Tuchtcollege: Porno kinderarts Frijns UMCN Nijmegen blijft arts, maar geen kinderarts

Commentaar SIN-NL
Het betreft kinderarts Lucas Frijns.
Wederom wordt deze falende arts beschermd, ondanks zijn ethisch & professioneel wangedrag.
Patiënten dus ook kinderen zijn vogelvrij.
Let op: de uitspraak was 22 nov. 2016 , maar deze is pas openbaar gemaakt op 17 januari 2017!! hetgeen duidelijk maakt dat er een deal gemaakt is omdat de termijn van 6 weken voor hoger beroep thans verstreken is.
De tuchtrechters :
mr. R.A. Dozy, voorzitter, K. Haasnoot, H.A. van Dijk en dr. T Kuipers, leden-beroepsgenoten,
en mr. dr. A. Wilken, lid-jurist,hebben hiermee een plaats verworven op zwarte lijstrechters.org en zwartelijstartsen.nl
Zie SIN-NL doofpotdossier kinderarts Lucas Frijns


Een voormalig kinderarts van het Radboudumc in Nijmegen, die eerder werd opgepakt wegens het bezit van kinderporno, mag nooit meer als kinderarts werken. Hij mag wel als arts verder.

 Dat heeft het Regionaal Tuchtcollege Amsterdam dinsdag besloten- uitspraak zie hieronder, SIN-NL, naar aanleiding van een klacht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ).

De politie nam in september 2015 een aantal gegevensdragers in beslag van de man waarop een grote hoeveelheid pornografische en erotische afbeeldingen stonden. Ook stonden daar dertien kinderpornografische afbeeldingen op. Daarnaast werden verscheidene chats aangetroffen die aan kinderporno te relateren waren.

De arts werd destijds direct ontslagen door het ziekenhuis en is inmiddels zo’n anderhalf jaar niet meer werkzaam als arts. (ANP)
—————-

Kinderarts mag vanwege kinderporno vak nooit meer uitvoeren

Amsterdam – Het Regionaal Tuchtcollege Amsterdam verklaart de klacht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) tegen een kinderarts gegrond. De arts mag met onmiddellijke ingang nooit meer als kinderarts werken.

Begin september 2015 is bij de kinderarts door de politie een aantal gegevensdragers in beslaggenomen waarop – naast een grote hoeveelheid pornografische en erotische afbeeldingen – 13 kinderpornografische afbeeldingen zijn gevonden. Daarnaast is een aanzienlijke hoeveelheid chats aangetroffen die aan kinderpornografie te relateren is.

Reden klachten

Het Openbaar Ministerie heeft de strafzaak tegen de kinderarts in juni 2016 afgedaan met een voorwaardelijk sepot, waardoor arts niet verder strafrechtelijk vervolgd wordt. De aan het sepot verbonden en door de arts geaccepteerde voorwaarden zijn onder meer dat hij zich verplicht laat behandelen voor de zedenproblematiek en gedurende drie jaar niet zal werken met kinderen. De IGZ heeft daarna een klacht bij het tuchtcollege ingediend en vindt dat de arts met het bekijken en in het bezit hebben van kinderpornografisch materiaal het  vertrouwen dat de samenleving, patiënten en familie daarvan in een (kinder)arts hebben ernstig heeft geschaad. De kinderarts heeft ten aanzien van de kinderen die hij behandelt een bijzondere zorgplicht. Het downloaden, bekijken en in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal is niet te verenigen met deze zorgplicht. Ook al heeft het handelen in privétijd plaatsgevonden, tast dit toch het algemeen belang van een goede individuele gezondheidszorg aan, aldus IGZ.

Standpunt kinderarts

De arts heeft aangevoerd dat het handelen in de privésfeer heeft plaatsgevonden en dat zijn handelen daarom niet door de tuchtrechter kan worden beoordeeld. Bij hem is geen sprake van pedofiele gevoelens of een pedofiele geaardheid, laat staan van pedoseksualiteit. Het feit dat hij zich heeft ingelaten met het communiceren over en in het bezit hebben van kinderpornografisch materiaal is een gevolg van een onderliggende seksverslaving waaraan hij al langer leed, en expliciet niet van een pedofiele geaardheid. De arts meent dat de seksverslaving en zijn beroep als kinderarts twee gescheiden werelden zijn en hij bestrijdt dat hij een gevaar is geweest voor patiënten of dat hij dat in de toekomst zou kunnen zijn.

