedrag te verbergen.

‘De geestelijke gezondheidszorg is gesloten’, zegt ze. ‘Mijn therapeut was een internationaal bekende hoogleraar. Mensen waren onder de indruk van hem. Wie durfde er aan hem te twijfelen? Voor mij was het alsof iedereen elkaar de hand boven het hoofd hield. De meeste collega’s die hij erbij vroeg, gingen er voetstoots vanuit dat het mijn schuld was dat de behandeling niet liep, dat ik te complex zou zijn. Het kwam niet in hen op dat híj misschien wel fouten maakte. Niemand vroeg mij: wat is er volgens jou aan de hand?’

Totdat ze het heft in eigen handen nam. In een dikke ordner heeft ze alles bewaard wat tijdens de therapie aan de orde is gekomen – haar klacht is minutieus gedocumenteerd.

Hilly is een intelligente vrouw. Ze werkte jarenlang als verpleegkundige en hbo-docent, werd voor Artsen zonder Grenzen uitgezonden naar het buitenland, sportte op hoog niveau, ze speelt piano.

Haar jeugd was traumatisch. Ze was nog een kind toen twee broertjes overleden, de een door een longontsteking, de ander door een ongeluk met een tractor. Op haar 16de overleed haar vader, later ook haar oudste zus. In het streng gelovige gezin werd er nauwelijks over gepraat. Als jong meisje had ze ook nog een traumatische ervaring: op haar 8ste werd ze seksueel misbruikt door haar 20-jarige buurjongen.

Haar familie zag haar als een vrolijk en energiek meisje. Maar van binnen voelde ze zich anders: onzeker, angstig, alsof haar buitenkant gewoon door leefde terwijl de binnenwereld daar niet bij aansloot.

Hilly is 43 als ze hulp zoekt bij de ggz. Ze heeft klachten als gevolg van haar trauma’s.

Als ze bij de hoogleraar terechtkomt, is ze aanvankelijk dankbaar. Hij spreekt haar taal en ze denkt dat ze bij de juiste persoon is. Hij is dé expert op het gebied van dissociatie – iets wat ook bij haar speelt.

Dissociatie komt voor bij mensen die als kind traumatische ervaringen meemaken. Patiënten raken vervreemd van zichzelf, zien zichzelf van een afstand. Dat kan zover gaan dat ze zich bepaalde zaken nauwelijks herinneren, doordat ze geen contact meer krijgen met verschillende kanten in zichzelf.

Maar gaandeweg krijgt ze het gevoel dat de therapie niet op gang komt. De therapeut negeert verschillende basiseisen uit de beroepscode. Hij stelt geen professionele behandelplannen op en hij evalueert nauwelijks. Ook brengt hij haar voorgeschiedenis niet in kaart. Daar is hij ‘niet meer aan toegekomen’, schrijft hij in een mail. Hilly is dan al zestien jaar bij hem in therapie.

Het maakt de behandeling ongestructureerd, chaotisch en richtingloos, zegt ze. Toch blijft ze loyaal. ‘Ik heb lang gedacht dat dit blijkbaar de therapie was die hij in zijn boeken beschreef.’

Hij vraagt niet door, stelt ze. ‘Als ik bijvoorbeeld vertelde over het overlijden van mijn zus, dan zei hij meelevend: goh, ja, wat erg. Maar hij ontrafelde mijn problemen niet, vroeg niet wat ik ergens bij voelde. En hij kwam er niet op terug. Ook het seksueel misbruik kwam bijna niet aan de orde.’

Hoewel de emeritus-hoogleraar nu via zijn advocaat aan de Volkskrant laat weten dat hij Hilly traumabehandeling heeft gegeven, geeft hij in mails en dossiers meermaals toe dat dit niet zo is. ‘Dat ik je toen, en toen, en toen, en nu, hierin onvoldoende of helemaal niet heb kunnen bijstaan in die intense rouw, doet me erg veel pijn’, schrijft hij in 2011. En in 2015: ‘We constateren allebei, met ontzetting, hoe weinig het over traumabehandeling is gegaan.’

Pas achteraf wordt duidelijk wat er misgaat. De hoogleraar die zoveel weet over traumaverwerking blijkt zijn eigen problemen niet te hebben verwerkt. Hij vertoont gedrag dat in tegenspraak is met de inhoud van zijn eigen boeken. Het verhaal van Hilly is voor hem persoonlijk herkenbaar: ze hebben allebei ouders die kampen met de gevolgen van een oorlogstrauma en ook hij heeft een broer verloren. Hij voelt zich daardoor zo intensief bij haar betrokken, dat hij zijn professionele afstand verliest. ‘Vaak zei hij: ik ben veel meer met jou bezig dan jij je ooit kunt voorstellen. Hij sliep er soms niet van’, vertelt Hilly. ‘Hij erkende op het laatst dat zowel zijn vader, zijn moeder als zijn overleden broer mee hadden gedaan in de therapie.’

‘Hij begon te vertellen over de sterfgevallen in zijn eigen familie’, zegt Hilly. ‘Over zijn conflicten met collega’s, zijn huwelijksproblemen. Ik werd ongewild getuige van zijn angsten en emotionele uitbarstingen. Het was soms zo persoonlijk dat ik dacht: wat moet ik hiermee, wat verwacht hij nu van me? Moet ik nu gaan vragen naar hém?’ Door zijn ontboezemingen wakkert hij bij haar het gevoel aan dat ze belangrijk is voor hem. ‘Ik dacht: goh, hij vertrouwt mij, deze therapeut.’

‘Hij probeerde via mij zijn eigen problemen op te lossen. Maar als hulpverlener moet je dit bij jezelf herkennen, zeker als je hoogleraar bent in traumabehandeling, daar boeken over schrijft en spreekt op congressen.’ Tien jaar lang stuurt hij haar vrijwel dagelijks mails, waarin hij nauwelijks afstand houdt.

‘Weet dat in mijn letterlijke benauwdheid ook vannacht, ik mee-lijd in jouw, jullie diepe intense nood’, schrijft hij bijvoorbeeld.

