Rechter R. A. Dudok van Heel (zwarte lijst rechters) beschermt Prof. R. Beltzer UvA

Ophef over het vonnis  dd 13 mei 2019, zie hieronder, van mevrouw Mr. R. A. Dudok van Heel, rechtbank Amsterdam waarin zij de NRC verbiedt om de volledige naam van Prof. Mr. R. Beltzer, voormalig hoogleraar arbeidsrecht aan de Universiteit te Amsterdam te publiceren, ontslagen in 2018 wegens sexueel grensoverschrijdend gedrag.
Mw Dudok van Heel staat op zwartelijstrechters.org
Blijkbaar heeft mevrouw Dudok van Heel een belangrijke functie om falende leden van onze maatschappelijke elite te beschermen tegen publicatie.
Zij deed dit eerder bij een plastisch chirurge uit Zwolle die nb door de tuchtrechter voorwaardelijk geschorst was wegens onjuiste zorg. Dudok van Heel verbood aan nb Google om de naam van deze dame die nb gepubliceerd wordt in het overzicht van het BIG register van zorgverleners aan wie een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd, te laten opkomen bij de zoekresultaten.
Google NL is in hoger beroep gegaan, terecht want de rechter is voorbijgaan aan een vonnis uit 2009 waarbij aan SIN-NL publicatie van de zwartelijstartsen.nl en publicatie van de naam van falend hoogleraar neurologie UMCG Jan Kuks te publieren ondanks het feit dat hij niet tuchtrechtelijk veroordeeld was.
Dit vonnis van mw Dudok van Heel is uitermate juridisch aanvechtbaar en NRC is terecht in hoger beroep gegaan. Helaas zal dit hoger beroep behandeld worden door het Gerechtshof Amsterdam waar de betrokken hoogleraar nb raadsheer plaatsvervanger is, dus bij zijn collega’s.
Inmiddels is het volledig gerechtvaardigd om uitambtzetting van rechter Dudok van Heel te eisen.
————————–

Rechter: NRC mag naam van ex-hoogleraar niet publiceren

Machtsmisbruik Ex-hoogleraar spande een kort geding aan tegen NRC dat onderzoek deed naar zijn grensoverschrijdende gedrag

NRC mag de voor- en achternaam van een hoogleraar arbeidsrecht die zich schuldig maakte aan grensoverschrijdend gedrag niet publiceren, zo oordeelde de voorzieningenrechter maandag in een kort geding dat de betrokken hoogleraar, B., had aangespannen.

NRC deed langdurig onderzoek naar (seksueel) wangedrag en machtsmisbruik door B., die tot eind 2018 verbonden was aan de vakgroep arbeidsrecht van de Universiteit van Amsterdam. B. moest vertrekken nadat een onderzoekscommissie vorig jaar oktober concludeerde dat er „sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag” en er „gedurende een langere periode in de betrokken afdeling een gevoel van onveiligheid heeft geheerst”.

NRC sprak ruim 35 bronnen en zag tientallen (vertrouwelijke) documenten, apps, mails, gespreksverslagen en rapportages in, enkele daarvan verkregen na een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur. Op basis hiervan legt NRC het wangedrag bloot en reconstrueert waarom het wangedrag zo lang heeft kunnen voortbestaan.

Lees het volledige onderzoek: Bij hoogleraar B. moesten de vrouwen hakken dragen

Publiek figuur

In het kader van wederhoor kreeg B. een uitnodiging voor een gesprek, dat hij toezegde en vervolgens afzegde. Hij beantwoordde daarop schriftelijke vragen en kreeg het artikel voor publicatie ter inzage. B. spande vervolgens een kort geding aan dat vrijdag in Amsterdam diende. De zaak richtte zich volgens de advocaten van B. „uitdrukkelijk niet op de inhoud van het artikel”, maar op een verbod op het noemen van zijn voor- en achternaam, de sectie arbeidsrecht van de UvA en het afbeelden van zijn portret, op straffe van een dwangsom.

De rechter oordeelt dat NRC het gedrag „grensoverschrijdend” mag noemen, B. als hoogleraar en raadsheer van het gerechtshof Amsterdam is aan te merken als ‘public figure’ en „voorshands [kan] worden aangenomen dat het artikel voldoende op feitelijke basis is gestoeld”, maar er tegelijk „onvoldoende” grond is om B. met volledige naam „aan de schandpaal te nagelen”. Dat dat kan gebeuren, is volgens de rechter „voldoende aannemelijk”, „gezien de grote vlucht die de social media hebben genomen”. De rechter neemt in het oordeel ook het gewicht van het medium mee: NRC staat bekend als „kwaliteitskrant”, „de daarin vermelde zaken [zullen], zeker wanneer deze als feiten worden gepresenteerd, door een groot publiek voor ‘waar’ […] worden gehouden.”

Lees ook het bericht dat NRC in november 2018 publiceerde over deze zaak: UvA-hoogleraar vertrekt na ‘grensoverschrijdend gedrag’
NRC gaat tegen de uitspraak in hoger beroep. Het niet langer mogen publiceren van namen van hooggeplaatste publieke figuren bij ernstige misstanden heeft volgens de krant vergaande journalistieke consequenties die het belang van deze zaak overstijgen. Volgens NRC doet het noemen van de volledige naam van B. recht aan de omvang en de zwaarte van de feiten en draagt die bij aan de huidige maatschappelijke discussie over het fenomeen van (seksueel) machtsmisbruik. De vakgroep arbeidsrecht mag van de rechter wel genoemd worden. De dwangsom is afgewezen.


 

Bij hoogleraar B. moesten de vrouwen hakken dragen

Onderzoek machtsmisbruik en wangedrag Een hoogleraar werd een half jaar geleden gedwongen te vertrekken bij de UvA. Wat speelde er de afgelopen jaren bij de sectie arbeidsrecht? Zijn bijnaam was ‘Een acht voor een nacht’.

 

Een vooraanstaand hoogleraar arbeidsrecht rent op een middag in een glimmende, roze jarenzeventigoutfit, een roze kruis om zijn nek en getooid met een grote pruik, joelend door de gangen van een rechtenfaculteit. Een ongebruikelijk tafereel, maar bij de Universiteit van Amsterdam (UvA) kijkt in mei 2018 niemand ervan op. Zo kennen ze hoogleraar B.: flamboyant, charismatisch en levenslustig. Hij maakt zich met twee jonge, eveneens uitgedoste collega’s op voor een feest.

