Radboudumc mag oncoloog kankerspecialist mw dr S. Radema niet ontslaan van rechter, ziekenhuis verbaasd

Radboudumc mag kankerspecialist niet ontslaan van rechter, ziekenhuis verbaasd

Update NIJMEGEN – Het ontslag van een kankerspecialist die niet goed functioneerde op het Radboudumc in Nijmegen is onterecht. De oncoloog die volgens het ziekenhuis mogelijk geen goede zorg gaf, mag niet ontslagen worden. Dat heeft de kantonrechter vrijdag besloten.

De rechter wijst het ontbindingsverzoek van het ziekenhuis dan ook af. Eerst moet het ziekenhuis het eigen aangekondigde onderzoek naar driehonderd medische dossiers van kankerpatiënten onder de loep hebben genomen. Dat moet meer duidelijkheid geven over wat zich precies heeft afgespeeld.

Dan pas kan de kantonrechter naar eigen zeggen een oordeel vellen.

Verbaasd over de uitspraak

Het Radboudumc zegt verbaasd te zijn over de uitspraak. Een woordvoerder: ,,We dachten voldoende feiten aangedragen te hebben om aan te tonen dat ontbinding van het arbeidscontract gerechtvaardigd is. We hadden een sterke zaak waarbij we serieuze negatieve signalen hebben gekregen van zowel patiënten als collega’s van de arts. We beraden ons nu op vervolgstappen.”

Een waarschijnlijk scenario is dat het eigen onderzoek naar het mogelijke disfunctioneren van de medisch oncoloog versneld gaat worden. ,,We wilden dat al zo snel mogelijk doen om zo snel mogelijk duidelijkheid te kunnen verschaffen. Maar nu is het helemaal noodzaak om daarmee vaart te maken. We zullen er hard aan trekken om het onderzoek eerder af te ronden dan onze eerdere streefdatum van 1 februari 2020. Maar voorop staat ook dat dit zorgvuldig moet gebeuren”, aldus de woordvoerder.

Gebrekkige communicatie

De medisch oncoloog blijft gedurende die tijd op non-actief. ,,Het is aan onze jurist om te beoordelen of we bij de kantonrechter een vervolgzaak aanspannen om alsnog het contract ontbonden te krijgen. Of dat gebeurt, zal later pas blijken, afhankelijk van onze bevindingen.”

Het ziekenhuis was in april een onderzoek naar de arts begonnen die verantwoordelijk was voor chemotherapie voor kankerpatiënten met onder meer borst-, darm- en alvleesklierkanker. De arts zou volgens de woordvoerder verweten worden dat ze gebrekkig communiceert, het medisch handelen stond ter discussie en ook het functioneren op ‘medisch leiderschap’ zou mogelijk onvoldoende zijn.

Driehonderd dossiers van kankerpatiënten die de afgelopen tweeënhalf jaar door de oncoloog zijn behandeld worden daarvoor onder de loep genomen, zo werd donderdag bekend. Bekeken wordt of de patiënten wel de juiste zorg hebben gekregen.

We zullen er hard aan trekken om het onderzoek eerder af te ronden dan onze eerdere streefda­tum van 1 februari 2020. Maar voorop staat ook dat dit zorgvuldig moet gebeuren

Woordvoerder Radboudumc

‘Ontslag mag niet’

Volgens de kantonrechter is het ‘begrijpelijk dat het ziekenhuis een onderzoek naar mogelijk disfunctioneren is gestart’. Maar, zo oordeelt de rechter ook: de arts mag niet ontslagen worden vanwege alleen aanwijzingen voor slecht functioneren. Dat de oncoloog vroeger een tijd zonder de vereiste big-registraties heeft gewerkt, verandert volgens de kantonrechter niets. ‘Het ziekenhuis was daar eerder ook van op de hoogte en heeft toen geen actie ondernomen.’

Dat laatste wordt overigens tegengesproken door de woordvoerder van het Radboudumc. ,,We hebben de medisch oncoloog herhaaldelijk moeten waarschuwen dat haar big-registratie verlengd moest worden. Het was haar verantwoordelijkheid, maar daar ging ze slordig mee om.”

Speciale telefoonlijn

Nadat donderdag het nieuws bekend werd dat het ziekenhuis maatregelen heeft genomen tegen de medisch oncoloog, hebben tientallen patiënten en nabestaanden het Radboudumc gebeld om extra informatie te krijgen. Hiervoor is een speciale telefoonlijn opengesteld. ,,De meest gestelde vraag is om welke arts het gaat. Mensen willen weten of zij of een verwante onder behandeling van deze oncoloog zijn geweest.”

Volgens het Radboudumc is de arts al enige maanden niet meer actief. De arts werkte zeven jaar in Nijmegen.
—————-

ECLI:NL:RBGEL:2019:5976 kantonrechter  mr. P.J. Wiegman

Instantie Rechtbank Gelderland Datum uitspraak 20-12-2019 Datum publicatie 20-12-2019
Zaaknummer 8142008 Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De kantonrechter wijst ontbindingsverzoek van ziekenhuis ten aanzien van oncoloog af. De kantonrechter vindt het in dit geval begrijpelijk dat het ziekenhuis een onderzoek naar mogelijk disfunctioneren van de oncoloog is gestart. Dat onderzoek is echter nog niet afgerond. De mogelijke aanwijzingen voor disfunctioneren zijn onvoldoende om te oordelen dat sprake is van verwijtbaar handelen op grond waarvan de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. Dat de oncoloog in het verleden enige tijd heeft gewerkt zonder de vereiste registraties maakt het oordeel niet anders, nu het ziekenhuis daarvan destijds op de hoogte was en toen geen actie heeft ondernomen jegens de oncoloog.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Nijmegen

zaakgegevens 8142008 \ HA VERZ 19-77 \ 548

uitspraak van 20 december 2019

beschikking

in de zaak van

de stichting Stichting Katholieke Universiteit

in dezen betreffende het Radboud Universitair Medisch Centrum

gevestigd te Nijmegen

verzoekende partij

gemachtigde mr. H.A. Hoving

en

[naam verwerende partij]

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

gemachtigde mr. W.J.F. Nieuwenhuis

Partijen worden hierna Radboudumc en [naam verwerende partij] genoemd.