In tal van varianten stelt hij ook dat ze ‘VERSCHRIKKELIJK GETRAUMATISEERD’ is. ‘Zonder mij te vragen hoe ik daar zelf over dacht’, zegt Hilly. ‘Telkens liet hij me weten dat ik volgens hem zo leed, maar daardoor voelde ik me steeds slechter. Hij zei ook dat de behandeling bij anderen wel lukte, alleen bij mij niet. Dus ik dacht: ik ben gewoon geen goede patiënt, het ligt aan mij, ik moet nog harder werken. Dat ben ik ook gaan doen, ik ben allemaal oplossingen voor de therapie gaan aandragen.’

De therapeut is de ene keer dominant en defensief, de andere keer zeer betrokken – iets wat haar in verwarring brengt. ‘Als hij zich in de therapie afstandelijk had gedragen, belde hij me daarna weer op. Dan zei hij: o, sorry, sorry, ik bén ook onmogelijk. Maar de volgende zitting gebeurde het vaak weer.’

‘Achteraf vind ik’, zegt Hilly, ‘dat hij me emotioneel mishandelde.’

De therapeut begint zijn gedrag te compenseren met cadeautjes, kaarten en dagelijkse telefoontjes, die tussen de 15 en 25 minuten duren. Een tijdlang belt hij haar zelfs twee keer per dag, vaak vanuit huis. In het dossier dat Hilly samenstelde zit een lange lijst met zijn geschenken, waaronder cd’s, boeken en sieraden, en 224 kaarten met persoonlijke teksten. Op sommige kaarten staan mensen die elkaar omhelzen.

Waarom ging ze niet eerder weg, waarom stopte ze niet zelf met de behandeling? ‘Die vraag kan ik me voorstellen’, zegt ze, ‘maar ik zat klem. Telkens gaf hij hoop en beloofde hij dat de therapie zou slagen. Bovendien: hij was hoogleraar, wie zou mijn verhaal geloven? Zelfs mijn huisarts zei achteraf: als je hiermee bij een andere hulpverlener komt, sta je per definitie met 5-0 achter.’

Al die jaren neemt ze niemand in vertrouwen. Pas als de therapie is beëindigd, lukt het haar om te reconstrueren wat er in ruim twintig jaar is gebeurd.

Er is nóg een beroepsregel die hij overtreedt: hij raakt haar aan. Terwijl de beroepscode van de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie voorschrijft dat elk lichamelijk contact tussen patiënt en therapeut – op een handdruk na – in principe verboden is.

‘De laatste 10 jaar omhelsde hij me aan het einde van bijna elke zitting’, vertelt Hilly. ‘Dan pakte hij mij vast en sprak hij zijn ‘levende getuigenis’ uit. Dat was een ritueel, waarbij hij zei dat hij zich diep, diep verbonden met me voelde.’

Hij vraagt haar niet of ze wel door hem wil worden aangeraakt, zegt ze. ‘Ik voelde me er vaak verlegen onder, wist niet wat ik ermee moest.’ Ze vraagt hem meermaals of wat hij doet wel is toegestaan binnen therapie. ‘Hij zei dat het absoluut mocht. Eigenlijk deed hij altijd of het heel gewoon was. Alsof ík gek was dat ik daaraan twijfelde.’

Ze praat er met niemand over. Tegen de tuchtrechter zal de therapeut later toegeven dat hij haar omhelsde omdat de beëindiging van de therapiesessies moeilijk was. Hij wilde haar laten zien dat hij er voor haar was, haar troost bieden. Hij erkent dat hij dit niet op deze manier had mogen doen.

In de laatste drie jaar van de behandeling zijn er twee tot drie behandelsessies per week, die soms vijfenhalf uur per keer duren. De spanningen lopen soms hoog op, mede doordat hij zijn privéproblemen steeds vaker ter sprake brengt. In die tijd komt hij regelmatig voor de therapie bij haar thuis. Tijdens een van deze huisbezoeken is hij gehaast en onrustig, zegt Hilly. ‘Een half uur voor tijd begon hij voortdurend op zijn horloge te kijken. Hij zei dat hij naar huis moest, omdat hij anders problemen kreeg. Hij werd steeds gespannener. Eigenlijk hoorde hij niet meer wat ik zei.’

Dan staat hij op, vertelt ze. ‘Ik werd emotioneel, want dit was niet de eerste keer.’ Over wat er daarna gebeurt, lopen de visies uiteen. Hilly: ‘Ik gaf hem een duw en vervolgens pakte hij me van achteren vast. We vielen om – hij viel bovenop me.’ De voormalig therapeut zegt dat zij aan hem begon te trekken, waarna ze struikelde over de poot van de piano en hij werd meegetrokken.

Tijdens de val breekt ze haar pols. Die middag zit ze alleen in het ziekenhuis.

‘Ik ben me natuurlijk zeer pijnlijk en verdrietig bewust van je pols’, mailt hij haar, ‘gebroken in reactie op mijn niet te verdragen uitingen.’

Uit schaamte – en loyaliteit – vertelt ze niemand over de ware reden van de breuk. Ook de therapeut doet dat niet.

Dat juist een emeritus-hoogleraar en opleider, vaandeldrager van de beroepsgroep, de essentiële regels voor de beroepsbeoefening opzij zet, is navrant, meent tuchtrechtexpert Joep Hubben, die zich verdiepte in de uitspraak. ‘De therapeut heeft elke professionele norm uit het oog verloren en misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van de patiënt.’

Hubben geeft les aan artsen in opleiding die door de aard van hun werk doordringen in de intimiteit van patiënten, zoals gynaecologen en psychiaters. ‘Het is niet gek dat ook je eigen gevoelens aan de orde komen in je werk, maar je moet wel leren om gepaste afstand te bewaren.’