Oordeel tuchtcollege

De IGZ is ontvankelijk in de klacht, ook al heeft het handelen van de kinderarts in privétijd plaatsgevonden, nu dit handelen voldoende weerslag heeft op het belang van de individuele gezondheidszorg: het privéhandelen van de kinderarts gaat niet samen met zijn hoedanigheid (werk) van kinderarts. De klacht van de IGZ is door het tuchtcollege gegrond verklaard. Over de strafmaatregel zegt het college het volgende: De arts heeft de feiten volledig erkend.  Hij heeft openheid van zaken en heeft zich direct na zijn verhoren bij de politie onder professionele behandeling heeft laten stellen. De arts heeft ter zitting erkend dat hij met zijn handelen (ver) over de maatschappelijke en tuchtrechtelijke schreef is gegaan. De arts (geboren in 1976) is relatief jong heeft nog een lang arbeidzaam leven voor de boeg. Hij heeft geen pedofiele aard en ook geen persoonlijkheidsstoornis blijkt uit verslagen van de behandelend psycholoog. Het risico op herhaling wordt laag ingeschat en hij heeft zijn carrière en specialisatie als kinderarts beëindigd. De kinderarts is (direct) ontslagen door het ziekenhuis en is inmiddels zo’n anderhalf jaar niet meer werkzaam als arts. Ten slotte slaat het college ook acht op het voorwaardelijk sepot van het OM en de enorme (negatieve) publiciteit in de media, waarin de kinderarts met naam en toenaam is genoemd – in die zin is hij flink gestraft. Doorhaling van zijn bevoegdheid als arts te  werken vindt het college te ver gaan, zodat hij nog wel als arts kan blijven werken. Hij mag echter nooit meer als kinderarts werken.

Opgelegde maatregel

Het tuchtcollege ontzegt de kinderarts de bevoegdheid om nu en in de toekomst het beroep van kinderarts uit te oefenen. Hij mag zich dus ook niet opnieuw laten inschrijven als kinderarts.

Zie ook

  • Persbericht Kinderarts mag vanwege kinderporno vak nooit meer uitvoeren
  • 16/201

    REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

    Beslissing naar aanleiding van de op 14 juni 2016 binnengekomen klacht van:

    Inspectie voor de Gezondheidszorg

    kantoorhoudende te Utrecht,
    k l a a g s t e r,
    namens deze:
    mr. drs. Christien Hofstra-Van Benthem, coördinerend/specialistisch inspecteur, mr. Frederike Dorothea Maria ten Cate-Adema, senior adviseur juridische zaken,

    tegen

    A,

    kinderarts,
    destijds werkzaam te B,
    verweerder
    gemachtigden: mr. S.M. Steegmans en mr. E.J.C. de Jong, beiden advocaat te Utrecht.

    1. De procedure

    Het college heeft kennisgenomen van:

    • –  het klaagschrift met de bijlagen;
    • –  het verweerschrift met de bijlagen;
    • –  het proces-verbaal van het op 3 oktober 2016 gehouden vooronderzoek;
    • –  de brieven van 29 augustus 2016, 29 september 2016, 5 oktober 2016, 11 oktober2016 en 19 oktober 2016 van de gemachtigde van verweerder over de wenselijkheid van een zitting achter gesloten deuren en over de vermelding van de zaak op de zit- tingenrollijst en de reacties hierop van de voorzitter van het regionaal tuchtcollege bij e-mail van 18 oktober 2016 en brief van 25 oktober 2016.De klacht is op de openbare terechtzitting van 22 november 2016 behandeld. Gezien het grote belang dat het college hecht aan de openbaarheid van (tucht)rechtspraak en de toets- baarheid van de behandeling ter terechtzitting, heeft het college het verzoek van verweerder om de zaak achter gesloten deuren te behandelen afgewezen.

      Partijen waren aanwezig. Ter zitting werd de Inspectie vertegenwoordigd door mr. drs. Hof- stra-van Benthem en mr. Ten Cate-Adema voornoemd. Verweerder werd bijgestaan door mr. Steegmans en mr. De Jong. Verweerder heeft een verklaring voorgelezen die hij op schrift heeft gesteld en aan het college en de Inspectie heeft overgelegd. De gemachtigden van beide partijen hebben daarnaast een toelichting gegeven aan de hand van pleitaantekenin- gen die aan het college en over en weer aan elkaar zijn overgelegd.

    1

    16/201

    2. De feiten

    2.1 Verweerder is sinds 2001 BIG-geregistreerd als arts en sinds 2012 eveneens als kinderarts. Van 2011 tot 2016 is verweerder in dienst geweest bij het C te B (hierna: het ziekenhuis), waar hij is opgeleid tot kinderintensivist. Met ingang van mei 2016 zou ver- weerder in vaste dienst komen van het ziekenhuis, doch zijn dienstbetrekking is van rechts- wege beëindigd op die datum. Verweerder werkt momenteel niet.