1 De procedure


Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het op 28 oktober 2019 ter griffie ontvangen verzoekschrift ex artikel 7:671b BW met producties 1 tot en met 23

– de brief van 29 november 2019 van de zijde van Radboudumc met producties 24 en 25

– het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 10

– de brief van 2 december 2019 van de zijde van [naam verwerende partij] met bijlage 11

– de mondelinge behandeling van 3 december 2019 mede inhoudende de pleitnotitie van de gemachtigde van Radboudumc.

2 De feiten

Arbeidsovereenkomst

2.1

[naam verwerende partij] is op 1 april 2012 in dienst getreden bij SKU, in dezen betreffende het Radboud Universitair Medisch Centrum, als academisch medisch specialist tegen een bruto salaris van regulier € 9.268,00 per maand, exclusief TVO artikel 15.4.2 Cao umc van
€ 1.112,90, 8% vakantietoeslag en 8,3% eindejaarsuitkering op basis van een parttime dienstverband met een omvang van 0,8 fte.

2.2

Op de arbeidsovereenkomst is de Cao universitair medische centra 2018-2020 van toepassing (hierna: de cao). Artikel 12 a.3 lid 1 onder a bepaalt dat de opzegtermijn voor de werkgever en de medewerker drie maanden bedraagt.

2.3

[naam verwerende partij] is als staflid werkzaam op de afdeling medische oncologie. Deze afdeling staat sinds 1 februari 2019 onder leiding van afdelingshoofd [naam afdelingshoofd] en sinds 1 mei 2019 van bedrijfsleider [naam bedrijfsleider] .

Functioneren

2.4

Op 15 februari 2019 en op 6 maart 2019 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen [naam verwerende partij] , [naam afdelingshoofd] en [naam voormalig bedrijfsleider] , voormalig bedrijfsleider van de afdeling, in het kader van het periodieke jaargesprek. In die gesprekken zijn persoonlijke en algemene afspraken gemaakt, vastgelegd en door partijen op 14 maart 2019 ondertekend.

Onder persoonlijke afspraken is onder meer het volgende genoteerd:

– [naam verwerende partij] werkt samen met [naam1] aan implementatie van DUKE (gezondheid, preventie, lifestyle) in Nederland. Ze hebben de ambitie dit landelijk uit te rollen. [naam verwerende partij] heeft hiertoe een business case opgesteld;

– [naam verwerende partij] haar droom is om voorop te lopen met betrekking tot patiëntcoaching. Mogelijk wil ze ooit thuis gaan coachen. We hebben hier nog geen afspraken over gemaakt.

– [naam verwerende partij] trekt aan de bel als ze vastloopt in de patiëntenzorg;

– [naam verwerende partij] heeft tijd en mandaat nodig voor BEACON. (…)

– [naam verwerende partij] maakt een lijstje met haar taken die ze heeft naast de patiëntenzorg en BEACON. Deze zal ze bespreken met [naam2] .

Onder algemene afspraken staan onder meer de volgende afspraken genoteerd:

– Poli’s boek je in principe vol en worden in principe niet gesloten. Ga je één of twee weken op vakantie, dan boek je een extra poli. Bij drie weken vakantie boek je twee extra poli’s.

– Wanneer je een ernstig zieke patiënt hebt, dan bespreek je die met [naam2] .

2.5

Bij e-mail van 9 april 2019 heeft de [naam huisarts] , huisarts bij huisartsenpraktijk Stationsstaat te Cuijk, als volgt beklag gedaan over [naam verwerende partij] bij [naam afdelingshoofd] :

Graag wil ik met u overleg over de begeleiding van mw en mijn zorgen over het functioneren van Dr. [naam verwerende partij] , waarvan ik begrijp dat u leidinggevende bent.

Helaas zie ik geen mogelijkheid meer dan dit te doen langs deze weg. Eerdere contacten met mw [naam verwerende partij] zelf hebben helemaal niets meer opgeleverd dan wederom gebroken toezeggingen.
Ons huidige contact staat in het teken van de begeleiding en behandeling van Mw. Mw zit al langere tijd in een palliatief traject en is sinds ongeveer een jaar in contact met dr. [naam verwerende partij] .
Dit contact verloopt hoogst merkwaardig en wordt gekenmerkt door niet nagekomen afspraken, vergissingen, incongruenties en ongepaste pogingen dit weer recht te breien, waarbij ik mij niet aan de indruk kan onttrekken dat daarbij ook geconfabuleerd wordt.

Aan mijn contacten met mw [naam verwerende partij] heb ik zeker de indruk overgehouden dat zij het hart op de juiste plaats heeft en dat maakt het des te pijnlijker.
Verstoorde verhouding met patiënt en haar omgeving wordt geduid als psychologische weerstand bij deze. Feit is ook dat mw in het verloop incongruent voorgelicht wordt, er verscheidene keren vergissingen zijn gemaakt en afspraken bijna stelselmatig niet nagekomen worden. Als er dan opnieuw contact is, is de uitleg van de situatie weer anders en onbevredigend. Ik ben niet bij de contacten tussen patiënte en dr [naam verwerende partij] , maar het ontstane beeld is wel geloofwaardig.

Daar waar ik zelf contact heb gehad met dr [naam verwerende partij] ondervind ik hetzelfde. In ons laatste gesprek 1 maand geleden hebben we geconcludeerd dat er een onherstelbare vertrouwensbreuk is. Dr [naam verwerende partij] zou een samenvattende brief schrijven, waarmee mw elders een tweede mening zou inzetten. Niet omdat mw verwacht dat er behandelopties zijn, maar om rust te vinden.
Helaas heb ik deze brief nooit mogen ontvangen. Van patiënte heb ik begrepen dat Dr [naam verwerende partij] ons gesprek als goed heeft beleeft. De sfeer was mijns inziens goed, maar de inhoud lijkt totaal niet geland bij dr [naam verwerende partij] .
Mw is eind februari bij Dr [naam verwerende partij] op de poli geweest. Ook toen was het contact slecht en de, rond het starten van de Lonsurf, gegeven voorlichting voor patiënte en haar partner onduidelijk en tegenstrijdig. Mw is gestart maar al snel vanwege de bijwerkingen gestopt. Recent is er contact geweest met de partner van mevrouw. Helaas is de toestand van mw dermate verslechterd dat zij haar polibezoek af heeft moeten zeggen. Dr [naam verwerende partij] zou in die situatie contact opnemen en dan eventueel zelfs thuis bij patiënte langs komen (hetgeen wat mij betreft ook inadequaat is).