Psychotherapeuten in opleiding leren veel over overdracht en tegenoverdracht, zoals de gevoelens heten die over en weer kunnen opspelen in een behandelrelatie. ‘Je bent één op één, dat kan je eenzaam maken en kwetsbaar’, zegt NVP-voorzitter Kirsten Hauber. ‘Hoe bewaak je je professionele afstand? Wat zijn de momenten waarop je die dreigt te verliezen? Die kennis moet je onderhouden, je bent niet klaar na je opleiding.’ Er zijn verschillende manieren om elkaar scherp te houden, zegt Hauber. Psychotherapeuten zijn verplicht om met collega’s te overleggen over hun behandelingen, via intervisie en supervisie: ‘We werken weliswaar alleen, maar op die manier werken we toch samen.’

Maar dat systeem valt of staat met de oprechtheid van de therapeut, erkent Hauber. Als een behandeling niet loopt, moet een behandelaar dat wel onder ogen willen zien en zijn twijfels delen met collega’s.

De gedragsregels voor therapeuten mogen dan duidelijk zijn, maar weten patiënten ook precies waar ze aan toe zijn? Wat mag wel en wat mag niet tijdens de therapie? Hoe weet je of je een behandelplan hebt en wat daarin staat? Waar kun je met een klacht terecht? Hauber zegt dat de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie regelmatig wordt gebeld door patiënten met vragen over de behandeling. ‘We staan ze graag bij en adviseren ze over welke stappen ze kunnen zetten. Maar we beseffen dat we nog meer kunnen doen om patiënten te beschermen, daar valt nog terrein te winnen.’ Betere informatievoorziening is daarvoor de sleutel, aldus Hauber: voor patiënten én psychotherapeuten. Op de website van de beroepsvereniging staat uitgelegd wat psychotherapie inhoudt en waar een psychotherapeut zich aan dient te houden, aan de beroepscode bijvoorbeeld. Door maandelijks te berichten over uitspraken van het tuchtcollege, wil de NVP psychotherapeuten wijzen op de inhoud van die beroepscode. Daarnaast heeft de beroepsvereniging in lekentaal informatie aangeleverd over psychotherapie voor de site van thuisarts.nl , een website met betrouwbare informatie die door artsen is samengesteld. ‘Als mensen daar lezen wat ze van een behandeling kunnen verwachten voordat ze in therapie gaan, kan dat mogelijk problemen voorkomen.’

De therapeut beseft zelf ook al jaren dat hij fout zit, zo blijkt uit het dossier. In diverse mails schrijft hij ‘wat een ontzettende pijn’ hij haar doet, dat hij haar ‘tot het uiterste heeft gedreven’, dat hij ‘faalt als therapeut’, dat er sprake is van een therapie ‘die haar al zo lang schade berokkent’.

‘Mijn God’, schrijft hij haar, ‘wat is je omgaan met mij verschrikkelijk zwaar.’

Toch geeft hij ook telkens hoop. ‘We gaan door’, schrijft hij dan. ‘We komen eruit.’ Hij vraagt verschillende collega’s om advies omdat hij merkt dat hij niet in staat is om de de behandeling goed te laten verlopen. Sommige raden hem aan te stoppen, maar dat doet hij niet.

De laatste vier jaar vraagt hij een psychiater om bij sessies aanwezig te zijn. Pas na een tijd krijgt die door wat er werkelijk speelt. ‘Gaandeweg kwam ik erachter dat hij veel voor mij achter had gehouden’, zegt de psychiater tegen het tuchtcollege. Zo verzweeg hij de e-mails, de telefoontjes, de omhelzingen. Langzaam verandert haar blik.

Tijdens de sessies met de psychiater is haar therapeut soms angstig en gestresst, zegt Hilly. ‘Hij trok aan zijn haren of stampte op de grond.’

In 2015 wordt hij ziek en breekt hij van het een op andere moment de behandeling af, per mail. Hij houdt nog een aantal afrondende gesprekken en draagt haar over aan de huisarts. In een bandopname van een van de laatste therapiesessies zegt hij dat hij in de fout is gegaan door haar ‘veel te afhankelijk van mij te maken’. Hij biedt haar aan nog een half jaar door te gaan, mits ze geen klacht indient, zo blijkt uit het dossier. Hilly gaat er niet op in.

Op een vrijdagmiddag in oktober 2019 ziet Hilly voor het eerst haar therapeut weer terug, in een Amsterdamse rechtszaal. Na jaren van voorbereiding heeft ze een tuchtzaak aangespannen. Een advocaat heeft ze niet, ze wordt bijgestaan door haar zus en een goede vriendin.

De leden van het medisch tuchtcollege bladeren door de ordners die Hilly heeft samengesteld. In hun vragen klinkt gaandeweg de zitting een groeiende verbijstering door, over een behandeling die twintig jaar duurde en nergens toe leidde, over de mails, de telefoontjes, de aanrakingen, zijn eigen problemen die uiteindelijk de behandeling domineerden. Wat bezielde hem?

De tuchtrechter: ‘De woorden die u in uw mails gebruikt: Ik ben bij je. Ik hou je vast. Dat kwam op mij over als ongebruikelijke therapeutentaal. Zo hebben we het niet geleerd.’

De therapeut: ‘Dat is ook niet wat ik uit naar anderen. Maar zij was verlaten, heel jong. Mijn boodschap was: ik ben er.’

De tuchtrechter: ‘En mevrouw reageerde daar goed op?’

De therapeut: ‘Daar durf ik geen antwoord op te geven.’

Tijdens de zitting vertelt hij dat de behandelrelatie in een ‘complexe knoop’ is beland en dat elke poging om eruit te komen mislukte. ‘Hij wilde haar met alle macht helpen’, zegt zijn advocaat Melita van der Mersch. Maar hij heeft niet kunnen voorkomen dat de behandelrelatie ontspoorde.’ Volgens de advocaat is dat ‘zeker niet kenmerkend voor hoe hij andere patiënten heeft behandeld’.

De tuchtrechter: ‘Moet ik nou echt begrijpen dat u 21 jaar bezig bent geweest om te stoppen? U gebruikt telkens het woord ‘we’. U zegt: ‘we’ hadden afspraken moeten maken. Maar daar bent u als therapeut toch verantwoordelijk voor?’