Wat de hoogleraar niet weet, is dat hij op datzelfde moment onderwerp van gesprek is bij een overleg van twee collega-professoren, die in een kamer even verderop in de gang tegenover elkaar zitten met een kop koffie. De Leidse hoogleraar arbeidsrecht Gerrard Boot heeft in het diepste geheim iets te melden aan zijn evenknie Evert Verhulp, al ruim vijftien jaar de directe collega van B. bij de UvA.

Gerrard Boot, ook raadsheer en vertrouwenspersoon bij het gerechtshof Amsterdam, komt direct ter zake: hij beschikt over gedetailleerde informatie over aanhoudend seksueel grensoverschrijdend gedrag door de dan 46-jarige B. Informatie waar de UvA iets mee moet, zo maakt Boot duidelijk. Bij Verhulp begint alles in zijn hoofd te draaien. Hij kent als geen ander de onhebbelijkheden van collega B.: diens manipulatieve gedrag, drankgebruik en het vermogen dat alles vervolgens keihard te ontkennen. Maar aanhoudend seksueel grensoverschrijdend gedrag? De wat steile Verhulp heeft weleens iets gehoord maar is daar nooit op aangeslagen. Laat staan dat hij actie heeft ondernomen. Maar nu lijkt er geen weg terug.

Een half jaar later, begin november 2018, brengt de UvA een summier persbericht uit. „Een aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid verbonden hoogleraar” heeft „ontslag genomen”, na een onderzoek naar „grensoverschrijdend gedrag”. Wie het is en aan welk grensoverschrijdend gedrag de hoogleraar zich heeft schuldig gemaakt waardoor er „gedurende een langere periode in de sectie een gevoel van onveiligheid heeft geheerst”, meldt de universiteit niet. Over tot de orde van de dag. Dat deze zaak niet uniek is, bleek afgelopen week toen het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren na een inventariserend onderzoek aandacht vroeg voor structureel wangedrag en (seksuele) intimidatie in de wetenschap. „Het sterk hiërarchische karakter, de hoog competitieve en individualistische cultuur, het ontoereikend reageren op gevallen van harassment en het – al dan niet gedwongen – zwijgen van de slachtoffers, zijn kenmerken van de huidige wetenschapscultuur die maken dat wangedrag en intimidatie gemakkelijk kunnen ontstaan en niet of nauwelijks worden aangepakt.” Ook de vakbonden FNV en VAWO constateerden vorige week op basis van eigen onderzoek dat een sociaal onveilige werkomgeving, onder meer door seksuele intimidatie, een veelvoorkomend probleem is aan universiteiten.

Wat speelde er al die jaren bij de sectie Arbeidsrecht van de UvA? En waarom werd er twee decennia lang niet ingegrepen? NRC kreeg de afgelopen maanden inzage in tientallen (vertrouwelijke) documenten en sprak met ruim 35 betrokkenen. Een reconstructie van een verziekte cultuur bij een afdeling van een grote publieke instelling waar macht en angst het wonnen van veiligheid. Of zoals een directbetrokkene terugblikkend zegt: „Achteraf sla ik me voor mijn kop.”

Lees ook: Rechter: NRC mag naam van ex-hoogleraar niet publiceren Dat NRC de volledige naam van deze betreffende hoogleraar niet noemt, is het gevolg van een recente rechterlijke uitspraak (zie verantwoording). De hoogleraar, met de initialen R.B., spande op 7 mei een kort geding aan tegen NRC. Zijn eisen: zijn voor- en achternaam noch de naam van de sectie Arbeidsrecht van de UvA zouden mogen worden vermeld. Op het eerste punt stelde de rechtbank Amsterdam hem in het gelijk, op het punt van het mogen vermelden van de vakgroep niet. NRC gaat tegen de uitspraak in beroep.

Charismatisch en vrijpostig

B. is een goede en ijverige rechtenstudent. Na een baan als bedrijfsjurist bij verzekeringsmaatschappij Reaal strijkt hij in 1997 neer bij het Hugo Sinzheimer Instituut (HSI), een instelling van de UvA die zich bezighoudt met arbeidsstudies en is gevestigd boven de fameuze sigarenzaak Hajenius aan het Rokin.

De geboren Amsterdammer is een opvallende verschijning in het uitgesproken links-progressieve bolwerk. Anders dan zijn collega’s gaat hij gekleed in strakke pakken met bijpassende leren schoenen en tassen. Hij is intelligent, charismatisch en eloquent – al zien collega’s dat zijn verbale begaafdheid na een paar bier moeiteloos overgaat in brallen. Hij promoveert in 2000, ruim binnen de gebruikelijke termijn van vier jaar, op ‘de overgang van onderneming’. Een niche tussen het arbeids- en ondernemingsrecht, waarin hij zal uitgroeien tot een expert.

B. heeft al snel zijn draai gevonden bij het HSI. „Het aldaar in stand gehouden evenwicht tussen spanning en ontspanning, ernst en scherts, is voor mij een belangrijke voorwaarde geweest voor een succesvolle afronding”, schrijft hij in het dankwoord van zijn proefschrift.

Dat er sprake zou zijn van een evenwicht, ziet niet iedereen. B. is een gangmaker, houdt van de kroeg en is vrijpostig in de omgang, zeker met vrouwen. Een vrouwelijke collega die vraagt of hij iets na wil kijken, antwoordt hij: „Ik kijk liever naar iets anders.” Zo maakt hij met regelmaat toespelingen, seksueel getinte opmerkingen en ‘grappen’ tegenover meerdere vrouwelijke collega’s. („Ik heb me net op je afgetrokken”). Het internet, dat in die jaren in opkomst is, biedt hem daartoe volop ruimte. Meerdere collega’s ontvangen pornoplaatjes en filmpjes van hem. Het leidt tot ongemak en gespannen verhoudingen met enkele vrouwelijke collega’s die zich geen raad met hem weten. Een melding van zijn ongewenste gedrag bij een mannelijke leidinggevende leidt tot niets.

Zelden roept iemand B. tot de orde, ook niet als er wél een keer melding wordt gedaan

Een vrouwelijke collega die vertelt in 2005 na een borrel buitenshuis door B. onder haar kleding in het kruis te zijn gegrepen, wordt niet serieus genomen door de leiding, onder wie Verhulp. De bedrijfsarts en de afdeling personeelszaken van de UvA zijn evenmin onder de indruk. „Het is jouw woord tegen het zijne”, krijgt ze te horen. B. zelf laat haar in de dagen erna weten geen actieve herinnering te hebben aan het voorval. Een functionerend systeem van vertrouwenspersonen is er niet. De vrouw is bang en voelt zich machteloos. Een poging om met een paar andere vrouwen een klacht in te dienen tegen B. strandt. De angst voor repercussies is bij de meesten te groot.