    2.2 Begin september 2015 is bij verweerder door de politie een aantal gegevensdragers in beslaggenomen waarop – naast een grote hoeveelheid pornografische en erotische afbeel- dingen – 13 kinderpornografische afbeeldingen zijn gevonden. Daarnaast is een aanzienlijke hoeveelheid chats aangetroffen die aan kinderpornografie te relateren is.

    2.3 Op 5 oktober 2015 is verweerder op uitnodiging van de politie naar het politiebureau gegaan en aldaar door de politie aangehouden op verdenking van het in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal; diezelfde dag is verweerder door het ziekenhuis op non-actief gesteld. Verweerder heeft zich aanvankelijk beroepen op zijn zwijgrecht, doch hij heeft in de verhoren vanaf de middag van 6 oktober 2015 uitvoerige verklaringen tegenover de politie afgelegd (politieverhoren 4, 5 en 6 op 6 en 7 oktober 2015). Verweerder heeft in deze ver- klaringen zowel het in bezit hebben van de 13 kinderpornografische afbeeldingen, als zijn betrokkenheid bij de voornoemde chats, erkend.

    2.4 Op 5 oktober 2015 is zowel door de politie als door het ziekenhuis een persbericht uitgebracht waarin werd vermeld dat een kinderarts van het ziekenhuis werd verdacht van het in het bezit hebben van kinderpornografisch materiaal. In beide persberichten is aange- geven dat er geen aanwijzingen waren dat er een relatie bestond tussen het aangetroffen kinderpornografisch materiaal en de werkzaamheden van verweerder als kinderarts. De me- dia hebben de identiteit van verweerder snel kunnen achterhalen en hebben uitgebreid aan- dacht aan de zaak besteed. Tot op heden is verweerder met foto, naam en toenaam op in- ternet te vinden, als zijnde een kinderarts die kinderporno in zijn bezit had.

    2.5 De Inspectie heeft in oktober 2015 via de media vernomen dat verweerder werd verdacht van het in het bezit hebben van kinderpornografisch materiaal en is door het zie- kenhuis geïnformeerd over de aanhouding van de arts. Naar aanleiding daarvan is de Inspec- tie een onderzoek gestart. In dat kader heeft de Inspectie de beschikking gekregen over (onder andere) de processen-verbaal van de verhoren door de politie (politieverhoren 4, 5 en 6 afgenomen op 6 en 7 oktober 2015).

    2.6 Verweerder heeft zich direct na zijn invrijheidstelling op 7 oktober 2015 op eigen initiatief aangemeld bij een ggz-instelling. Hij is daar sinds 30 oktober 2015 in behandeling. Hij heeft een vaste behandelaar (GZ-psycholoog) en ondergaat tot op heden doorgaans we- kelijks, en zo nu en dan twee keer per week, een behandelsessie. Over deze behandeling schrijft zijn behandelaar onder meer in de brief van 5 januari 2016:

    2

    16/201

    De behandeling bestaat uit individuele sessies vanuit een cognitief gedragstherapeutisch referentiekader. Deze sessies vinden wekelijks plaats. Daarnaast heeft er een psychiatrisch consult plaatsgevonden. Je komt trouw op de afspraken en stelt je open en gemotiveerd op bij het werken aan je problemen. Je inbreng getuigt van inzicht in je problemen.

    Op basis van hetgeen je vertelt lijkt het bekijken van kinderpornografisch materiaal een on- derdeel te zijn van de seksverslaving waar je mee kampt, niet van een onderliggende pedo- fiele geaardheid. Er lijkt sprake te zijn van seksuele coping, waarbij je troost zocht in onper- soonlijke seks ter verlichting van negatieve gevoelens. Herhaling van dit gedrag heeft tot een gewoonte geleid met als gevolg dat er een behoefte is ontstaan aan meer seks, meer variatie en extremer pornografisch materiaal waarbij je je uiteindelijk tevens bezig hebt gehouden met deviante seksuele activiteiten namelijk het bekijken van kinderpornografisch materiaal De behandeling zal zich richten op het ontwikkelen van een gezonde seksuele levensstijl, het vergroten van vaardigheden om problemen op te lossen en het verbeteren van de sociale en relationele vaardigheden.