De therapeut: ‘Er waren perioden dat ik dacht: ik red het niet. Maar er waren ook perioden waarin ik wel perspectief zag. We kwamen er niet uit.’

De tuchtrechter: ‘Maar wie is daar verantwoordelijk voor? Het lijkt steeds alsof u het afschuift.’

De therapeut: ‘Het is mijn verantwoordelijkheid. Daarin heb ik gefaald.’

Zelf zegt hij dat hij in de war raakte. ‘Haar problematiek is bij mij te sterk binnengekomen. Op mijn persoonlijke zwakke plekken.’ Hij erkent dat hij professionele grenzen heeft overschreden en zegt dat hij spijt heeft.

Hilly noemt zijn spijt ongeloofwaardig. ‘Hier past geen simpel excuus’, zegt ze in de rechtszaal. ‘Hij was zich er terdege van bewust dat hij fout bezig was. Waarom verwijderde hij al zijn mails aan mij direct na het versturen? Waarom vroeg hij mij zijn mails zo op te bergen dat ze onvindbaar waren? Waarom hield hij er een schaduwdossier op na? Waarom mocht de psychiater niet weten dat hij mij omhelsde?’

Vijf weken later volgt de uitspraak van het tuchtcollege. Die is vernietigend. Bijna alle klachten zijn gegrond, de therapeut mag zijn vak nooit meer uitoefenen. Hij heeft zichzelf al laten uitschrijven uit het beroepsregister, maar mag zich van het tuchtcollege nooit meer opnieuw inschrijven. ‘Dat is een hoogleraar in Nederland bij mijn weten nog nooit overkomen’, zegt tuchtrechtdeskundige Hubben.

Het tuchtcollege noemt het gedrag van de therapeut ‘onbegrijpelijk’ en schrijft in het vonnis dat hij de beroepsnormen ‘op onaanvaardbare wijze’ heeft geschonden. Volgens het college is er sprake van ‘aanzienlijke en volstrekt onaanvaardbare afwijkingen’. Het wordt hem zwaar aangerekend dat hij de behandeling jarenlang doorzette, terwijl hij vanaf het begin wist dat dit haar lijden ‘in stand hield en zelfs versterkte’ en het ‘schadelijk was’. Omdat de therapeut jarenlang opleider was, schrijft het tuchtcollege, ‘klemt zijn handelwijze des te meer.’

De maatregel van het tuchtcollege is een hard oordeel over het vakmanschap van de inmiddels 78-jarige voormalig therapeut. ‘Ik ben verbijsterd’, zegt Kirsten Hauber, voorzitter van de NVP. ‘Dat dit gedrag zo lang is doorgegaan terwijl we met de beroepsgroep zulke duidelijke afspraken hebben gemaakt. Het is bewonderenswaardig dat deze vrouw, ondanks haar afhankelijkheidsrelatie, aan de bel heeft getrokken.’ Ook Hubben is ervan onder de indruk dat Hilly een tuchtzaak heeft aangespannen. ‘Daar is moed voor nodig’, zegt hij.

Volgens deskundigen had Hilly met de juiste behandeling goed kunnen functioneren. Ze zegt: ‘Hij presenteerde zich al die tijd als de internationale deskundige, maar ik ben twintig jaar van mijn leven kwijt.’

De reactie van de therapeut, via zijn advocaat:

De therapeut laat weten dat hij gezien zijn beroepsgeheim niet uitvoerig kan reageren. Hij zegt dat hij volledig zijn verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en dat hij dat ook bij het tuchtcollege heeft gedaan. Hij vindt het wel van belang dat de gebeurtenissen in een juiste context worden geplaatst.

Volgens de therapeut had de patiënt ‘een veelheid van problemen en trauma’s waaraan hij wel degelijk aandacht heeft besteed’. Wat volgens hem ‘helaas’ te weinig is gebeurd, is dat de traumatische herinneringen ook werkelijk geïntegreerd zijn, waardoor de patiënt niet is hersteld. Hij zegt dat hij vanaf het begin van de psychotherapie bij collega’s te rade is gegaan. Hij kreeg het advies ‘dat hij meer grenzen moest stellen aan de patiënt en de veelheid aan problemen die zij ter sprake bracht en meer afstand van haar moest nemen’. De therapeut stelt dat hij meerdere pogingen heeft ondernomen om die adviezen op te volgen en de behandelrelatie te begrenzen dan wel te beëindigen maar dat hij daar niet in slaagde. Hij zegt dat hij de patiënt ‘te graag wilde helpen’: ‘Ik was te erg met haar begaan en leefde te veel met haar mee.’ Hij zegt dat hij steeds lichte vooruitgang zag, wat hem motiveerde om door te gaan met de behandeling. ‘Ik heb altijd de juiste intenties gehad bij de behandeling’ en ik heb haar nimmer willen beschadigen.’ Hij laat weten dat het leed van de patiënt hem nog steeds aangrijpt, maar dat hij zelf ook heeft geleden onder de gebeurtenissen. ‘Helaas kan ik die gebeurtenissen niet terugdraaien.’
————-

uitspraak regionaal tuchtcollege Amsterdam 7 nov. 2019, er is geen hoger beroep ingesteld

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 23 april 2019 binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

klaagster,

tegen

C,

psychotherapeut,

destijds werkzaam te D,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.F. van der Mersch, advocaat te B.              

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

–                     het klaagschrift;

–                     het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;

–                     het verweerschrift met de bijlagen;

–                     de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

–                     het proces-verbaal van het op 9 september 2019 gehouden vooronderzoek;

–                     de op 20 en 23 september 2019 binnengekomen stukken van klaagster.

 

De klacht is op de openbare zitting van 4 oktober 2019 behandeld.

Partijen waren aanwezig. Klaagster werd bijgestaan door mevrouw E en mevrouw F. Verweerder werd bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Beide partijen hebben een toelichting gegeven aan de hand van een pleitnota die aan het college en de wederpartij zijn overgelegd en hebben vragen van het college beantwoord.

 

2.         De feiten

Klaagster is vanaf augustus 1995 tot en met december 2015 onder behandeling geweest van verweerder.