De cultuur bij Arbeidsrecht is er een van leven en laten leven. De leiding heeft vooral oog voor wat iemand wetenschappelijk presteert. En R.B. is wetenschappelijk een rijzende ster. Dat ziet iedereen. In januari 2002, twee jaar na zijn promotie, wordt hij al universitair hoofddocent. Hij onderhoudt goede contacten met arbeidsrechtadvocaten, publiceert, zit in de redactie van vaktijdschriften en heeft een wisselcolumn in het Advocatenblad, over allerhande juridische kwesties. Zijn co-auteur daar: Gerrard Boot. Het illustreert hoe klein de wereld van het arbeidsrecht is. Iedereen kent elkaar en komt elkaar vroeg of laat weer tegen.

In 2006 maakt B. een volgende carrièrestap. Hij wordt, na een positieve aanbeveling door zijn UvA-collega Verhulp, raadsheer-plaatsvervanger bij het gerechtshof Amsterdam. Een benoeming voor het leven. Zijn trotse ouders geven B. een toga cadeau, die vanaf dat moment zijn werkkamer bij de UvA op de Oudezijds Achterburgwal siert. Een sollicitatie als hoogleraar arbeidsrecht in datzelfde jaar bij de Vrije Universiteit loopt op niets uit.

De afwijzing doet geen afbreuk aan zijn ambitie. Voor z’n veertigste is hij hoogleraar, laat B. aan collega’s weten. Binnen de sectie Arbeidsrecht van de UvA is hij inmiddels de ongekroonde koning. Verhulp is een befaamd hoogleraar en op papier de hoogste in rang maar hij is niet zo toegankelijk als de humoristische B. Die geeft enthousiast college, organiseert goedlopende cursussen op de Zuidas en praat urenlang bevlogen met collega’s over het recht. Ook met zijn grootste criticasters.

B. neemt veelvuldig het voortouw voor borrels. „Zo, hard gewerkt. Wie heeft er zin in een drankje?”, oppert hij op de app of per mail aan collega’s. In Zeppos, een om de hoek van de UvA gelegen bruin café, voert B. het hoogste woord en verhaalt hij bij Belgisch speciaal bier al snel over zijn favoriete standjes of het verschil tussen een vleeslul en een bloedlul.

De buitenwereld ziet een andere B. Zo schrijft hij in 2006 onder de titel ‘Werk: een (goede) voedingsbodem voor Amor’ over liefdes op de werkvloer, in een bundel voor jonge advocaten. Zijn conclusie: „Voorzichtigheid is geboden.”

Binnen zijn eigen sectie vervaagt de groepsmoraal beetje bij beetje. Als een kikker die zich aanpast aan steeds heter water. Illustratief zijn de voortdurende opmerkingen over hun uiterlijk die vrouwen zich laten welgevallen. Ze moeten hakken dragen, lang haar hebben en hun nagels moeten lang en gelakt zijn, vindt B. Tegen collega’s zonder make-up, zegt hij: „Ben je ziek?”

Zijn opstelling werkt een tweedeling in de hand: mensen die met hem weglopen of zich naar hem voegen en een deel dat zich van hem afkeert. Twijfelaars kunnen op zijn aandacht rekenen. „Doe niet zo saai. Of ben je soms zwanger?” Afhakers choqueert hij op gezette tijden: „Jij zou het eens op z’n Frans moeten doen.”

De frequente borrels zorgen voor een extreme roddelcultuur, valt nieuwkomers al snel op. De man die als gezaghebbend hoofddocent invloed heeft op het aannamebeleid van bijvoorbeeld student-assistenten, voert in de kroeg het hoogste woord als de man van roddel en achterklap. Die positie geeft B. – die onder studenten de bijnaam ‘Een acht voor een nacht’ heeft – macht. En biedt hem kansen. Zo legt hij het aan met een student-assistent, maar ontkent het even makkelijk als iemand hem ernaar vraagt. Wie B. erop aanspreekt, moet het ontgelden. „Ben je jaloers ofzo?!”

Zijn gedrag op de UvA maar ook op congressen in binnen- en buitenland leidt tot een continue geruchtenstroom, tot op het niveau van de borrels van het college van bestuur van de UvA. Maar hoogstzelden roept iemand B. tot de orde, ook niet als er wél een keer melding wordt gedaan. Of de decaan of vakgroepvoorzitter nu Paul van der Heijden, Jit Peters of Edgar du Perron heet; geen leidinggevende roept B. bij zich om hem aan te spreken op zijn gedrag. Laat staan dat ze onderzoek instellen.

Middelpunt van de vakgroep

In de zomer van 2010 schrikt de vakgroep op. De vrouw van Evert Verhulp overlijdt plotseling. B., nog altijd druk doende om zijn vleugels uit te slaan, neemt verschillende taken van hem over. Zijn hoop in die dagen om in Groningen bijzonder hoogleraar Europees en vergelijkend arbeidsrecht te worden, vervliegt. De universiteit kiest voor Mijke Houwerzijl, de vrouw die eind 2011 eveneens de post van hoogleraar arbeidsrecht in Tilburg bemachtigt. Een plek waarop ook B. heeft gesolliciteerd. „Waarom word ik nou nergens aangenomen?”, vraagt hij zich vertwijfeld af in een vertrouwelijk gesprek met een UvA-collega.

Decaan Edgar du Perron biedt uitkomst. De baas van de ruim vierhonderd medewerkers van de rechtenfaculteit is na het uitvallen van Verhulp dringend op zoek naar een nieuwe hoogleraar. Daarom handelt hij in de zomer van 2011 razendsnel als hij van B. hoort over diens sollicitatie in Tilburg. Du Perron wil de high potential behouden. Om snelheid te behouden, consulteert hij alleen Verhulp. Die twijfelt door diens omgangsvormen aan de geschiktheid van B., maar zegt niets. Als alle noodzakelijke formaliteiten in hoog tempo zijn afgerond, staat na de zomervakantie van 2011 niets de benoeming van B. tot hoogleraar nog in de weg. De signalen over zijn gedrag bereiken de leden van de benoemingsadviescommissie niet. Verhulp, die de commissie leidt, zwijgt opnieuw.

Op 23 september 2011 verwezenlijkt B. zijn droom. Eén dag na zijn veertigste verjaardag is hij officieel hoogleraar. De bevordering geeft hem vleugels. Hij publiceert, organiseert en motiveert collega’s met alles wat hij in zich heeft. Hij is de motor waar de afdeling op draait en publiceert verschillende boeken. Tegelijkertijd wordt hij in de loop der jaren steeds vrijpostiger, zowel zakelijk als in de omgang met vrouwen. Met zijn eigen vrouw onderhoudt hij „een open relatie”, zo vertelt hij zonder terughoudendheid. Het leidt tot groeiend ongemak onder een deel van de vrouwelijke collega’s, student-assistenten en studenten, die het opvatten als een ongewenste uitnodiging.