    2.7 Op 8 januari 2016 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen vier vertegenwoordi- gers van de Inspectie en verweerder en zijn (straf)advocaat; hiervan is een verslag opge- maakt d.d. 12 januari 2016. In dit verslag staat vermeld dat een tuchtklacht wordt ingediend en dat mogelijk ook een voordracht volgt bij het College van Medisch Toezicht. De Inspectie heeft ter zitting aangegeven dat deze voordracht (thans) niet aan de orde is.

    2.8 Het OM heeft op 28 juni 2016 een kennisgeving voorwaardelijke niet vervolging uit- gereikt (een voorwaardelijk sepot). De aan het sepot verbonden en door verweerder geac- cepteerde voorwaarden houden kort gezegd in dat verweerder gedurende een periode van drie jaar (i) zich niet schuldig zal maken aan enig strafbaar feit, (ii) zich houdt aan aanwij- zingen van de reclassering, (iii) zich verplicht laat behandelen voor de zedenproblematiek, (iv) medewerking moet verlenen aan onderzoek van zijn gegevensdragers en (v) niet zal werken met kinderen.

    In een persbericht van het OM is dit voorwaardelijk sepot onder meer als volgt toegelicht:

    Tijdens het onderzoek is gebleken dat er geen kinderporno aangetroffen is op zijn werkcom- puter en dat er geen relatie is tussen zijn werk als kinderarts en de feiten waarvan hij ver- dacht wordt. (…) Bij de afdoeningsbeslissing heeft de officier van justitie rekening gehouden met de geringe hoeveelheid kinderpornografische afbeeldingen en hoe daarmee in andere vergelijkbare zaken wordt omgegaan. Ook is bij de beoordeling meegenomen dat hij direct na zijn aanhouding met een gespecialiseerde behandeling is begonnen en dat de reclassering heeft geadviseerd een voorwaardelijk sepot te overwegen vanwege de geringe kans op her- haling.

    Verweerder heeft momenteel eens per maand contact met de reclassering. Er is eveneens contact tussen de reclassering en de behandelaar van verweerder.

    2.9 Over het verloop van de behandeling van verweerder bij de ggz-instelling heeft zijn behandelaar in een aanvullende verklaring d.d. 9 augustus 2016 geschreven:

    3

    16/201

    Wekelijks vindt er een behandelsessie plaats (…) Cliënt heeft psycho-educatie gekregen over libidoremmende medicatie. Gezien het gegeven dat de klachten grotendeels afgenomen wa- ren, was er onvoldoende indicatie om deze voor te schrijven. (…)
    Uit de gesprekken en analyses van diverse psychologische testen en inzage in het proces- verbaal [van de politie; toev. college] kwamen een aantal probleemgebieden naar voren. Deze kunnen samengevat worden in drie hoofdpijlers waarop seksueel overschrijdend gedrag berust, namelijk seksuele problemen, intimiteitsproblemen en problemen op het gebied van zelfregulatie/probleemoplossend vermogen. Er is geen persoonlijkheidsstoornis bij cliënt vastgesteld. (…)

    Het pathologisch internetgebruik, dat grotendeel legaal gebruik betrof, maar waaronder ook het aangetroffen kinderpornografisch materiaal, wijst niet op een pedofiele voorkeur, maar kan dus worden gezien als een uitingsvorm van hyperseksueel gedrag. (…)
    Cliënt komt trouw zijn afspraken na. Zijn partner is betrokken bij de behandeling. Hij laat een enorme inzet zien bij het werken aan zijn problemen. Hij toont zich tijdens de gesprek- ken open, eerlijk en kwetsbaar. Hij beschikt over voldoende probleembesef en –inzicht. Cli- ent laat een positieve ontwikkeling op de drie bovengenoemde hoofdpijlers.

    De drang tot pathologisch internetgebruik is tijdens de behandeling niet voorgekomen en lijkt uitgedoofd. Cliënt heeft meer probleemoplossende vaardigheden ontwikkeld en hanteert meer taakgerichte coping-vaardigheden (…). De koppeling van stress en seksueel gedrag is duidelijk verminderd, terwijl cliënt gebukt gaat onder een hoge mate van stress gezien de strafrechtelijke – en tuchtrechtelijke procedures en de daarmee gepaard gaande berichtge- ving in de media. (…)
    De verwachting is dat cliënt nog gedurende 6-12 maanden in behandeling zal blijven (…). Het recidive risico op pathologisch internetgebruik waaronder het bekijken van kinderporno- grafisch materiaal wordt als laag ingeschat.