 

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

3.1       Klaagster verwijt verweerder dat hij:

 

a. haar vanaf augustus 1995 tot en met december 2015 onjuist heeft behandeld,

b. zich schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag,

c. het beroepsgeheim heeft geschonden,

d. op onjuiste en slechte wijze het dossier heeft gevoerd,

e. een onjuiste rapportage heeft afgegeven en dat hij

f. haar niet adequaat heeft doorverwezen naar een andere behandelaar.

 

De klacht onder a heeft klaagster uiteen laten vallen in de navolgende deelklachten:

1. Deelklacht met betrekking tot anamnese,

2. Deelklacht met betrekking tot probleeminventarisatie,

3. Deelklacht met betrekking tot de diagnose,

4. Deelklacht met betrekking tot informatie over de behandeling,

5. Deelklacht met betrekking tot de behandelovereenkomst,

6. Deelklacht met betrekking tot behandelplan,

7. Deelklacht met betrekking tot het nalaten van herstel inadequaat handelen,

8. Deelklacht met betrekking tot de “erfenis”,

9. Deelklacht met betrekking tot het niet inzetten van algemene beginselen van psychotherapie voor herstel,

10. Deelklacht met betrekking tot onjuiste tot geen behandeling,

11. Deelklacht met betrekking tot omgaan therapeut met zijn afwezigheden,

12. Deelklacht met betrekking tot het inroepen collega’s;

13. Deelklacht met betrekking tot wel/niet voortgaan/stoppen therapie en

14. Deelklacht met betrekking tot het afbreken van de therapie.

 

Een aantal deelklachten heeft klaagster onderverdeeld in sub-klachten ter verduidelijking en nadere onderbouwing van de deelklachten.

De klacht onder b heeft klaagster uiteen laten vallen in de navolgende deelklachten:

1. Deelklacht met betrekking tot tegenoverdracht therapeut,

2. Deelklacht met betrekking tot pathologiseren,

3. Deelklacht met betrekking tot identificatie therapeut met cliënt,

4. Deelklacht met betrekking tot defensief gedrag therapeut,

5. Deelklacht met betrekking tot aantrekken en afstoten door therapeut,

6. Deelklacht met betrekking tot het afhankelijk maken door de therapeut,

7. Deelklacht fysiek contact,

8. Deelklacht met betrekking tot het uitvoeren van plaatsvervangende handelingen,

9. Deelklacht therapeut laat cliënt vloerkleden kopen voor zijn therapieruimte en

10. Deelklacht met betrekking tot huwelijk therapeut in therapie.

 

Klaagster heeft haar klachten, deelklachten en sub-klachten verduidelijkt en onderbouwd met onder meer verslagen van therapiesessies en e-mailcorrespondentie. Klaagster heeft voorts ter onderbouwing van haar standpunten een overzicht overgelegd van door haar van verweerder ontvangen kaarten en cadeaus, een USB-stick met geluidsfragmenten van door verweerder ingesproken boodschappen op haar antwoordapparaat, een fragment van een therapiegesprek en een fragment van een zogenoemd driegesprek met, en een schriftelijke verklaring van F, die als consulente bij de behandeling betrokken is geweest.

Daarnaast heeft klaagster onder het kopje ”Overigen” een beschrijving gegeven van de gevolgen die een en ander voor haar hebben gehad. Klaagster heeft elk van deze punten op uitgebreide wijze uitgewerkt en gedocumenteerd.

 

3.2. Klaagster heeft voorts aangevoerd dat de lange behandelduur, de ernst van de situatie en de omstandigheid dat al hetgeen in de behandelrelatie van ruim 20 jaar heeft gespeeld met elkaar samenhangt en elkaar beïnvloedt, voor het college aanleiding dienen te zijn om in afwijking van artikel 65, lid 5, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) de gehele behandelperiode van ruim 20 jaar te beoordelen.

 

4.           Het standpunt van verweerder

4.1       Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting verantwoording genomen voor hetgeen niet goed is gegaan in de behandelrelatie. Hij heeft ter zitting een aanzienlijk deel van de klachten van klaagster in grote lijnen onderschreven. Verweerder heeft op een aantal punten een andere visie voorgedragen waarop het college voor zover nodig zal ingaan. In het verweerschrift is verweerder tot de volgende reflectie gekomen:

“Verweerder erkent dat hij de behandelrelatie heeft laten escaleren. Hij heeft niet professioneel gehandeld. Hij had eerder de behandelrelatie moeten beëindigen. Hij had klaagster moeten begrenzen. Dat is hem niet gelukt. Hij heeft daar veel spijt van.”

 

4.2       Verweerder heeft erop gewezen dat een aantal klachten van klaagster ziet op situaties die zich – gerekend vanaf de datum van indiening van het klaagschrift – hebben afgespeeld langer dan tien jaar geleden, zodat klaagster in die klachten niet kan worden ontvangen.

 

5.         De beoordeling

5.1       Het college zal om redenen van proceseconomische aard eerst bezien wat zich heeft afgespeeld in de periode van tien jaar voor het indienen van het klaagschrift en beoordelen waartoe dit dient te leiden.

 

5.2       Bij de start van deze periode van tien jaar was klaagster al ongeveer 11 jaar onder behandeling bij verweerder. Tot en met 31 december 2013 was verweerder werkzaam bij “G”, waar hij klaagster ook heeft behandeld. In de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015 was beklaagde werkzaam in zijn eigen praktijk “H” en heeft hij klaagster daar behandeld.