Daar trekt de hoogleraar zich niets van aan. Hij is het middelpunt van de vakgroep, zeker als Verhulp op 1 april 2012 wordt geïnstalleerd als kroonlid van de Sociaal-Economische Raad (SER) en veel tijd doorbrengt in Den Haag. Bij de lunch zet B. verschillende keren een fles wijn op tafel. Dát gaat Verhulp te ver, als hij ervan hoort. Hij spreekt B. erop aan in aanwezigheid van collega’s. Die reageert kortaf: „Ach, doe niet zo moeilijk.”

Vertrouwelingen rond B. lopen met hem weg maar zijn tegelijkertijd voortdurend op hun hoede, zeker de vrouwen. Hoe ze zich moeten gedragen, hoe ze zich dienen te kleden. Een mengeling van argwaan en jaloezie steekt de kop op onder een deel van de vrouwen zodra zich een goed ogende nieuwkomer meldt in de vakgroep. De onderlinge spanningen tussen de vrouwen die close zijn met B. leiden soms tot hevige conflicten, bijvoorbeeld als de hoogleraar een op de afdeling veelbesproken relatie krijgt met een studente. De gemoederen lopen zo hoog op dat Verhulp en Du Perron wel móéten ingrijpen. De hoogleraar wordt gedwongen de begeleiding van de scriptie van de studente over te dragen aan Verhulp. Aan de relatie tussen B. en de jonge vrouw waagt niemand van de leiding zich.

Zelfs de kennis dat B. pornoplaatjes en filmpjes verstuurt aan mannen én vrouwen zet de leidinggevenden die er wel weet van hebben niet aan tot actie. Zo ontdekken ze dus niet dat hij ook audiovisueel materiaal van zichzelf verspreidt, in opgewonden toestand. De individuele ontvangers daarvan hebben soms vermoedens dat ze niet de enigen zijn, maar spreken er onderling niet over. De angst en schaamte overheersen, soms omdat ze (in het verleden) toch voor zijn avances zijn gevallen. Zoals B. ze het gevoel kan geven dat ze uitverkoren zijn („Hé schatje”), zo makkelijk kan zijn humeur omslaan op het moment dat ze hem afwijzen of toch hun beklag durven doen bij hem. B.: „Jij bent de enige met wie ik problemen heb.” Een officiële klacht wordt er nooit tegen hem ingediend.

De hoogleraar is als een kameleon die van kleur verschiet. Hij is niet te vangen, behoudt zo de controle en laat dat blijken. Hij gaat over de beoordeling van tentamens en proefschriften, over contractverlengingen en promotietrajecten. Meer dan eens werpt hij zich op als de redder van vrouwen die willen afstuderen of promoveren maar in zijn ogen wetenschappelijk tekortschieten, niet zelfverzekerd genoeg zijn of simpelweg niet werelds genoeg om zich staande te houden in Amsterdam. „Ik ga je helpen”, is steeds zijn credo.

Zo meldt zich een paar jaar geleden een studente met privéproblemen bij B. op zijn zolderkamer op de UvA. Hij hoort haar verhaal aan, ontfermt zich over de vrouw en zoent haar daarna in haar nek. Het gesprek loopt uit op seks. Het is de eindfase van een maandenlang proces waarin de hoogleraar haar allerhande complimenten maakt over haar uiterlijk en mails stuurt met steeds verdergaande seksueel getinte opmerkingen.

Vrouwen die de afhankelijkheid tegen zijn zin ontgroeien, merken het meteen. Hun verstandhouding bekoelt, B. staat onverwacht thuis bij ze voor de deur of hij laat juist een cadeautje bezorgen op hun werkadres. Zo wordt er een taart bezorgd op het advocatenkantoor waar een oud-studente, met wie hij langdurige een seksuele relatie heeft gehad, net aan een nieuwe baan is begonnen. De tekst op de taart: „Gefeliciteerd, tante Klitty.” Het signaal: niemand ontsnapt aan mijn aandacht.

In juni 2015 komt B. in aanvaring met de president van het gerechtshof Amsterdam. Die spreekt hem vermanend aan wanneer hij ontdekt dat B. zichzelf op de site van het advocatenkantoor van zijn vrouw behalve als hoogleraar ook aanprijst als raadsheer-plaatsvervanger bij het hof. Een miskleun, stelt het hof. Helemaal omdat B. zijn nevenfunctie als commercieel adviseur daar niet heeft opgegeven, ondanks een verplichting daartoe. B. schrikt en past het direct aan.

Voor zijn werkzaamheden als juridisch adviseur, een functie die hij vervult naast zijn fulltime aanstelling bij de UvA en het werk bij het hof, betaalt het kantoor de UvA jaarlijks 7.000 euro.

Verdeel en heers

Evert Verhulp is eind 2016 aan het einde van zijn Latijn. Het verlies van zijn vrouw, zijn drukke baan bij de SER en het hoogleraarschap; het is hem te veel. Helemaal omdat hij ook nog voorzitter is van de vakgroep Arbeidsrecht – terwijl hij geen geboren leidinggevende is, weet hij ook zelf. Medewerkers zijn ontevreden. Onder druk van derden legt Verhulp zijn functie als vakgroepvoorzitter neer. B. is zijn beoogde opvolger. Wanneer dat nieuwtje uitlekt, ontstaat er reuring op de afdeling. Verhulp is geen leider maar B. evenmin, is de opvatting van zijn critici. Maar de onvrede dringt niet door tot de decaan of het college van bestuur van de UvA. B. wordt de nieuwe vakgroepvoorzitter en vergroot zo opnieuw zijn machtspositie.

Maar dit keer vertilt hij zich. Zijn tactiek van verdeel en heers begint zich in de loop van 2017 tegen hem te keren. De bestuurlijke chaos is al snel nog groter dan onder zijn voorganger, de al bestaande financiële tekorten lopen verder op tot ruim zeven ton en de ontevredenheid onder het personeel groeit. Zo is op vrijdag 8 december 2017 de sinterklaasviering bij B. thuis. Die is uitgegroeid tot een jaarlijkse traditie met veel drank – de reden dat een deel van het personeel het feest aan zich voorbij laat gaan. Eind 2017 zijn voor het eerst ook medewerkers van het Amsterdams Instituut voor ArbeidsStudies (AIAS) aanwezig. Het instituut fuseert op dat moment onder leiding van B. met het Hugo Sinzheimer Instituut, de onderzoeksinstelling waar hij zelf in 2000 promoveerde.