    2.10 Verweerder heeft zijn lidmaatschap van de D opgezegd en zijn registratie als kinder- arts zal in februari 2017 komen te vervallen. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat zijn medische carrière als kinderarts voorbij is; hij realiseert zich dat het praktisch onmogelijk is ooit nog als kinderarts aan het werk te gaan en verweerder legt zich daarbij neer.

    3. De klacht en het standpunt van de Inspectie

    3.1 De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder als kinderarts in strijd heeft gehandeld met de tweede tuchtnorm zoals neergelegd in artikel 47 lid 1 onder b Wet BIG door kinderpornografisch materiaal te downloaden, te bekijken en in bezit te hebben.

    3.2 De Inspectie stelt allereerst dat zij ontvankelijk is in het voorleggen van deze klacht aan het college nu verweerder door het downloaden, bekijken en in het bezit hebben van kinderpornografisch materiaal een ernstig strafbaar feit heeft begaan, waardoor hij het in hem als kinderarts gestelde vertrouwen door de samenleving, en in het bijzonder door zijn patiënten en naasten, ernstig heeft geschaad. Verweerder werkt als kinderarts met kinderen en heeft ten aanzien van hen een bijzondere zorgplicht. Het downloaden, bekijken en in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal is niet te verenigen met deze zorgplicht en staat

    4

    16/201

    daar lijnrecht tegenover. In die zin tast zijn handelwijze – ook al heeft deze in privétijd plaatsgevonden – ook het algemeen belang van een goede individuele gezondheidszorg aan en heeft daar een dusdanige weerslag op dat sprake is van schending van artikel 47 lid 1 onder b Wet BIG.

    3.3 De Inspectie verzoekt het college de klacht gegrond te verklaren en een maatregel op te leggen die past bij de ernst van het normoverschrijdend gedrag, en deze maatregel – indien van toepassing – onmiddellijk van kracht te laten zijn / bij voorlopige voorziening op te leggen totdat in hoger beroep is beslist

    4. Het standpunt van verweerder

    4.1 Verweerder stelt voorop dat er bij hem geen sprake is van pedofiele gevoelens of een pedofiele geaardheid, laat staan van pedoseksualiteit. Dat is overigens ook niet aan de klacht ten grondslag gelegd. Het feit dat hij zich heeft ingelaten met het communiceren over en in het bezit hebben van kinderpornografisch materiaal is een gevolg van een onderliggende seksverslaving waaraan hij al langer leed, en expliciet niet van een pedofiele geaardheid. Verweerder meent dat voornoemde seksverslaving en zijn beroep als kinderarts twee ge- scheiden werelden zijn en hij bestrijdt in het bijzonder dat hij een gevaar is geweest voor patiënten of dat hij dat in de toekomst zou kunnen zijn.

    4.2 Verweerder stelt zich op het (formele) standpunt dat de Inspectie niet ontvankelijk is in haar klacht. Verweerder heeft als privépersoon een grote fout gemaakt, niet in zijn hoeda- nigheid van arts. Op grond van de Wet BIG kan privégedrag (nog) niet tuchtrechtelijk wor- den getoetst (hetgeen ook blijkt uit de parlementaire geschiedenis). Het CTG heeft die mo- gelijkheid ten onrechte geopend. De voorgenomen wetswijziging in het conceptwetsvoorstel modernisering Tuchtrecht waarmee ook privé-gedragingen onder de reikwijdte van de tucht- norm worden gebracht, is nog niet van kracht en het is ook nog maar de vraag of die wijzi- ging zal worden doorgevoerd.

    Daarbij wordt verweerder niet strafrechtelijk vervolgd voor het door hem begane strafbare feit. Verweerder heeft echter door het OM wel een beperking voor het uitoefenen van zijn beroep voor de duur van drie jaar opgelegd gekregen en hij is dus als kinderarts al gestraft voor de fout die hij als privépersoon heeft begaan.

    Verweerder stelt op geen enkele wijze als arts tekort te zijn geschoten; hij heeft altijd goed gefunctioneerd als kinderarts. Er bestaat geen enkel verband tussen het door hem begane strafbare feit en zijn werkzaamheden als kinderarts in het ziekenhuis. Patiënten zijn altijd veilig bij hem geweest en zullen dat in de toekomst ook zijn. Verweerder is al geruime tijd (op eigen initiatief) onder behandeling voor de onderliggende seksverslaving – hetgeen als zodanig niet illegaal is – en is zeer gemotiveerd deze problematiek aan te pakken. Kans op recidive is er volgens verweerder absoluut niet.