 

5.2.1   Ten aanzien van de klacht vermeld onder 3.1., sub a, betreffende onjuiste behandeling, zoals nader uitgewerkt in de daarbij behorende deelklachten en sub-klachten, overweegt het college dat verweerder uitdrukkelijk heeft erkend dat de behandelrelatie gebrekkig is geweest. Er is – kort samengevat – sprake geweest van een ontspoorde behandelrelatie. Verweerder heeft erkend dat hij op vele door klaagster onder 3.1., sub a, genoemde punten – in ieder geval in grote lijnen – niet heeft gehandeld in overeenstemming met de Beroepscode voor psychotherapeuten. Bezien tegen deze achtergrond volstaat het college met een korte beschrijvende weergave van hetgeen in de behandelrelatie is gebeurd. Klaagster is ruim 20 jaar in behandeling geweest bij verweerder. Zeker in de laatste tien jaren – de jaren die hier in ieder geval in geding zijn – is sprake geweest van een buitengewoon en ongebruikelijk intensief contact tussen verweerder en klaagster. Zo waren er in de periode 2012 tot eind 2015 twee à drie zittingen per week. Zittingen die niet in tijd waren begrensd en soms vijfenhalf uur per keer in beslag namen. Daarnaast was er in de gehele periode van tien jaar vrijwel dagelijks telefonisch contact; tijdens een zeer langdurige periode is sprake geweest van twee telefonische contacten per dag, die in ieder geval tussen de 15 en 25 minuten duurden. Daarbij hebben ook huisbezoeken plaatsgevonden. Daarnaast stuurde verweerder klaagster e-mails met zeer persoonlijke en op de relatie tussen beiden betrokken teksten, stuurde hij ook ruim 200 kaarten met dergelijke teksten, heeft verweerder klaagster een aanzienlijke hoeveelheid geschenken (waaronder cd’s, boeken en sieraden) gegeven en sprak hij op het antwoordapparaat van klaagster teksten als vorenbedoeld in. Dit – kort samengevat – om klaagster te laten zien dat hij (ook als hij in het buitenland was) aan haar dacht en haar niet alleen liet. Verder heeft beklaagde met klaagster uitgebreid gesproken over problemen die hem persoonlijk bezighielden, waaronder problemen van verweerder uit het verleden en destijds bestaande huwelijksproblemen als gevolg van het intensieve contact tussen verweerder en klaagster. Voorts beëindigde verweerder de therapiesessies veelal met een omarming/omhelzing. Deze handelwijze van verweerder is bepaald niet in overeenstemming met hetgeen gebruikelijk en aanvaard is binnen de beroepsgroep. De tussen verweerder en klaagster ontstane relatie is een betrekking die aanzienlijk verder ging en intenser was dan aangewezen en gebruikelijk is om tot een goede behandeling te kunnen komen.

 

5.2.2    Uit het door verweerder overgelegde dossier volgt niet dat periodiek en frequent als binnen de beroepsgroep gebruikelijk behandelplannen zijn opgesteld en behandeldoelen zijn geformuleerd. Uit het dossier volgt ook niet of, en zo ja, welke voortgang in de behandeling is geboekt en welke doelen zijn bereikt. Klaagster en verweerder zijn het weliswaar niet geheel eens met elkaar hoeveel behandelplannen zijn opgesteld, besproken en geëvalueerd, maar ook indien wordt uitgegaan van het door verweerder ingenomen standpunt is er geen sprake van dat dit op de binnen de beroepsgroep gebruikelijke wijze heeft plaatsgevonden.

 

5.2.3    Hetgeen is vermeld onder 5.2.1 en 5.2.2 is op zichzelf al onjuist, maar des te verwerpelijker nu bij verweerder in ieder geval al aan het begin van de in geding zijnde periode (in het verweerschrift en door verweerder ter zitting is aangevoerd eigenlijk al vanaf het begin van de behandeling) het idee bestond dat de geboden behandeling niet effectief was. Verweerder omschrijft dit idee in zijn verweerschrift als volgt:”Hij had het gevoel dat de behandeling het intense lijden van klaagster in stand hield en zelfs versterkte.”Verweerder heeft de behandelrelatie echter pas eind 2015 beëindigd toen hij vooral als gevolg van de behandeling van klaagster geheel uitgeput was geraakt en last kreeg van paniekaanvallen. Verweerder heeft weliswaar herhaaldelijk, ook op advies van collegae, pogingen ondernomen om tot een beëindiging van de behandelrelatie te komen (verweerder is zelfs zelf in therapie gegaan), maar slaagde daarin niet. Dit omdat hij steeds vreesde voor ernstige gevolgen voor klaagster. Een vrees die overigens naar door verweerder uitdrukkelijk ter zitting is gesteld, was gebaseerd op zijn inschatting en niet op door klaagster geuite dreigementen.

 

5.2.4    Uit het dossier blijkt weliswaar dat verweerder met enige regelmaat collegae heeft geraadpleegd met de vraag hoe hij de behandeling zou kunnen verbeteren, maar daaruit blijkt niet dat hij gebruik heeft gemaakt van een gestructureerde vorm van intervisie zoals binnen de beroepsgroep gebruikelijk is. Gelet op de zeer langdurige en complexe problematiek die aan de orde was en de problemen die verweerder zelf ondervond, had verweerder

– zeker nu hij als expert op het gebied van feedback geldt – dienen te weten dat het slechts vragen om advies of hulp onvoldoende garanties geeft voor een deugdelijke analyse van de problematiek en een goed inzicht in het eigen handelen.

 

5.2.5    Uit het vorenstaande volgt al dat dit klachtonderdeel voor zover het ziet op meerbedoelde periode van tien jaar gegrond is. De omstandigheid dat klaagster van opvatting is dat er te weinig aandacht voor haar is geweest in die zin dat zij niet goed is behandeld, dan wel helemaal niet is behandeld en verweerder van opvatting is geweest dat hij juist te veel heeft behandeld, maakt het oordeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de in de beroepsgroep geldende normen niet anders.

 

5.3      Ten aanzien van de klacht vermeld onder 3.1., sub b, betreffende grensoverschrijdend gedrag, zoals nader uitgewerkt in de deelklachten en sub-klachten, overweegt het college als volgt.

 

5.3.1    Deze klacht valt in grote lijnen in twee delen uiteen. Eén deel ziet op de wijze waarop de behandeling heeft plaatsgevonden, de manier waarop verweerder zijn eigen problemen in de behandeling heeft betrokken en het geven van geschenken. Dit klachtonderdeel is hiervoor al besproken en behoeft geen aparte bespreking. Dat deze handelwijze niet juist is geweest, is door verweerder erkend.