Kortom:

Er is reeds lange tijd sprake van een onherstelbaar beschadigde arts-patiënt relatie, waarvan de oorzaak bij een onzorgvuldige benadering lijkt te liggen. Er worden teveel fouten gemaakt en het lukt niet bij de patiënt aan te sluiten.

Het verbreken van deze relatie lukt niet, waarbij opgemerkt dat patiënte zich ook afhankelijk voelt. Overleg van mij zelf om een goede overdracht en afsluiting van het contact te vragen, heeft tot niets geleid.

Mw gaat inmiddels verder achteruit en blijft met wanhopige boosheid en machteloosheid zitten. Ze gelooft dr [naam verwerende partij] al lang niet meer en heeft vooral behoefte aan een andere oncoloog, die het ziektebeloop in retrospectief nog eens goed uitlegt en vandaaruit zegt/bevestigt hoe het ervoor staat. Dat stuk kan ik niet overnemen. Door al het getraineer loopt de tijd echter als zand door de vingers. Dit onderdeel van het lijden is onnodig en mijns inziens ronduit verwijtbaar.


Gezien het confabuleren en het niet houden aan afspraken, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat er bij dr [naam verwerende partij] sprake is van structureel disfunctioneren. Daarmee dealen is niet aan mij en daar wil ik me ook vooral buiten houden. Ik moet het wel aan u melden.

(…)

2.6

Op 5 juni 2019 heeft er tussen [naam verwerende partij] en [naam afdelingshoofd] , en [naam bedrijfsleider] een gesprek plaatsgevonden, als volgt door [naam bedrijfsleider] vastgelegd:
(…)
Aanleiding voor het gesprek was vervolg geven aan punten besproken in het jaargesprek en dat wij ons zorgen maken over jouw functioneren als medisch specialist. [naam2] heeft de volgende zaken benoemd waarop dit gebaseerd is:

– Je inbasket bestaat uit meer als 10.000 berichten die niet zijn afgehandeld. Dit geeft ons de indruk dat er niet adequaat gehandeld is op de diverse berichten. Daarnaast is het niet conform de afspraak dat de inbasketberichten worden afgehandeld en na afhandeling worden verwijderd.

– Collega stafleden hebben klachten aan ons doorgegeven die zij hebben ontvangen van zeven patiënten over de door jou geleverde zorg. Het betreft zaken op het gebied van weinig tijd voor het consult (na vaak lang wachten in wachtkamer), niet gehoord worden, aantal zaken niet geregeld hebben. In tegenstelling tot andere patiënten waarvoor je bijna letterlijk voor door het vuur gaat en niets je te veel is om het goed met patiënten te regelen.

– Je hebt meerdere poli’s laten sluiten of geblokt zonder dat voor ons duidelijk is met welke reden dit is gedaan.

– Je hebt vragen van een jurist naar aanleiding van een klacht negen maanden laten liggen en deze pas beantwoord na directe opdracht van [naam2] .

– Het aandachtsveld BEACON heb je wat ons betreft onvoldoende aandacht gegeven. Hier is in het jaargesprek ook bij stil gestaan. Inmiddels is besloten dat de BEACON wordt overgenomen door andere stafleden.

(…)

Vervolgens is in de brief vastgelegd dat de hiervoor weergegeven zaken dienen te verbeteren en is uitgesproken wat zijdens Radboudumc de verwachtingen daaromtrent zijn.

2.7

Op 20 juni 2019 heeft er een vervolggesprek tussen [naam verwerende partij] , [naam afdelingshoofd] en [naam bedrijfsleider] plaatsgevonden. In de schriftelijke vastlegging van dit gesprek is vermeld dat er sinds het vorige gesprek een viertal voorbeelden zijn ontvangen met betrekking tot patiëntenzorg waar [naam verwerende partij] verantwoordelijk voor was en inadequaat heeft gehandeld. Het gaat daarbij om een labcontrole die niet heeft plaatsgevonden, een afwijking van het studieprotocol, een klacht van een verpleegkundige die zich niet serieus behandeld voelde door [naam verwerende partij] , en een doorzending van een patiënt naar de afdeling zonder gebruikelijke mondelinge overdracht. Een en ander, zo staat in de brief, vormt aanleiding voor de afdelingsleiding in overleg met HR een traject op te starten om het functioneren objectief en onafhankelijk te toetsen om tot concrete verbeterdoelstellingen te komen waarbij [naam verwerende partij] ondersteuning zal ontvangen die gefaciliteerd wordt door de afdeling.

Procedure Commissie Onderzoek

2.8

[naam afdelingshoofd] en [naam bedrijfsleider] hebben op 4 juli 2019 bij de Commissie Onderzoek (hierna: de commissie) (mogelijk) disfunctioneren medische specialist melding gedaan van mogelijk disfunctioneren van [naam verwerende partij] met het verzoek een onafhankelijk en objectief onderzoek in te stellen naar het functioneren van [naam verwerende partij] als medisch specialist. In de melding is vermeld dat de ontvangen klachten over haar functioneren zowel betrekking hebben op de directe als de indirecte patiëntenzorg met daarin de volgende weergegeven voorbeelden:

– incorrecte en/of onvolledige medische statusvoering waardoor patiënten inadequate zorg ontvangen of het risico bestond op het niet ontvangen van adequate zorg,

– niet naleven van protocollen (en afwijkingen van protocollen die niet zijn gedocumenteerd),

– uitvoering van neventaken (geen prioriteit geven een taken rondom BEACON),

– professionele beroepshouding (klachten van patiënten, mede stafleden en een huisarts over het gebrek aan aandacht en niet nakomen van afspraken),

– klachten m.b.t. (inter)professionele samenwerking (verpleegkundige die zich niet serieus genomen voelt en dit aangeeft, maar waarop een adequate reactie uitblijft ook niet na aanvullende aansporingen).