Enkele AIAS-medewerkers weten niet wat ze meemaken. In de gemaakte kring in de woonkamer van B. is onvoldoende plaats voor iedereen. „Als er niet genoeg stoelen zijn, kunnen de dames natuurlijk gewoon op schoot”, grapt de hoogleraar. Later op de avond hurkt hij na de nodige drank opzichtig boven een chocoladepenis en maakt grappen van hetzelfde niveau. Eenmaal buiten praten enkele vrouwen over wat ze binnen hebben gezien. „Hoe moet ik deze man nog serieus nemen”, vraagt één van hen zich af.

In de dagen daarna bespreken ze wat te doen met hun ervaringen met hun leidinggevende. De bereidheid van andere vrouwelijke collega’s om een klacht in te dienen, is gering. De angst voor B. is simpelweg te groot. „Ik neem liever zelf ontslag dan dat ik een klacht tegen hem indien”, zegt één van hen. De vrouwen die wel willen doorzetten, weten niet waar ze terechtkunnen. De meest aangewezen vertrouwenspersoon is langdurig afwezig, de ander is Verhulp. Het voornemen van twee mannelijke oudgedienden – die al jaren bekend zijn met de verhalen over B. – om een ander aanspreekpunt voor de vrouwen te vinden krijgt geen vervolg. Ook deze signalen over het gedrag van B. bereiken de leiding van de faculteit en de universiteit niet. Opnieuw ontbreekt het ervaren mannelijke leidinggevenden aan daadkracht om op te staan tegen de hoogleraar.

Die hoop koesteren verschillende vrouwen wel als begin 2018 de #MeToo-beweging een hoogtepunt bereikt. Vrouwen over de hele wereld delen op social media onder de hashtag #MeToo hun ervaringen over ongewenste seksuele intimiteiten die ze hebben ondergaan door ongelijke gezagsverhoudingen. Ook in Nederland komen de verhalen los. B. wordt er in maart 2018 in een podcast naar gevraagd, maar dan als expert op het gebied van arbeidsrecht. Hij heeft voor de gelegenheid zijn collega en vertrouweling Ilse Zaal meegenomen. „Ik denk dat het wel meevalt hoe mild rechters oordelen over #MeToo. Ik heb wat gekeken naar wat erover is verschenen sinds een half jaar en ik denk dat de Nederlandse rechters heel goed bestand zijn tegen wat ik maar even ‘de waan van de dag noem’”, zegt de hoogleraar arbeidsrecht. „Daarmee wil ik niet bagatelliseren wat er soms gebeurt op de werkvloer. Je moet gewoon je poten thuishouden. Ik denk dat we het daarover eens zijn.”

De werkelijkheid is anders. Als een vrouwelijke onderwijsdirecteur in het voorjaar een ronde maakt langs alle afdelingen, beklaagt een aantal vrouwelijke medewerkers zich over de onveilige werksfeer onder B. De nieuwe decaan André Nollkaemper, die onbekend is met alle verhalen over de hoogleraar, laat voor de zekerheid diens personeelsdossier checken – voor zover dat bestaat. Niet alleen is het van papier, het dossier is ook nagenoeg blanco. Beoordelingsgesprekken met B. zijn al jaren niet gevoerd en de verslaglegging over diens prestaties is erbarmelijk. De noodzaak om nader onderzoek te doen wordt niet gevoeld bij de leidinggevenden van de faculteit.

Wel krijgt B. in het voorjaar van 2018 voor het eerst in jaren een beoordelingsgesprek op de UvA. De leiding van de faculteit is ontevreden over de bedrijfsvoering van de sectie en verplicht hem de cursus ‘Academisch leiderschap’ te volgen. Maar die blijkt al vol te zitten voor het hele jaar. Dat B. de betalingen van het advocatenkantoor van zijn vrouw aan de UvA voor zijn advieswerk eigenhandig heeft stopgezet, vertelt hij de faculteitsleiding niet.

Maar de tegenslagen voor B. houden aan, dat voorjaar van 2018. Eind maart stuurt een advocaat een zogenoemde legal opinion naar het gerechtshof in Amsterdam met het verzoek deze toe te voegen aan een zaakdossier. De verbijstering is groot in het gerechtsgebouw aan het IJ als blijkt wie de auteur is van de juridische opinie: professor B. Het is in strijd met de regels dat een medewerker van het hof in een andere hoedanigheid cliënten adviseert in zaken die bij hetzelfde hof (kunnen gaan) dienen. Een ernstige faux pas, is de conclusie van de leiding van het hof, waarover dringend moet worden gesproken.

Zover komt het niet. Tot verrassing van zijn collega’s bij het hof legt B. in april zijn functie als raadsheer-plaatsvervanger neer. De hoogleraar weet namelijk dat het volgende probleem aanstaande is. Ook in een andere zaak bij het hof, die voor 25 mei 2018 op de rol staat, heeft hij een opinie afgegeven. Voor B. is er geen andere uitweg meer dan een direct vertrek, al geeft hij er op zijn LinkedIn-pagina een draai aan: „Na jaren bij het hof is het tijd voor een nieuwe uitdaging.”

De aftocht lost zijn probleem niet op. Zonder dat hij het zelf weet, begint zijn verleden B. in te halen. De rechter in de tweede ‘opiniezaak’ blijkt ook al jaren vertrouwenspersoon te zijn bij het hof en is in die hoedanigheid óók op de naam van de hoogleraar gestuit. Zijn naam: Gerrard Boot, de jurist met wie B. na de eeuwwisseling de gezamenlijke rubriek had in Advocatenblad.

Een advocate heeft zich niet lang daarvoor bij Boot gemeld. Ze vertelt hem dat ze, net als meerdere kantoorgenoten, het vertrouwen in B. heeft verloren na verschillende klachten van student-stagiaires over ongepaste seksuele toenaderingen door de hoogleraar. De advocate spreekt tegenover Boot van „machtsmisbruik” en wil dat er wordt ingegrepen om andere studentes te behoeden. Boot is iemand die ze kent en vertrouwt. Of hij er werk van wil maken, is haar nadrukkelijke verzoek.

De Leidse jurist laat haar verhaal bezinken en doet in de weken die volgen navraag bij verschillende mensen. Allen zijn bekend met B.’s gedrag. De gesprekken bevestigen Boots beeld dat er iets grondig mis is. Hij zoekt contact met zijn baas bij het gerechtshof, president Herman van der Meer; de man die intern op verschillende gelegenheden heeft gezegd dat er in zijn organisatie „geen tapijt is te vinden waaronder problemen verdwijnen”. Van der Meer steunt Boot en geeft hem permissie om zijn bevindingen te melden bij de UvA.