    4.3 In geval van ontvankelijkheid en gegrondverklaring van de klacht is volgens ver- weerder in verband met de op te leggen maatregen van belang (i) dat verweerder geen pe-

    5

    16/201

    dofiele geaardheid heeft, (ii) hij zich op geen enkele wijze grensoverschrijdend heeft gedra- gen ten opzichte van zijn patiënten, (iii) hij slechts een gering aantal kinderpornografische afbeeldingen in bezit heeft gehad, (iv) hij niet strafrechtelijk wordt vervolgd, (v) er geen, (althans een beperkt) risico op recidive bestaat, (vi) verweerder zich open en toetsbaar heeft opgesteld en (vii) hij (vrijwillig) in behandeling is gegaan voor de onderliggende problema- tiek (de seksverslaving) en hij zeer gemotiveerd is die behandeling te laten slagen.

    5. De beoordeling

    De ontvankelijkheid van de klacht

    5.1 Niet in geschil is dat verweerder zich in zijn privétijd schuldig heeft gemaakt aan het downloaden, bekijken en in bezit te hebben van kinderporno. Daarnaast heeft verweerder erkend betrokken te zijn geweest bij een aantal chats dat aan kinderporno te relateren is. Allereerst is de vraag aan de orde of deze gedragingen, die in privétijd plaatsvonden, onder de zogenoemde tweede tuchtnorm vallen en als zodanig tuchtrechtelijk kunnen worden ge- toetst. Het college beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

    5.2 De tweede tuchtnorm is in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet BIG als volgt omschreven:
    Degene die in een der in het tweede lid vermelde hoedanigheden in een register ingeschre- ven staat, is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van (…) enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uit- oefening van individuele gezondheidszorg.

    De Wet BIG kent een lange totstandkomingsgeschiedenis. In 1986 werd het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend en daarna heeft nog een lange parlementaire behandeling plaatsgevonden; de Wet BIG is op 1 december 1997 nagenoeg geheel in werking is getre- den. De wetgever heeft in de periode waarin de wet tot stand kwam als uitgangspunt geno- men dat handelingen in de privésfeer in beginsel niet onder het tuchtrecht vallen (MvT, Ka- merstukken II 1985/1986, w.o. 19 522, nummer 3, pag. 74), tenzij het handelen niet los van de hoedanigheid kan worden gezien. Dit uitgangspunt is blijkens de (vaste) rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege als volgt genuanceerd: voor toepassing van de tweede tucht- norm moet het handelen – in de privésfeer – van de BIG-geregistreerde voldoende weerslag hebben op het belang van de individuele gezondheidszorg (zie onder meer CTG 12 februari 2015, ECLI:NL:TGZCTG:2015:56 en RTG Amsterdam 29 januari 2016, ECLI:NL:TGZRAMS:2016:14). De sindsdien uitgezette lijn in de tuchtrechtspraak, is een weergave van de (gewijzigde) maatschappelijke opvattingen dat bepaalde vormen van (strafbaar) privégedrag niet samengaan met de hoedanigheid van een BIG-geregisterd hulp- verlener. In het rapport van oktober 2013 betreffende de tweede evaluatie Wet BIG is door de opstellers daarvan onder meer voorgesteld de tweede tuchtnorm aan te passen. In reactie hierop (december 2014; Kamerstukken II 2014-2015, 29 282, nummer 211) heeft de minis- ter onder meer aangekondigd dat gedrag dat een BIG-geregistreerde niet betaamt, vatbaar wordt voor tuchtrechtelijke toetsing, ook als dat gedrag losstaat van de beroepsuitoefening. Aanpassing van de tweede tuchtnorm is niet nodig, nu deze norm door de (tuchtrechtelijke) jurisprudentie concreter is ingevuld, aldus de minister (pag. 23 van voornoemde Kamerstuk-

    6

    16/201

    ken II). Anders dan verweerder heeft gesteld, is derhalve geen sprake van (ontoelaatbare) anticipatie op nog niet inwerking getreden wetgeving, doch is veeleer sprake van het samen- gaan van tuchtrechtelijke rechtspraak en wetgeving als gevolg van maatschappelijke ontwik- kelingen (over 40 jaar) over het handelen in de privésfeer van een BIG-geregistreerde en de invloed of weerslag op het tuchtrechtelijk handelen.