2.9

De commissie is samengesteld uit:

Vaste leden:

– [naam voorzitter comissie] afdelingshoofd Cardiologie ErasmusMC, extern voorzitter;

– [lid commissie] , internist Interne Geneeskunde Radboudumc, op voordracht bestuur Stafconvent;

Ad hoc lid:

– [naam Ad hoc lid commissie] afdelingshoofd Radiotherapie Radboudumc.

2.10

De commissie heeft op 16 augustus 2019 gesproken met [naam afdelingshoofd] als melder, waarvan verslag is opgemaakt. De volgende thema’s zijn bij de hoorzitting onder meer aan de orde gekomen:

– klachten:

[naam afdelingshoofd] heeft hierover verteld dat vanaf indiensttreding van [naam verwerende partij] geregeld klachten zijn binnengekomen van teamleden, dat collega’s zich erover beklaagden dat zij onnauwkeurig zou zijn in haar werkzaamheden en regelmatig steken zou laten vallen, dat haar voorganger [naam3] tijdens de overdracht zijn zorgen heeft geuit over het functioneren van [naam verwerende partij] maar dat er geen dossiervorming heeft plaatsgevonden. Opgetekend is verder:

(…)

In februari 2019 heeft een jaargesprek plaatsgevonden tussen mw. [naam afdelingshoofd] en mw. [naam verwerende partij] . In dit jaargesprek is afgesproken dat mw. [naam verwerende partij] zich uitsluitend zou focussen op patiëntenzorg. Om die reden zijn haar werkzaamheden aan het project Beacon stopgezet. In dit project liet ze veel zaken liggen, volgens mw. [naam afdelingshoofd] , wat het project niet ten goede kwam. Ze heeft in deze 8 jaar bijna geen tijd besteed aan het doen van onderzoek of het publiceren van werk.

(…)

– registratie:

Daarover is vastgelegd dat [naam afdelingshoofd] in de week van de hoorzitting is gebleken dat [naam verwerende partij] in de periode van mei 2017 – februari 2018 niet geregistreerd is geweest als internist en dat zij op dit moment niet geregistreerd is als internist-oncoloog.

De voorzitter van de commissie heeft daar het volgende over opgemerkt:
(…)

De voorzitter begrijpt de zorgen die mw. [naam afdelingshoofd] uit omtrent deze situatie en geeft aan dat dit punt op zichzelf moet worden voorgelegd aan de RvB. De Commissie zal over dit nalaten tot registratie zelf geen uitspraken doen, maar dit feit en de daarmee gepaard gaande nalatigheid wel betrekken bij, wat volgens mw. [naam afdelingshoofd] , kenmerkend is voor het medisch inhoudelijk functioneren van mw. [naam verwerende partij] .

(…)

– verbetertraject:

[naam afdelingshoofd] heeft verklaard dat zij niet weet of dit is aangeboden in de periode dat zij zelf nog geen afdelingshoofd was. Zij heeft meerdere malen aangeboden haar te laten ondersteunen, bijvoorbeeld met het op orde krijgen van haar administratie. [naam afdelingshoofd] is van mening dat [naam verwerende partij] de ernst van de situatie niet herkent of inziet. Verbetertrajecten worden volgens haar niet opgepakt door [naam verwerende partij] , waarvoor verwezen wordt naar de overvolle inbasket waarvoor [naam verwerende partij] uiteindelijk op aandringen van [naam afdelingshoofd] hulp heeft aanvaard voor het leegmaken van de inbasket. In reactie op de vraag of [naam afdelingshoofd] het aannemelijk acht dat een verbetertraject kans van slagen heeft, heeft [naam afdelingshoofd] het volgende geantwoord:

(…)

Mw. [naam afdelingshoofd] vindt het moeilijk hier een antwoord op te geven. Ze vraagt zich af of mw. [naam verwerende partij] coachbaar is. Gaat ze zelfreflectie krijgen? Mw. [naam afdelingshoofd] vraagt zich af of dit werkelijk haalbaar is. Ze twijfelt of mw. [naam verwerende partij] dusdanig kan verbeteren om als collega topzorg te gaan verlenen. Zij kan zich voorstellen dat er een 1 op 1 begeleidingstraject moet worden ingesteld, maar zij heeft geen idee of dit gaat helpen.

Op dit moment ligt er nog geen verbeterplan. Mw. [naam afdelingshoofd] vraagt de Commissie hierin mee te denken en is van mening dat een verbeterplan moet worden opgesteld op basis van het inhoudelijke advies van de Commissie.

(…)

– intercollegiale verhoudingen:

(…)

Mw. [naam verwerende partij] is werkzaam in een team dat binnen de afdeling deelneemt aan een zorgketen (multidisciplinair). Mw. [naam afdelingshoofd] heeft geen reden te veronderstellen dat de werkrelatie van mw. [naam verwerende partij] met haar collega’s in de oncologische keten onherstelbaar beschadigd zou zijn. Ook vanuit ketenpartners van de heelkunde of de radiotherapie zijn geen signalen van disfunctioneren van mw. [naam verwerende partij] bekend bij mw. [naam afdelingshoofd] .

Binnen de oncologie werkt zij nauw samen met 2 casemanagers. Volgens mv. [naam afdelingshoofd] leunde mw. [naam verwerende partij] veel op een van de casemanagers. Deze pakte de zaken op die mw. [naam verwerende partij] liet liggen. Er zijn volgens mw. [naam afdelingshoofd] geen klachten naar voren gekomen vanuit de directe collega’s van mw. [naam verwerende partij] . De casemanager heeft nooit een klacht of ontevredenheid geuit over de samenwerking met mw. [naam verwerende partij] . Er was wel sprake van enige afhankelijkheid en een positieve persoonlijke band, waardoor mw. [naam afdelingshoofd] het niet aannemelijk acht dat klachten op haar bureau terecht zouden komen.