Onveilig werkklimaat

„Hierbij verzoek ik alle medewerkers van de sectie Arbeidsrecht dringend om vandaag om 10.30 uur aanwezig te zijn in kamer A7.23. Ik zal jullie dan informeren over een kwestie die de sectie direct raakt”, mailt André Nollkaemper op 17 juli aan het personeel. Tijdens de bijeenkomst vertelt de decaan de aanwezigen dat hij serieuze signalen heeft ontvangen over seksueel grensoverschrijdend gedrag van B. De mededeling is voor vrijwel niemand een verrassing. De decaan meldt dat het bureau Bezemer onderzoek gaat doen naar de meldingen en signalen. B. is tot nader order geschorst.

Toch heerst er geen opluchting onder (oud-)collega’s als ze de voorwaarden horen waaronder ze met de commissie kunnen praten. B. krijgt volledige inzage in de (desgewenst geanonimiseerde) gespreksverslagen van de commissie met de geïnterviewden en in alle andere aangeleverde documenten. Dat heeft vergaande consequenties. Betrokkenen haken af of melden slechts een deel van hun ervaringen aan de commissie uit angst voor de consequenties als B. ook dit keer de dans ontspringt en terugkeert op de faculteit. Er zijn zelfs mensen die na het gesprek met de commissie alsnog hun verklaring intrekken. De angst is zo groot dat de meeste mensen die verklaren dat anoniem doen. Al biedt ook die optie maar relatieve veiligheid, erkennen de commissieleden tegenover betrokkenen. B. zal ze weten te herleiden. Of zoals Bezemer het stelt in zijn officiële onderzoeksopzet: „De persoon over wie de meldingen gedaan worden, kan lezen wie wat over hem heeft gezegd.”

Hoewel de UvA geen publieke ruchtbaarheid geeft aan het onderzoek breidt het zich in de zomer van 2018 toch uit als betrokkenen elkaar beginnen aan te sporen om te getuigen. Het gevoel eindelijk serieus te worden genomen, trekt mensen over de streep. Ook een aantal vertrouwelingen van B. gaat uiteindelijk in op de uitnodiging van de commissie. Het werkt hem op de zenuwen dat het onderzoek eind september nog altijd loopt. Hij past noodgedwongen de autoreply van zijn mail aan: „In de maand oktober ben ik met bijzonder verlof.” Dat weerhoudt hem er niet van om mensen die tegen hem hebben verklaard te confronteren met hun getuigenissen. B. laat zich door niemand stoppen.

Op woensdag 31 oktober ontvangt de UvA het eindrapport. De conclusie: B. heeft zich schuldig gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag en er is door zijn toedoen lange tijd sprake geweest van een onveilig werkklimaat. Maar een leger aan juristen van de UvA en door de universiteit ingehuurde partners van Boontje Advocaten zien er niet het ultieme bewijs in om B. op staande voet te ontslaan. Wat volgt zijn gesprekken over de voorwaarden van vertrek van de hoogleraar, die in 2004 het boekje ‘Ontslag op staande voet’ schreef. Zo zijn de universiteit en B. het er al snel over eens dat de naam van de hoogleraar niet zal worden genoemd in de communicatie door de UvA over zijn vertrek. Dit tot grote ergernis van veel betrokkenen. Die neemt in de maanden die volgen toe als blijkt dat de universiteit zelf geen enkel contact zoekt met voormalig leidinggevenden en andere betrokkenen om lering te trekken uit het verleden.

Op woensdag 7 november zet de UvA een nieuwsbericht online over het vertrek van „een aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid verbonden hoogleraar”. Kort daarvoor heeft decaan Nollkaemper een mail gestuurd aan alle medewerkers van de faculteit. „Ik ben geschrokken van de bevindingen.” De feiten en de conclusies van het rapport zijn voor hem en het college van bestuur „zo zwaarwegend, dat is besloten dat de hoogleraar niet zal terugkeren”. Nollkaemper: „Daarop heeft deze zelf besloten ontslag te nemen.” Dat B. nog tot het einde van het jaar zal worden doorbetaald, meldt Nollkaemper niet. Tegen universiteitskrant Folia spreekt hij van „een schokkend rapport”, mede door „de duur van de voorvallen”. Nollkaemper: „Het ging echt om grensoverschrijdend gedrag.” Evert Verhulp duidt de werkwijze van B.: „Je hebt contact, je doet leuk mee, en voor je het weet lig je met hem in bed.”

B. heeft op zijn LinkedIn-pagina dan al melding gemaakt van zijn nieuwste nevenfunctie: de gewezen hoogleraar biedt als taalcoach bij Stichting Vluchtelingenwerk nieuwkomers ondersteuning bij het leren van de Nederlandse taal. In januari 2019 vestigt hij zich als ‘legal consultant’. Op LinkedIn reageert hij in maart op een man die zich beklaagt over berichtgeving in dagblad de Stentor. B., dan al in de wetenschap dat NRC onderzoek naar hem doet: „Media zijn uit op scoren en we nemen elkaar erg graag de maat. Het is een povere tijd voor wie de nuance zoekt.”

————————–

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:3451

ECLI:NL:RBAMS:2019:3451

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-05-2019
Datum publicatie
14-05-2019
Zaaknummer
C/13/666141 / KG ZA 19-500 MDvH/MB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Voorzieningenrechter verbiedt NRC de naam en foto van eiser te vermelden in/bij artikel over ‘grensoverschrijdend gedrag’.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/666141 / KG ZA 19-500 MDvH/MB

Vonnis in kort geding van 13 mei 2019

in de zaak van

[EISER],

wonende te Amsterdam,

eiser bij dagvaarding op verkorte termijn van 8 mei 2019,

advocaat mr. J.A. Schaap te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NRC MEDIA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [ HOOFDREDACTEUR],

3. [ JOURNALIST I],

4. [ JOURNALIST II],

allen werkzaam en voor deze zaak woonplaats gekozen hebbende te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. C. Wildeman te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Ter zitting van 10 mei 2019 heeft eiser gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagden, hierna tezamen NRC, hebben aan de hand van een op voorhand toegezonden conclusie van antwoord verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen.
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Ter zitting waren aanwezig eiser, zijn echtgenote, mrs. Schaap en Th.O.M. Dieben.