    5.3 De vraag die thans voorligt is of het downloaden, bekijken en in het bezit hebben van kinderporno (en het voeren van chatgesprekken daarover) door een kinderarts, voldoende weerslag heeft op het belang van de individuele gezondheidszorg zoals hierboven vermeld. Die vraag kan het college volmondig bevestigend beantwoorden. Dit gedrag – ten behoeve waarvan kinderen seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd met alle ingrijpende (psychi- sche en lichamelijke) gevolgen van dien – staat lijnrecht tegenover de algemene zorgplicht die iedereen, dus zeker ook een kinderarts, ten aanzien van het welzijn en de gezondheid van kinderen in acht dient te nemen. Het (strafbaar) handelen van verweerder, ook al is dit in de privésfeer geschied, gaat op geen enkele wijze samen met de hoedanigheid van een BIG-geregistreerd hulpverlener. Aan een kinderarts is die zorg voor kinderen bij uitstek toe- vertrouwd. Met zijn gedragingen – die de waarden van het beroep van kinderarts in de kern raken – heeft verweerder het in hem als kinderarts gestelde vertrouwen door de samenle- ving, en in het bijzonder door zijn patiënten en naasten, zeer ernstig geschaad. Zijn gedra- gingen, ook al vonden ze niet plaats in de uitoefening van zijn hoedanigheid van kinderarts, kunnen derhalve niet los worden gezien van die hoedanigheid en zijn als zodanig tuchtrech- telijk toetsbaar, en evident in strijd met de tweede tuchtnorm (artikel 47 lid 1 onder b Wet BIG). Onderliggend telt ook mee dat met downloaden van kinderpornografisch materiaal (al betreft het slechts een gering aantal afbeeldingen) het abjecte, zieke systeem van het plaat- sen (uploaden) van kinderporno en het downloaden daarvan in stand wordt gehouden.

    5.4 Het feit dat verweerder een beperking voor de duur van drie jaar voor het uitoefenen van zijn beroep opgelegd heeft gekregen en in zijn ogen als kinderarts dus al is gestraft voor de fout die hij als privépersoon heeft begaan, doet aan de ontvankelijkheid van de Inspectie in haar klacht niet af. Het tuchtrecht en het strafrecht dienen verschillende doelen en kunnen naast elkaar worden ingezet. Daar waar het strafrecht voornamelijk een punitief doel dient, beoogd het tuchtrecht de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bewaken en te bevorderen. Weliswaar wordt het tuchtrecht door aangeklaagde BIG-geregistreerde hulpver- leners ook als punitief ervaren (de openbare terechtzitting, de plaatsing van de maatregel berisping in een landelijk/plaatselijk dagblad met naam en toenaam), doch dit laat het pri- maire doel van het tuchtrecht onverlet.

    De beoordeling van de klacht

    5.5 Uit het voorgaande volgt genoegzaam dat verweerder door het in privétijd downloa- den, bekijken en in bezit te hebben van kinderporno in strijd heeft gehandeld met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg zoals bedoeld in artikel 47 lid 2 van de Wet BIG. De klacht is dan ook gegrond.

    7

    16/201

    De op te leggen maatregel

    5.6 Het college constateert dat verweerder de verweten gedragingen volledig heeft er- kend, dat hij volledige openheid van zaken heeft gegeven, dat hij zich direct na zijn verhoren bij de politie onder professionele behandeling heeft laten stellen en dat hij ter zitting blijk ervan heeft gegeven dat hij met zijn handelen (ver) over de maatschappelijke en tuchtrech- telijke schreef is gegaan. Het college hecht eraan tevens op te merken dat verweerder rela- tief jong is – en nog een lang arbeidzaam leven voor de boeg heeft, geen pedofiele aard heeft en ook geen persoonlijkheidsstoornis (zo volgt genoegzaam uit de verslagen van de behandelend psycholoog), dat het risico op herhaling laag wordt ingeschat en dat hij zelf zijn carrière en specialisatie als kinderarts heeft beëindigd (vast staat tevens dat verweerder als kinderarts een goede staat van dienst had). Bovendien is hij ook (direct) ontslagen door het ziekenhuis en inmiddels zo’n anderhalf jaar niet meer werkzaam als arts. Ten slotte slaat het college ook acht op het voorwaardelijk sepot van het OM en de enorme (negatieve) publici- teit in de media, waarin verweerder met naam en toenaam is genoemd – in die zin is ver- weerder ook al flink gestraft.