Hoewel de staf niet op de hoogte is van deze procedure is mw. [naam afdelingshoofd] van mening dat zij deze stap zeker zouden ondersteunen. Dit heeft mw. [naam afdelingshoofd] formeel niet gevraagd, maar dit is een aanname die zij doet op basis van de geluiden die zij vanuit het team ontvangt. Volgens mw. [naam afdelingshoofd] gaat het team niet perse gebukt onder de werkzaamheden die door andere teamleden moeten worden opgevangen door het onzorgvuldig handelen van mw. [naam verwerende partij] , maar vooral over het feit dat er hierdoor geen goede patiëntenzorg wordt geleverd.

(…)

– problematiek:

Volgens [naam afdelingshoofd] is een gebrek aan reflectie een van de pijlers die zorgt voor de problematiek.

2.11

De commissie heeft op 29 augustus 2019 gesproken met [naam verwerende partij] , waarvan eveneens verslag is opgemaakt. Daarin staat dat [naam verwerende partij] aan heeft gegeven dat zij zich niet goed heeft kunnen voorbereiden op het gesprek, omdat zij geen toegang meer had tot EPIC en voorafgaand aan de zitting gedurende een uur in haar mailbox heeft mogen kijken.
De volgende thema’s zijn besproken:

– de in basket:

[naam verwerende partij] heeft daarover aangegeven dat zij veel moeite heeft gehad met de in basket, maar dat zij het allergrootste deel van de berichten wel gelezen en afgehandeld maar niet verwijderd heeft. Ze heeft de achterstand al opgelopen in de periode dat er nauwelijks mee gewerkt werd. Zij geeft in antwoord op de vraag van de voorzitter of zij kan garanderen dat het niet nogmaals gebeurt aan dat zij denkt dat zij dat wel kan garanderen.

– klachten:

[naam verwerende partij] heeft daarop laten weten dat zij zich er niet van bewust is dat zij sommige patiënten tekort doet. Zij heeft zich wel aangewend aan het einde van een consult nog extra te vragen of er nog iets is waar onvoldoende aandacht aan is besteed.

Met betrekking tot de klacht van de huisarts heeft zij als achtergrond geschetst dat zij wilde stoppen met een medicijn maar dat de patiënt dit niet wilde en verder dat zij zich niet kan herinneren dat ze met de huisarts had afgesproken dat zij hem een samenvattende brief zou sturen.
Met betrekking tot de klacht dat er geen lab controle is uitgevoerd heeft [naam verwerende partij] erkend dat ze dit niet goed heeft gedaan.

[naam verwerende partij] geeft aan dat ze zeker denkt dat er soms dingen niet duidelijk zijn of dat er dingen niet goed door haar zijn gedaan. Zij heeft ook geprobeerd meer structuur in haar werk aan te brengen. Volgens haar heeft ze 4-5 klachten over de 7 jaren dat ze werkzaam is ontvangen van patiënten via een klachtenfunctionaris. Naar aanleiding van de vraag van de commissie of ze vindt dat ze onverantwoorde zorg heeft geleverd heeft [naam verwerende partij] het volgende geantwoord:

(…)

Mw. [naam verwerende partij] geeft aan dat ze haar ‘stinkende best’ heeft gedaan om dit niet te doen. Dit heeft wel heel veel weerslag gehad op haar persoon. Ze heeft de afgelopen 3-4 jaar op en neer, ook vanwege privé omstandigheden, op het randje van een burn-out gezeten. In het afgelopen half jaar is dat niet veel beter geworden. Ze heeft ook niet het gevoel hier echt in gehoord te zijn door haar afdelingshoofd.

(…)

– verbetertaject:

(…)

Zijn er in de afgelopen periode verbeter trajecten besproken of voorgesteld? Of heeft mw. [naam verwerende partij] hier zelf bijvoorbeeld om gevraagd? Daar heeft ze met name zelf om gevraagd. Niet zozeer om een formeel verbetertraject, maar wel van hoe kan ik het beter doen en hoe kan ik voor mezelf wat meer structuur aanbrengen en dichter op de patiënt gaan zitten. Naar aanleiding van het gesprek op 22 juni jl. heeft ze wel gevaagd naar een formeel verbetertraject.

(…)

Voor het overige heeft [naam verwerende partij] verklaard dat zij heeft geprobeerd de in basket op 0 te krijgen. Daarnaast heeft ze hulp gezocht door een traject aan te gaan bij een psycholoog.
Op de vraag hoe ze terugkijkt op de afgelopen 7 jaar antwoordt [naam verwerende partij] dat zij terugkijkt met gemengde gevoelens, dat zij 7 jaar geleden de overstap naar Radboudumc voor een deel heeft gemaakt omdat ze in de academische context ook belangstelling had voor onderzoek en dat zij toch weer in de val is getrapt van heel veel patiëntenzorg en het iedereen naar de zin willen maken terwijl dat niet was waar haar ambities lagen toen ze hier naartoe kwam. Op de vraag wat ze zelf vindt dat er moet gebeuren antwoordt ze dat ze vooral even een pas op de plaats nodig heeft, eerst verdere reflectie. Ze snapt dat ze op nonactief is gesteld. Er is sprake van een serieus registratie issue. Er speelde in die tijd veel in haar privésfeer, zoals een vechtscheiding. Ze hoopt dat ze de kans krijgt om te verbeteren.

2.12

De commissie heeft op 12 september 2019 rapport en advies uitgebracht.

Het advies luidt als volgt:

De commissie adviseert dat er sprake is van disfunctioneren en neemt conform artikel 12, tweede lid van de Regeling de vrijheid om te adviseren over een verbetertraject. De commissie meent dat er in het disfunctioneren enkele elementen zijn die coachbaar zouden kunnen zijn maar adviseert daarover negatief gezien het structurele karakter van het disfunctioneren en de niet coachbare onderdelen daarvan.