Verder waren aanwezig [Redacteur] (plaatsvervangend hoofdredacteur van het dagblad NRC), [Journalist I] en [Journalist II] met mr. Wildeman en mr. E.W. Jurjens.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

1.2.

Mr. Schaap heeft het verzoek gedaan de zitting met gesloten deuren te behandelen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek in verband met de openbaarheid van de rechtspraak afgewezen. Wel heeft zij toegestaan, in verband met zwaarwegende privacybelangen van eiser, dat onderdelen van de zitting een aantal keren kort met gesloten deuren zijn behandeld. Verder heeft NRC uitdrukkelijk toegezegd in afwachting van de uitspraak in dit kort geding de naam van eiser in relatie met deze zaak niet te publiceren ook niet via derden.

2. De feiten

2.1.

Eiser was van 2011 tot eind 2018 hoogleraar […] aan de rechtenfaculteit (sectie Arbeidsrecht) van de Universiteit van Amsterdam (UvA). Van 2011 tot 2018 was eiser tevens raadsheer-plaatsvervanger bij het gerechtshof Amsterdam.

2.2.

Naar aanleiding van een rapport van het bureau […], hierna bureau BK&S heeft eiser in 2018 te kennen gegeven ontslag te nemen bij de UvA. Eind 2018 hebben eiser en de UvA een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

2.3.

Op 7 november 2018 heeft de UvA een persbericht naar buiten gebracht waarin melding wordt gemaakt dat bureau BK&S heeft geconstateerd dat sprake is geweest van ‘grensoverschrijdend gedrag’ en dat om die reden een niet nader te noemen hoogleraar niet bij de UvA zal terugkeren. Na dit persbericht is in diverse media melding gemaakt van het ontslag van de hoogleraar, zonder hierbij de naam van eiser te openbaren.

2.4.

Op 11 maart 2019 heeft [Journalist I], journalist bij NRC, contact opgenomen met eiser. Op 28 maart 2019 heeft [Journalist I] hem een aantal vragen gesteld. Eiser heeft deze vragen op 1 april 2019 schriftelijk beantwoord.

2.5.

Op 2 mei 2019 heeft eiser een concept van een artikel over hem van de hand van [Journalist I] dat deze voornemens is in NRC te (laten) publiceren ontvangen. Op 7 mei 2019 heeft de advocaat van eiser [Journalist I] bericht dat dit artikel onrechtmatig is, onder meer omdat het onvoldoende steun vindt in het feitenmateriaal.

2.6.

NRC is voornemens om op woensdag 15 mei 2019 het artikel over eiser te publiceren. Eiser wordt hierin met naam en toenaam genoemd. Mogelijk wordt ook zijn portret bij het artikel afgebeeld. NRC heeft in ieder geval niet bevestigd dat dit niet het geval zal zijn. In het artikel wordt eiser beschuldigd van onder meer machtsmisbruik, manipulatie, (seksuele) intimidatie, ongewenste intimiteiten en aanranding.

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert – kort gezegd – het volgende:
I. gedaagden ieder voor zich met onmiddellijke ingang te verbieden om via welk medium dan ook de voornaam en achternaam van eiser te noemen en/of de sectie Arbeidsrecht van de UvA te noemen en/of het portret van eiser af te beelden;
II. op straffe van een dwangsom van € 50.000,- voor iedere dag dat het onder I. gevorderde verbod wordt overtreden;
III. met veroordeling van NRC in de kosten van dit geding en in de nakosten.

3.2.

Eiser stelt hiertoe – samengevat weergegeven – dat hij geen publiek figuur is en dat het noemen van zijn naam een ernstige inbreuk op zijn privacy vormt. De vrijheid van meningsuiting van NRC weegt hiertegen niet op. Bij het zoeken op internet zullen zijn naam en de aan zijn adres geuite beschuldigingen blijven opduiken. Dit leidt tot onherstelbare schade, niet alleen voor eiser, maar ook voor zijn gezin. Eiser is zijn baan al kwijt en zijn carrière is gebroken. Als zijn naam op grote schaal bekend wordt, zal het bijna onmogelijk zijn elders weer aan de slag te kunnen, ook op langere termijn. Ook zijn gezin met twee opgroeiende kinderen zal erdoor worden gestigmatiseerd. Ondanks dat het artikel veel onjuistheden bevat en eiser van mening is dat hem onvoldoende weerwoord is geboden, behelst dit kort geding uitdrukkelijk niet de inhoud van het artikel. De vorderingen van eiser in dit kort geding beperken zich tot het noemen van zijn naam, het noemen van de sectie Arbeidsrecht en het afbeelden van zijn portret.

3.3.

NRC heeft verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om een botsing van twee fundamentele rechten, het recht op de vrijheid van meningsuiting van NRC, zoals verankerd in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van eiser, zoals gewaarborgd in artikel 8 van dat verdrag. Er bestaat geen rangorde tussen beide rechten. Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in dit geval zwaarder weegt, hangt af van alle omstandigheden van het geval, waarbij de wederzijdse belangen moeten worden afgewogen.

4.2.

Voorop staat dat het artikel bijdraagt aan het publieke debat, welk debat inmiddels als het ‘#metoo-debat’ bekend staat, dat wil zeggen het debat over seksueel grensoverschrijdend gedrag, onder meer in afhankelijkheidsrelaties.

4.3.

In dit concrete geval stelt NRC twee misstanden aan de orde te willen stellen in het artikel: (1) het grensoverschrijdende gedrag van eiser zelf en (2) dat de UvA er (aanvankelijk) niets aan heeft gedaan, namelijk de klachten niet serieus heeft genomen en niet heeft opgetreden.

4.4.

Met name die laatste misstand is van zwaarwichtig belang en het artikel draagt vooral bij aan het publieke debat daarover.

4.5.

Wat betreft de persoon van eiser is de voorzieningenrechter met NRC, en anders dan eiser, van oordeel dat hij (in zekere mate) is aan te merken als een ‘public figure’. Hij was immers hoogleraar, hoofd van de vakgroep en plaatsvervangend raadsheer van het gerechtshof Amsterdam, waarmee hij publieke functies uitoefende. Hij trad ook zelf naar buiten, zij het in bescheiden mate, met publicaties, opinies en met webcolleges, en heeft in die hoedanigheid (een zekere mate van) mediabelangstelling te dulden.

4.6.