 

5.3.2    Ten aanzien van het andere klachtonderdeel dat ziet op “Fysiek contact” en het afleggen van onverwachte huisbezoeken overweegt het college dat verweerder heeft erkend dat omarmingen en omhelzingen na de therapiezittingen hebben plaatsgevonden. Hij heeft uiteengezet dat de beëindiging van de zittingen als gevolg van de trauma’s van klaagster uiterst moeilijk waren. Hij wilde met deze handelingen laten zien dat hij er voor haar was, haar troost bieden en zijn medeleven aan haar tonen. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting erkend dat hij niet op deze wijze uiting had mogen geven aan zijn intenties. Verder heeft verweerder niet ontkend dat sprake is geweest van onverwachte huisbezoeken. Op grond hiervan is ook dit klachtonderdeel al gegrond nu het hier gaat om handelingen die niet in overeenstemming zijn met de in de beroepsgroep geldende normen.

 

5.4      Ten aanzien van de klacht vermeld onder 3.1., sub c, betreffende schending beroepsgeheim, overweegt het college als volgt.

De klacht heeft betrekking op het schenden van het beroepsgeheim door verweerder richting zijn echtgenote en richting een collega. Verweerder heeft erkend dat hij richting zijn collega zijn beroepsgeheim heeft geschonden. Hij heeft een collega verzocht de behandeling van klaagster over te nemen en heeft zonder toestemming van klaagster de situatie van klaagster besproken en haar naam genoemd. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij toestemming heeft gevraagd en gekregen voor het laten lezen aan zijn echtgenote van een zogenoemde second-opinion over (de verdere behandeling van) klaagster, en voor het maken van een aantal procedurele afspraken met zijn echtgenote rondom de therapie van klaagster, waaronder het afstemmen van gezinsvakanties van verweerder op de therapie van klaagster. Klaagster heeft bestreden dat verweerder deze toestemming heeft gevraagd en gekregen. Het college volgt het standpunt van klaagster, omdat het medisch dossier geen aanknopingspunten biedt voor de juistheid van het standpunt van verweerder.

Ook dit klachtonderdeel is daarom gegrond.

 

5.5      Ten aanzien van de klacht vermeld onder 3.1, sub d, betreffende onjuiste dossiervorming, overweegt het college als volgt.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat het verwijt van klaagster, dat het dossier niet compleet is omdat daarin e-mails ontbreken, terecht is. Verweerder betreurt dat niet alle correspondentie in het dossier is opgenomen. Hij kan deze e-mails ook niet meer inbrengen, omdat hij de e-mailcorrespondentie met klaagster van zijn computer heeft verwijderd. Verweerder heeft in het verweerschrift noch ter zitting bestreden dat er twee dossiers zijn gevoerd. Er was sprake van een persoonlijk dossier en een officieel dossier. In het persoonlijk dossier zijn zaken over de behandeling vermeld – met name betrekking hebbend op het huwelijk van verweerder – die niet in het officiële dossier zijn opgenomen. Het is onjuist dat de gevoerde e-mailcorrespondentie niet in het dossier is opgenomen en het is in strijd met hetgeen in de beroepsgroep aanvaard is dat twee dossiers omtrent dezelfde cliënt worden bijgehouden. Bij de overdracht van de cliënt is op deze wijze niet gewaarborgd dat alle relevante gegevens bij de opvolgend behandelaar terechtkomen.

Ook dit klachtonderdeel is gelet op het vorenstaande gegrond.

 

5.6      Ten aanzien van de klacht vermeld onder 3.1., sub e, betreffende onjuiste rapportage afgegeven, overweegt het college als volgt.

Dit klachtonderdeel ziet op de brieven van verweerder aan onder andere de huisarts van klaagster. Het college deelt niet de opvatting van klaagster dat de in dit kader geschreven brieven onjuiste, onvolledige en eenzijdige informatie bevatten. Verweerder heeft op inzichtelijke wijze de problematiek van klaagster en zijn rol in de behandeling beschreven. Dat dergelijke brieven, die zijn geschreven na een behandeling van ruim 20 jaar, niet alle informatie op detailniveau bevatten van wat er tijdens deze behandeling is voorgevallen, maakt deze brieven niet onjuist, onvolledig of eenzijdig.

Dit klachtonderdeel treft dan ook geen doel.

 

5.7      Ten aanzien van de klacht vermeld onder 3.1., sub f, betreffende niet adequaat doorverwezen, overweegt het college als volgt.

Het college volgt niet het standpunt van klaagster dat verweerder door het plotseling afbreken van de therapie eind 2015 onzorgvuldig en inadequaat heeft gehandeld en dat hij het door zijn naamsbekendheid, optredens en weigering openheid van zaken te geven onmogelijk heeft gemaakt dat klaagster ooit nog de juiste behandeling van een andere therapeut kan krijgen. Hierbij moet namelijk niet uit het oog worden verloren dat het plotse afbreken van de therapie het gevolg is geweest van de ziekte van verweerder. Verweerder heeft getracht via een second-opinion bij twee collegae die zijn gespecialiseerd in het bezien hoe vastgelopen behandeltrajecten het beste kunnen worden vervolgd, duidelijkheid voor klaagster te krijgen over wat een goede verdere behandeloptie zou kunnen zijn. Klaagster heeft hier echter niet aan mee willen werken. Dit kan verweerder niet worden aangerekend. Verweerder heeft voorts, zoals blijkt uit 5.6, klaagster op juiste wijze overgedragen aan de huisarts. In de situatie waarin verweerder als gevolg van zijn gezondheidssituatie verkeerde, was dit een alleszins aanvaardbare handelwijze. Van misbruik van zijn naamsbekendheid of zijn hoogleraarschap door verweerder is het college niet gebleken.

Dit klachtonderdeel treft dan ook geen doel.

 

5.8       Hetgeen klaagster heeft vermeld onder “Overigen” behoeft geen bespreking, nu dit niet ziet op het handelen van verweerder. Klaagster beschrijft wat – naar haar opvatting – voor haar de gevolgen van deze behandeling, of het gebrek daaraan, zijn geweest en nog steeds zijn. In het tuchtrecht gaat het – zeer kort samengevat – alleen om de vraag of door verweerder is gehandeld op een wijze die past binnen de in de beroepsgroep geldende normen.