De commissie baseert het advies op de in het rapport genoemde gronden.
Onder de bevindingen is daarin het volgende opgenomen:

(…)

In het gesprek met mevrouw [naam afdelingshoofd] heeft de commissie haar melding nader onderzocht en vernomen dat sinds haar aantreden als afdelingshoofd op 1 februari 2019, zij regelmatig samen met de bedrijfsleider gesprekken heeft gevoerd met mevrouw [naam verwerende partij] over problemen in haar functioneren met de bedoeling dit te verbeteren. In februari heeft mevrouw [naam afdelingshoofd] in het jaargesprek afgesproken dat mevrouw [naam verwerende partij] zich nog uitsluitend zou focussen op patiëntenzorg en heeft ze haar werkzaamheden voor het project Beacon stopgezet.

Het bespreken van deze problematiek en het beperken van de focus tot patiëntenzorg leidde in de ogen van mevrouw [naam afdelingshoofd] niet tot de gewenste verbetering. Sterker nog ook tijdens dit traject bleven klachten komen en werden nieuwe voorvallen zichtbaar.

(…)

Volgens de commissie is op onderdelen sprake van disfunctioneren. Zij kan zich niet aan de indruk onttrekken dat er onverantwoorde elementen aanwezig zijn geweest en dat er patiëntveiligheidsissues aan de orde zijn geweest. De commissie haalt als zwaarwegende redenen het voorbeeld van het niet prikken van de labwaarden van een patiënt aan, de klacht van de huisarts en de administratievoering. Zij geeft verder aan dat zij in het gesprek met [naam verwerende partij] heeft ervaren dat [naam verwerende partij] de voorbeelden kleiner probeert te maken. Er is volgens haar sprake van een patroon van weinig reflectie, ontwijkend gedrag, een mate van laksheid, onzorgvuldigheid of ontkenning van (de ernst van) problemen met een structureel karakter.

Registratieverplichtingen, non-actiefstelling

2.13

[naam verwerende partij] heeft op 10 juli 2017 een ‘formulier toewijzen klinische bevoegdheden medisch personeel Radboudumc’ ondertekend. In het overzicht registraties medewerker is enkel een BIG-registratie vermeld. Verder heeft [naam verwerende partij] op het formulier de navolgende verklaring ondertekend:

Ik heb om toewijzing van die klinische bevoegdheden verzocht, waartoe ik op grond van opleiding, training, recente werkervaring en gerealiseerde (klinische) resultaten, alsmede volgens de normen van mijn beroepsgroep, bevoegd en bekwaam ben. Ik heb begrepen dat:

a. a) Ik bij het uitoefenen van elke toegekende klinische bevoegdheid gebonden ben aan onder meer het Radboudumc beleid, richtlijnen van mijn wetenschappelijke vereniging en de beroepsorganisaties (de professionele standaard) en IGZ-veldnormen.

b) Beperkingen in de toewijzing van klinische bevoegdheden vervallen in een spoedsituatie en dat in een dergelijke situatie de normen van een goed hulpverlener en de professionele standaard gelden.

2.14

Bij e-mail van 5 februari 2018 heeft [naam4] van de afdeling HR met cc naar [naam voormalig bedrijfsleider] , de toenmalige bedrijfsleider van de afdeling medische oncologie, het volgende aan [naam verwerende partij] geschreven:

Ik zou nog even terugkomen op ons telefoongesprek van zojuist. Je mag inderdaad, zolang de herregistratie van je BIG nog niet rond is, geen voorbehouden handelingen verrichten.

2.15

Op 18 maart 2019 is door [naam afdelingshoofd] en [naam voormalig bedrijfsleider] het formulier ‘Checks jaargesprek i.v.m. kwaliteit en veiligheid patiëntenzorg’ ondertekend met daarop een onderdeel ‘controle klinische bevoegdheden’, waarbij is aangekruist ‘controle uitgevoerd, verleende klinische bevoegdheden en supervisieniveaus actueel en op orde’.

2.16

[naam verwerende partij] is op 23 augustus 2019 met ingang van 26 augustus 2019 voorlopig op non actief gesteld om de reden dat geconstateerd is dat [naam verwerende partij] van 28 mei 2017 tot 6 februari 2018 niet geregistreerd is geweest als internist, er twijfels zijn over de registratie in het BIG-register, en zij nooit als internist-oncoloog is geregistreerd.

2.17

Op 4 september 2019 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden in het kader van de voorlopige non-actiefstelling. In het daarvan opgemaakte verslag staat onder meer het volgende:

(…)
Mr. Nieuwenhuis geeft aan dat er eerder contact is geweest met de afdeling HR, met de voormalige bedrijfsleider in cc, en vraagt nogmaals waarom er nu besloten is tot een voorlopige non-actiefstelling. Prof. dr. [naam afdelingshoofd] antwoordt dat er destijds onvoldoende op is gereageerd. Het was volgens haar logisch geweest als er destijds ook actie op was ondernomen.

(…)

2.18

Op 11 september 2019 heeft [naam afdelingshoofd] aan [naam verwerende partij] bevestigd dat zij de non-actiefstelling voorlopig handhaaft in afwachting van het te geven advies van de commissie. In die brief staat onder meer het volgende:

(…)

Mede aan de hand van de tijdens de hoorzitting gegeven toelichting en overgelegde documenten, staat vast dat:

– je in de periode van 8 januari 2018 tot 13 april 2018 niet als arts geregistreerd bent geweest in het BIG-register;

– je in de periode van 28 mei 2017 tot 6 februari 2018 niet geregistreerd bent geweest als internist;

– je nooit geregistreerd bent geweest als internist-oncoloog.

(…)

Ondanks het grote belang van de registraties heb je het Radboudumc op geen enkele manier ingelicht over het verlopen zijn van je registraties. Je hebt ondanks de onbevoegdheid om als arts en/of internist werkzaam te zijn, je werkzaamheden voortgezet. Je hebt zelfs, in strijd met de waarheid, op het formulier ‘Toewijzen klinische bevoegdheden’ van 10 juli 2017 verklaard dat je bevoegd en bekwaam was en dat je begrepen hebt dat je gebonden bent aan het Radboudumc-beleid, richtlijnen van jouw wetenschappelijke vereniging en beroepsorganisaties en IGZ-veldnormen.
Ook van dit feit, het Radboudumc in het geheel niet informeren over de uitschrijvingen uit de registers en in strijd met de feiten en het formulier van 10 juli 2017 ondertekenen, wordt je een ernstig verwijt gemaakt en doet een aanslag op het vertrouwen wat we als professionals in elkaar moeten kunnen hebben.