Ook wordt de opvatting van NRC gedeeld, dat het gedrag van eiser zelf (uitgaande van de juistheid van een (groot) deel van de gedragingen/beschuldigingen beschreven in het artikel) – zoals ook het bureau BK&S en de UvA hebben geoordeeld – zodanig is geweest dat NRC hieraan het waardeoordeel ‘grensoverschrijdend gedrag’ mag verbinden en dat het NRC vrij staat hierover te publiceren. In de gegeven omstandigheden wordt echter geoordeeld dat dat onvoldoende is om eiser met volledige naam (en mogelijk ook met foto) in het artikel te vermelden en daarmee (in de lengte der jaren, bijvoorbeeld door social media) aan de schandpaal te nagelen. Vooralsnog is, gezien de grote vlucht die de social media hebben genomen en alle commentaren die in de regel op uitingen van deze aard via internet te vinden zijn, voldoende aannemelijk gemaakt dat het noemen van zijn naam dergelijke gevolgen zal hebben. Van belang is ook dat NRC bekend staat als kwaliteitskrant, zodat de daarin vermelde zaken, zeker wanneer deze als feiten worden gepresenteerd, door een groot publiek voor ‘waar’ zullen worden gehouden.

4.7.

In de tekst van het als productie overgelegde artikel worden veel van de geuite beschuldigingen als feit gepresenteerd. Eiser heeft de juistheid van een groot deel van deze beschuldigingen, met name de meest ernstige, betwist. […] NRC heeft daar tegenover gesteld tal van bronnen te hebben gesproken en zorgvuldig onderzoek te hebben gedaan. Gelet op de stellingen van NRC in voornoemde context kan voorshands worden aangenomen dat het artikel voldoende op feitelijke basis is gestoeld. Wat betreft de meest ernstige beschuldigingen – van aanranding en van het hebben van seksueel contact met een kwetsbare studente – is de feitelijke onderbouwing tegenover de ontkenning van eiser echter zeer summier en is aannemelijk dat deze dateren van jaren her. Vaststaat dat er geen aangifte tegen eiser is gedaan, laat staan dat hij strafrechtelijk wordt vervolgd. Bovendien, zelfs – of juist – als hij verdachte zou zijn van een strafbaar feit, zouden de meeste media volstaan met vermelding van slechts zijn initialen en zou zijn portret in de regel onherkenbaar (moeten) worden gemaakt. Niet goed valt in te zien waarom de bescherming van de privacy van eiser in dit geval minder ver zou moeten gaan. Daar komt bij dat eiser zijn baan bij de UvA en zijn functie als raadsheer-plaatsvervanger inmiddels ten gevolge van deze kwestie is kwijt geraakt. Hij heeft dus al de nodige consequenties van zijn handelwijze – wat daarvan in detail ook zij – ondervonden.

4.8.

Voor het publieke debat over deze #metoo-kwestie is het niet nodig dat de naam van eiser wordt genoemd. Binnen zijn eigen professionele kringen zal (vrijwel) iedereen, voor zover dat niet al het geval is, snel weten dat het over hem gaat, ook als zijn naam niet wordt genoemd. Het argument van NRC dat door het niet noemen van zijn naam de gebeurtenissen worden gebagatelliseerd en de indruk wordt gewekt dat er niet over gesproken mag worden, wordt niet gevolgd. Het feit dat dit artikel in de krant staat, waardoor in zijn professionele kringen bekend zal zijn dat het over eiser gaat, zal vanzelfsprekend tot gevolg hebben dat er wel over wordt gesproken en dat in die kringen zijn naam ook zal worden genoemd. Een verdergaande inbreuk op zijn privacy en die van zijn gezin door het noemen van zijn naam in het artikel is in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd.

4.9.

Het belang van de privacy van eiser staat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet aan in de weg dat de sectie Arbeidsrecht in het artikel wordt genoemd. Zoals eerder overwogen, zal ook zonder die toevoeging binnen de professionele omgeving van eiser zonder meer duidelijk zijn dat het artikel over hem gaat. Het belang van eiser is er (vooral) in gelegen dat mensen buiten zijn professionele omgeving – in zijn privéleven – niet ook allemaal weten dat dit in zijn professionele leven is voorgevallen. In zekere zin is de voorzieningenrechter het op zich met NRC eens dat ‘wie zich brandt ook op de blaren moet zitten’, maar – zoals NRC ook heeft gesteld – eiser heeft zich in zijn professionele leven (als hoogleraar en hoofd van de vakgroep) ‘gebrand’ en hij zal in dat professionele leven dan ook ‘op de blaren moeten zitten’, maar hij hoeft dat niet ook in zijn privéleven. Ieder mens verdient een tweede kans.

4.10.

Een vergelijking met uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juli 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:4958) gaat niet op; in die zaak werd, anders dan hier, een algeheel publicatieverbod gevorderd. De kwestie die in dit kort geding aan de orde is, kan ook niet zonder meer worden vergeleken met de casus in ECLI:NL:RBAMS:2018:3198. Immers, anders dan in die zaak, zijn de uitlatingen in het onderhavige artikel, zoals (de advocaat van) eiser terecht heeft aangevoerd, van elke nuancering gespeend. Voor zover de zaken wel gelijkenis vertonen, valt de belangenafweging in deze zaak net anders uit. Zoals hiervoor is overwogen, is het ook mogelijk om zonder de naam van eiser te noemen de misstanden bij de (vakgroep Arbeidsrecht van de) UvA aan de kaak te stellen en daarmee het meer algemene maatschappelijke probleem dat ontstaat wanneer klachten over seksueel overschrijdend gedrag en machtsmisbruik niet serieus worden genomen.

4.11.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de onder 4.1 genoemde belangenafweging uitvalt in het voordeel van eiser. De enige beperking die aan de uitingsvrijheid van NRC wordt opgelegd, namelijk het niet noemen van de naam van eiser (en het niet tonen van zijn foto), is voldoende gerechtvaardigd, noodzakelijk ter bescherming van de privacybelangen van eiser en niet disproportioneel, waarmee het aan de vereisten genoemd in lid 2 van artikel 10 EVRM voldoet.

4.12.

De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen. NRC heeft ter zitting uitdrukkelijk toegezegd zich aan een eventueel veroordelend vonnis te zullen houden. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat NRC zich aan deze toezegging houdt.

4.13.

NRC zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiser worden begroot op:

– dagvaarding € 81,83

– griffierecht 297,00

– salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.358,83

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt gedaagden ieder voor zich met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis om via welk medium dan ook, analoog of digitaal, de voornaam en/of de achternaam van eiser te noemen en/of het portret van eiser af te beelden, met inbegrip van verwijzingen via hyperlinks, twitterberichten en citaten van derden, in het onder 2.6 bedoelde artikel of een gewijzigde versie daarvan of een andere publicatie met daarin dezelfde beschuldigingen,

5.2.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van eiser tot op heden begroot op € 1.358,83,

5.3.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2019.1