 

5.9      De conclusie van het voorgaande is dat de klachten deels gegrond zijn. Verweerder heeft door zich niet te houden aan hetgeen binnen de beroepsgroep gebruikelijk en aanvaard is, gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47, lid 1, van de Wet BIG jegens klaagster had behoren te betrachten.

 

5.9.1    Zonder te streven naar volledigheid wijst het college op hetgeen in de Beroepscode voor psychotherapeuten is opgenomen over het formuleren van de hulpvraag, het monitoren van de ontwikkelingen, waaronder het opstellen van behandelplannen en het evalueren van hetgeen (al dan niet) bereikt is, en op hetgeen in de code is opgenomen over de relatie tussen therapeut en behandelde, waaronder het vermelde over interventies als aanrakingen, intervisie en de dossierplicht.

 

5.9.2   Ten aanzien van de op te leggen maatregel overweegt het college het volgende.

Er is sprake geweest van een zeer lange behandelrelatie van in totaal bijna 21 jaar. De laatste tien jaar van deze relatie kan zonder meer als buitengewoon complex worden beschouwd. Klaagster verkeerde in de volle overtuiging dat verweerder de enige behandelaar was die haar kon helpen. Verweerder heeft zich zeker in de laatste tien jaar in een positie bevonden waarin hij wist dat hij de behandelrelatie diende te beëindigen, omdat hij er niet in slaagde tot een deugdelijke behandeling te komen, maar hiertoe niet in staat was. Ook niet nadat hij raad bij collegae had gevraagd en collegae bij de behandeling had betrokken. Verweerder is door blijven gaan met de behandeling, wetende – zoals hij het zelf heeft uitgedrukt – dat zijn behandeling het intense lijden van klaagster in stand hield en zelfs versterkte. Zeker gelet op de standpunten die hij in zijn boeken inneemt en op congressen uitdraagt is het onbegrijpelijk dat verweerder in de complexe situatie waarin hij verkeerde niet heeft gezorgd voor deugdelijke feedback en/of intervisie, maar heeft volstaan met het vragen van raad aan en het betrekken van collegae bij de behandeling en raad van collegae tot het beëindigen van de relatie steeds niet heeft opgevolgd.

Daarbij heeft verweerder zich bij de behandeling niet gehouden aan de voor zijn beroepsgroep geldende regels en uitgangspunten. Het college wijst in dit verband naar hetgeen is overwogen onder 5.2.1, 5.3.2 en 5.3.3. Hierbij is geen sprake geweest van geringe afwijkingen van hetgeen binnen de beroepsgroep gangbaar is, maar van aanzienlijke en volstrekt onaanvaardbare afwijkingen. Van verweerder als behandelaar had mogen worden verwacht dat hij in ieder geval al aan het begin van de in geding zijnde periode van tien jaar – hem was toen al geruime tijd duidelijk dat hij niet tegen de situatie was opgewassen – de behandelrelatie had verbroken. In plaats daarvan heeft hij de behandelrelatie tien jaar doorgezet op een wijze waarvan hij wist dat deze bepaald niet was aangewezen en zelfs schadelijk was voor klaagster. Het college rekent dit verweerder zwaar aan. Het verzoek van verweerder om bij het opleggen van een maatregel rekening te houden met de enorme complexiteit van de behandelrelatie en alle pogingen die hij heeft gedaan om die weer op een goed spoor te krijgen, gaat er naar het oordeel van het college aan voorbij dat verweerder als therapeut ervoor verantwoordelijk is – hoe ingewikkeld de problemen van de cliënt en de relatie tussen cliënt en de therapeut ook zijn – dat de behandelrelatie zuiver en begrensd blijft als bedoeld in de Beroepscode. Verweerder is jarenlang opleider geweest en dan klemt zijn handelwijze des te meer.

Nu verweerder niet meer is ingeschreven in het BIG-register is de oplegging van de maatregel van het verbod tot herinschrijving passend. De ziekte van verweerder aan het eind van de behandeling geeft het college geen reden om tot een ander oordeel te komen. Dit omdat de ziekte van verweerder geen rol heeft gespeeld in een zeer groot deel van de te beoordelen periode en de klachten die met name zien op de beëindiging van de behandelrelatie niet gegrond zijn. Het college ziet geen aanleiding om te bepalen dat zijn beslissing onmiddellijk van kracht wordt, omdat het college er voldoende van overtuigd is dat verweerder zich niet op korte termijn zal (kunnen) herinschrijven in het BIG-register.

5.10     Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeft hetgeen klaagster heeft aangevoerd over het passeren van het in de Wet BIG opgenomen verbod om gedragingen te beoordelen die meer dan tien jaar geleden hebben plaatsgevonden geen bespreking. Immers het opleggen van een verdergaande maatregel als wordt gedaan, behoort niet tot de mogelijkheden. Behoudens de door klaagster gestelde langdurige opslag van dossiers in de garage van beklaagde zien de betreffende klachten van klaagster overigens op gedragingen die sterke overeenkomsten vertonen met de gedragingen die hebben plaatsgevonden in de door het college beoordeelde periode.

6. De beslissing

 Het college:

–         verklaart de klachtonderdelen 3.1., a tot en met d, gegrond;

–         legt aan verweerder de maatregel van het verbod tot herinschrijving in het BIG-register op;

–         wijst de klacht voor het overige af.

Het college bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften De Psycholoog en het Tijdschrift voor Psychotherapie ter bekendmaking zal worden aangeboden.

Aldus beslist op 7 november 2019 door:

J. Brand, voorzitter,

C.H.J.A.M. van de Vijfeijken, Th.A.M. Deenen en S.M. Pol, leden-psychotherapeut,

S. Colsen, lid-jurist,

bijgestaan door I.W.M. Dirksen, secretaris.

WG   secretaris                                                                                   WG   voorzitter