(…)

2.19

Bij brief van 20 september 2019 heeft [naam afdelingshoofd] aan [naam verwerende partij] medegedeeld dat zij op basis van het gegeven advies van de commissie, de niet naleving van de registratieverplichtingen en nieuwe zaken die tijdens de non-actiefstelling naar voren zijn gekomen, waaruit duidelijk is geworden dat [naam verwerende partij] haar werk niet naar behoren heeft gedaan, in overleg met de Raad van Bestuur heeft besloten de arbeidsovereenkomst zo spoedig mogelijk te beëindigen. Daarnaast geeft zij in deze brief te kennen dat er een nader onderzoek verricht zal worden naar alle dossiers waarin [naam verwerende partij] hoofdbehandelaar was vanaf 1 mei 2017. En verder stelt zij [naam verwerende partij] er van in kennis dat de patiënten waarvan zij hoofdbehandelaar was geïnformeerd zullen worden dat zij niet meer werkzaam is bij Radboudumc, alsmede dat er een melding gedaan wordt bij de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (hierna IGJ).

2.20

In een brief van 14 november 2019 is namens de Raad van Bestuur naar een patiënt nader gereageerd betreffende de berichtgeving dat [naam verwerende partij] niet langer werkzaam is in het Radboudumc met daarin de volgende passage:

Wij kunnen ons goed voorstellen dat u geschrokken bent en het betreurt dat mevrouw [naam verwerende partij] niet langer uw hoofdbehandelaar is. Wij zijn blij dat u de behandeling als professioneel en kundig heeft ervaren. Helaas hebben wij moeten constateren dat dit bij andere patiënten niet altijd het geval is geweest. Aangezien al onze patiënten mogen verwachten dat er goede zorg wordt geleverd, heeft het afdelingshoofd, daarin gesteund door de Raad van Bestuur, het besluit moeten nemen afscheid te nemen van mevrouw [naam verwerende partij] .

2.19

Productie 24 bij verzoek van de hand van [naam afdelingshoofd] betreft een memo klachten. Daarin is uiteengezet dat er over de periode van 1 januari 2016 tot en met 27 november 2019 9 klachten zijn ingediend bij de klachtenbemiddelingscommissie door patiënten van de afdeling medische oncologie over [naam verwerende partij] en ter vergelijking bij 2 overige stafleden ieder 2, bij 2 overige stafleden ieder 1 en bij 9 stafleden geen.

2.20

Productie 25 bij verzoek betreft een procesbeschrijving van analyse van zorg van de patiënten van [naam verwerende partij] van 28 november 2019 over de periode van 5-2017 tot 8-2019. Daarin is opgetekend dat van de 110 patiënten van de in totaal 303 patiënten 51,8 % (57 patiënten) goede zorg heeft gekregen, 30,9% (34 patiënten) de zorg tekort is geschoten, maar niet ernstig, 16,4% (18 patiënten) de zorg ernstig is tekort geschoten, er is sprake van ernstige fouten, en 0,9% (1 patiënt) een (mogelijke) calamiteit betreft.

3 Het verzoek en het verweer

3.1

Radboudumc verzoekt:

primair:

a. a) de arbeidsovereenkomst met [naam verwerende partij] met inachtneming van artikel 7:671b, lid 8, onder b BW zo spoedig mogelijk, althans ingaande 1 december 2019 of een andere datum te ontbinden op grond van artikel 7:671b, lid 1, onder a BW juncto artikel 7:669, lid 3, onder e BW;

subsidiair:

b) de arbeidsovereenkomst met [naam verwerende partij] met inachtneming van artikel 7:671b, lid 8, onder b BW zo spoedig mogelijk, althans ingaande 1 december 2019 of een andere datum te ontbinden op grond van artikel 7:671b, lid 1, onder a BW juncto artikel 7:669, lid 3, onder g BW;

primair en subsidiair:

c) voor recht te verklaren dat [naam verwerende partij] geen aanspraak heeft op de transitievergoeding van artikel 7:673 BW, omdat sprake is van het bepaalde in artikel 7:673, lid 7, onder c BW, althans omdat sprake is van het bepaalde in artikel 7:673b, lid 1 BW, in de laatste situatie indien de arbeidsovereenkomst ingevolge sub a of sub b ontbonden wordt ingaande een datum die gelegen is in 2019;

d) [naam verwerende partij] te veroordelen in de proceskosten.

3.2

[naam verwerende partij] voert verweer.

3.3

Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling voor zover voor de beslissing van belang nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden, indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan.

e-grond

4.2

Primair legt Radboudumc aan de ontbinding verwijtbaar handelen of nalaten van [naam verwerende partij] ten grondslag (artikel 7:669 lid 3 sub e BW), zodanig dat van Radboudumc in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat verzoek baseert zij op een viertal pijlers, namelijk het rapport en advies van de commissie, niet behoorlijke naleving van de registratieverplichtingen, de verklaring van 10 juli 2017 en de constateringen van [naam afdelingshoofd] tijdens de periode van non-actiefstelling.

4.3

Wat betreft de registratieverplichtingen geldt dat Radboudumc daarvan al vanaf
5 februari 2018, gelet op de e-mail van die datum van de afdeling HR aan [naam verwerende partij] met cc naar de afdelingsleiding, op de hoogte was. [naam afdelingshoofd] heeft daarover bij de hoorzitting over de voorlopige non-actiefstelling op 4 september 2019 aangegeven, dat er destijds onvoldoende op is gereageerd en dat het logisch was geweest als er toen actie op was ondernomen. Radboudumc heeft destijds toen aan het licht kwam dat [naam verwerende partij] haar registraties niet op orde had niets tegen haar ondernomen. Ook heeft ze [naam verwerende partij] toen niet tegengeworpen dat het door haar getekende formulier van 10 juli 2017 met het oog daarop niet accuraat was. Dat het volgens [naam afdelingshoofd] logisch zou zijn geweest dat er destijds actie op was ondernomen, doet er niet aan af dat Radboudumc de kwestie destijds kennelijk niet als ernstig heeft beoordeeld. Het gaat dan niet aan deze kwestie in het kader van onderhavig verzoek alsnog op te voeren als grondslag voor verwijtbaar handelen aan de zijde van [naam verwerende partij] . Daarmee is Radboudumc te laat. Dit punt kan hooguit in ondersteunende zin een rol spelen.