    5.7 In artikel 48 lid 1 van de Wet BIG worden de volgende maatregelen opgesomd:
    (a) waarschuwing, (b) berisping, (c) geldboete, (d) schorsing van de inschrijving in het re- gister voor ten hoogste één jaar, (e) gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid in het BIG-register betrokken beroep uit te oefenen, (f) doorhaling van de inschrijving in het regis- ter. Daarnaast is ook in de tuchtrechtspraak een andere (buitenwettelijke) maatregel ont- wikkeld, namelijk die van de gegrondverklaring van de klacht, zónder oplegging van een maatregel (het zogenoemde “(tucht)rechtelijke pardon”).
    De eerste twee maatregelen (sub a en sub b) worden doorgaans opgelegd voor fouten die BIG-geregistreerden hebben begaan in hun beroepsuitoefening (zie het onderzoek van mrs. C.M. de Klerk en E.T.M. Oudshoorn, Maatregelen tuchtrecht gezondheidszorg, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, nr. 3, 2015), waarbij de berisping ook een element van verwijtbaarheid bevat. Deze laatste maatregel is naar het oordeel van het college in deze zaak te licht. De geldboete (sub c) wordt sowieso weinig opgelegd en ligt meer voor de hand in zaken waarbij (ook) fouten zijn gemaakt die in de financiële sfeer liggen (zoals opzettelijk foute declaraties opstellen); voor deze zaak ligt een geldboete dan ook niet in de rede. De tijdelijke schorsing van de inschrijving in BIG-register voor maximaal één jaar (sub d) zou een toepasselijke maatregel zijn geweest, doch verweerder heeft vanaf 5 oktober 2015 zijn werk als (kin- der)arts niet meer uitgeoefend zodat deze maatregel “mosterd na de maaltijd” zou zijn. De doorhaling van de inschrijving in het BIG-register (sub f) oordeelt het college in deze zaak een te zware maatregel, immers dan zou verweerder nimmer meer kunnen werken als arts en het college ziet geen aanleiding om deze zwaarste maatregel op te leggen, mede gelet op de onder 5.5 weergegeven feiten en omstandigheden. In deze zaak past niet het tuchtrech- telijk pardon gezien de ernst van de verweten gedraging.

    5.8 In deze zaak oordeelt het college de volgende maatregel het meest passend en ge- boden: verweerder zal nimmer meer als kinderarts mogen werken, maar mag wel als arts

    8

    16/201

    blijven werken, al dan niet in een andere, toekomstige specialisatie. Hiervoor heeft de wet geen passende maatregel ontwikkeld, doch de maatregel onder e) komt hierbij het dichtst in de buurt. In lijn met andere tuchtrechtelijke jurisprudentie over de gedeeltelijke ontzegging zal het college verweerder de bevoegdheid ontzeggen om nog werkzaam te zijn in de specia- lisatie van kinderarts en beveelt, zo nodig, de doorhaling hiervan en wel met onmiddellijke ingang vanaf de datum van deze beslissing in het belang van de bescherming van de indivi- duele gezondheidszorg (ex artikel 48 lid 7, tweede zin Wet BIG). Voorts zal het college bepa- len dat verweerder het recht wordt ontzegd om zich wederom in het BIG-register als kinder- arts te laten registeren.

    5.9 Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onher- roepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

    6. De beslissing

    Het college:

    • –  verklaart de klacht gegrond;
    • –  ontzegt verweerder de bevoegdheid om, in het register ingeschreven staand, het be-roep van kinderarts uit te oefenen en bepaalt dat deze ontzegging onmiddellijk vankracht wordt;
    • –  beveelt zo nodig de doorhaling van verweerders inschrijving als kinderarts in hetBIG-register dan wel ontzegt verweerder, voor het geval hij op het moment van het onherroepelijk worden van deze beslissing niet als kinderarts is ingeschreven in het BIG-register, het recht om wederom in dit register als kinderarts te worden inge- schreven en bepaalt dat deze ontzegging onmiddellijk van kracht wordt;
    • –  bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG
      in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften Medisch Contact en Tijdschrift voor Gezondheidsrecht ter bekendmaking zal worden aangeboden.Aldus beslist op 22 november 2016 door:
      mr. R.A. Dozy, voorzitter,
      K. Haasnoot, H.A. van Dijk en dr. T Kuipers, leden-beroepsgenoten,
      mr. dr. A. Wilken, lid-jurist,
      bijgestaan door mr. G.H. Felix, secretaris,
      en in het openbaar uitgesproken ter zitting van 17 januari 2017 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.wg secretaris wg voorzitter

    9

    16/201

    Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schrifte- lijk hoger beroep worden ingesteld door:
    – de klager, voor zover zijn klacht is afgewezen, of voor zover hij niet-ontvankelijk is verklaard; – degene over wie is geklaagd;

    – de hoofdinspecteur en de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid aangaat.

    Het beroepschrift, gericht aan de secretaris van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, moet binnen zes weken na de dag van verzending van de beslissing op het secretariaat van het regio- naal tuchtcollege Amsterdam zijn ontvangen.

    10