4.4

Ten behoeve van de aangevoerde e-grond resteren dan het rapport en advies van de commissie en de constateringen die [naam afdelingshoofd] tijdens de non-actiefstelling heeft gedaan en die nader uitgewerkt zijn in de producties 24 en 25.

4.4.1

De commissie adviseert dat er sprake is van disfunctioneren en meent dat er in het disfunctioneren enkele elementen zijn die coachbaar zouden kunnen zijn maar adviseert daarover negatief gezien het structurele karakter van het disfunctioneren en de niet coachbare onderdelen daarvan. Aan de inschakeling van de commissie is de brief van 20 juni 2019 aan [naam verwerende partij] vooraf gegaan. Daarin staat dat een traject gestart zal worden om het functioneren te toetsen en verbeterdoelstellingen te formuleren. Vervolgens is de commissie aan de slag gegaan op grond van de door Radboudumc gedane melding (mogelijk) disfunctioneren.
De vraag of en in hoeverre sprake is van ongeschiktheid van [naam verwerende partij] tot het verrichten van de bedongen arbeid is in deze procedure evenwel niet als zelfstandige grond aan de orde, omdat deze grond (d-grond) nu eenmaal niet aan het onderhavige verzoek ten grondslag is gelegd. Wel wijst de kantonrechter er in dit verband op dat de commissie op een onderdeel is uitgegaan van een feitelijke onjuistheid. Uit de verslaglegging van de gesprekken die partijen met elkaar hebben gevoerd blijkt niet dat [naam afdelingshoofd] in februari 2019 ten tijde van het jaargesprek afgesproken heeft dat [naam verwerende partij] zich uitsluitend zou focussen op patiëntenzorg en dat ze om die reden haar werkzaamheden voor het project Beacon heeft stopgezet. Dat laatste is niet eerder dan in het verslag van het gesprek van 5 juni 2019 vastgelegd. Daarmee zet de kantonrechter een kanttekening bij het door de commissie geconstateerde gebrek aan zelfreflectie van [naam verwerende partij] . Dat geldt wellicht ook voor de conclusie van de commissie dat [naam verwerende partij] niet coachbaar is.

4.4.2

De producties 24 en 25 maken geen onderdeel uit van het ingediende verzoekschrift, maar zijn naderhand voorafgaande aan de mondelinge behandeling overgelegd. Productie 24 betreft slechts een vermelding van het aantal klachten van patiënten over een bepaalde periode, zonder dat deze klachten geconcretiseerd zijn. Productie 25 betreft een voorlopige tussenstand van 110 geraadpleegde dossiers, die op zich wellicht geen fraai beeld opleveren maar nog onvoldoende zijn uitgewerkt. Beide producties hebben betrekking op disfunctioneren, waarop onderhavige procedure zoals hiervoor aangegeven geen betrekking op heeft. Daarnaast geldt dat productie 24 niet is uitgewerkt en dat productie 25 een voorlopige tussenstand betreft die eveneens nog nadere uitwerking behoeft. Daar komt bij dat [naam verwerende partij] op een en ander onvoldoende heeft kunnen reageren.

4.5

Het is de kantonrechter wel duidelijk dat Radboudumc bezig is met een onderzoek naar mogelijk disfunctioneren van [naam verwerende partij] . De kantonrechter acht het in de gegeven omstandigheden begrijpelijk dat Radboudumc een dergelijk onderzoek is gestart. Dat onderzoek is evenwel nog niet afgerond. Op grond van wat er op dit punt nu ligt, kan de kantonrechter, ook in combinatie met het verwijt dat [naam verwerende partij] gemaakt kan worden met betrekking tot het eerdere niet-geregistreerd zijn, niet concluderen dat sprake is van verwijtbaar handelen aan de zijde van [naam verwerende partij] .

4.6

Gelet op het vorenstaande wordt de ontbinding op de e-grond afgewezen.

g-grond

4.7

Subsidiair legt Radboudumc een verstoorde arbeidsverhouding aan de ontbinding ten grondslag (artikel 7:669 lid 3 sub g BW), zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het moet daarbij gaan om een ernstige en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding.

4.8

Volgens Radboudumc is daarvan sprake. [naam verwerende partij] wijst er van haar kant op dat wat haar betreft de verhouding tussen haar en [naam afdelingshoofd] niet (onherstelbaar) is verstoord en verder dat de verhoudingen met andere collega’s niet zijn verstoord. Dat er sprake is van een onwerkbare situatie, is, mede gelet ook op wat [naam afdelingshoofd] over de intercollegiale verhoudingen heeft medegedeeld ten overstaan van de commissie, niet, althans onvoldoende gebleken. Er zijn onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat er thans sprake is van een duurzaam ontwrichte arbeidsrelatie. Duidelijk is wel dat de verhoudingen onder druk zijn komen te staan en dat de situatie zoals die zich heeft afgespeeld tussen partijen spanningen op hebben geleverd en opleveren tussen partijen. Dat betekent echter nog niet dat er sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. Het op de g-grond gebaseerde ontbindingsverzoek wordt dan ook eveneens afgewezen.

4.9

De conclusie is dat de verzoeken van Radboudumc worden afgewezen en dat de arbeidsovereenkomst dus niet wordt ontbonden.

4.10

Radboudumc wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter,

5.1

wijst de verzoeken af;

5.2

veroordeelt Radboudumc in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [naam verwerende partij] begroot op € 720,- aan salaris voor de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. P.J. Wiegman en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter mr. F.M.Th. Quaadvliet op 20 december 2019.