Kabinet neemt aanbevelingen evaluatiecommissie Tuitjenhorn over

Het kabinet neemt de aanbevelingen over van de commissie die, onder leiding van oud vice-president van de Hoge Raad mr. C.J.G. Bleichrodt, het handelen van verschillende organisaties in de casus van de huisartsenpraktijk in Tuitjenhorn heeft geëvalueerd. Dit schrijven de ministers Van der Steur (Veiligheid en Justitie) en Schippers (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) namens het kabinet vandaag in een brief aan de Tweede Kamer.

De commissie heeft in opdracht van toenmalig minister Opstelten en minister Schippers uitgebreid onderzoek gedaan naar het handelen van betrokken instanties in de zaak-Tuitjenhorn, waarin na het overlijden van een patiënt door het handelen van de huisarts, laatstgenoemde zelfmoord pleegde. Het ging hier om een uitzonderlijk voorval, dat een tragische afloop kende met een enorme impact op de direct betrokkenen.

De commissie evalueert in haar rapport de handelswijze van het Openbaar Ministerie (OM), de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), het Academisch Medisch Centrum (AMC) te Amsterdam en besteedt ook aandacht aan het handelen van onder meer de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) en de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG).

Het kabinet is de commissie erkentelijk voor de zeer gedegen analyse van de gebeurtenissen en de waardevolle aanbevelingen. Het kabinet hoopt dat nu het rapport er ligt, dit bijdraagt aan het verwerken van de gebeurtenissen.

De commissie stelt dat het OM terecht een strafrechtelijk onderzoek is gestart, dat zorgvuldig is verricht, waarbij op meerdere momenten in het onderzoek uitdrukkelijk rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de huisarts. Ook heeft de IGZ de juiste conclusie getrokken door direct het OM in te schakelen, nadat zij door het AMC geïnformeerd was. En na ontvangst van het strafdossier van het OM heeft de IGZ terecht geoordeeld dat nadere actie geboden was, waaronder het instellen van een eigen onderzoek en het treffen van een preventieve maatregel. Tegelijkertijd plaatst de commissie kritische kanttekeningen bij een aantal punten in het optreden van OM en IGZ. Voor zowel OM als de IGZ, als ook in hun onderlinge samenwerking, zijn er lessen te trekken voor de toekomst.

Het kabinet neemt dan ook de aanbevelingen van de commissie over. Dit betekent onder andere dat de relatie tussen IGZ en huisartsen zo verbeterd wordt dat naast onderling vertrouwen het gezag van de IGZ is geaccepteerd. De interne en externe communicatie van de IGZ moet worden versterkt. Ook wordt het samenwerkingsprotocol tussen OM en IGZ verbeterd.
rijksoverheid.nl 31-03-2015

Persbericht Evaluatiecommissie Tuitjenhorn

Gehandeld volgens procedures maar meer maatwerk was nodig

De casus van de huisarts in Tuitjenhorn is een ongewone en complexe samenloop van gebeurtenissen en keuzen. “Er is gehandeld volgens de gebruikelijk procedures maar op onderdelen had men meer maatwerk kunnen leveren. Zo zou de samenwerking en communicatie tussen de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en het Openbaar Ministerie (OM) versterkt moeten worden“, aldus de evaluatiecommissie. De commissie is er zich van bewust dat de betrokken instanties voor moeilijke afwegingen hebben gestaan. Ondanks het buitengewone karakter van deze casus zijn er naar het oordeel van de commissie voor de toekomst lessen uit te trekken. Het is nu aan het veld om deze lessen in praktijk te brengen.

De commissie heeft het feitelijk handelen van de betrokken organisaties beoordeeld en of er op een andere manier gehandeld kon worden om zo te leren voor de toekomst. Ook heeft de commissie geëvalueerd hoe de communicatie tussen de organisaties en van de organisaties met derden heeft plaatsgevonden. Aanleiding voor de start van deze evaluatie was de onrust die de casus Tuitjenhorn teweeg heeft gebracht, in de samenleving en vooral in de medische wereld.

Lessen voor de toekomst

Voor een toezichthouder als de IGZ is het belangrijk dat er bij de doelgroep voldoende gezag en vertrouwen is. Uit de casus blijkt dat er onder met name de huisartsen niet voldoende vertrouwen in de IGZ was. De commissie vindt dat de IGZ grondig moet investeren in de relatie met de doelgroep van huisartsen, zodat er een basis van vertrouwen ontstaat en het gezag van de Inspectie is geaccepteerd. Dat vergt ook investeringen van de beroepsgroep zelf. Professioneel toezicht op basis van gezag en vertrouwen is in het belang van de patiënt. Die moet kunnen rekenen op verantwoorde medische zorg, juist ook in de laatste fase van het leven.

Een betere afstemming tussen OM en IGZ was gewenst geweest. Na het afgeven en het publiceren van het bevel van de IGZ heeft ook het OM een maatregel genomen. Het gevolg was dat de arts binnen een periode van ruim een week te maken kreeg met twee interventies die betrekking hadden op zijn beroepsuitoefening. Het samenwerkingsprotocol tussen de IGZ en het OM zou uitgebreid moeten worden met afspraken over afstemming in de fasen na het strafrechtelijk opsporingsonderzoek. Een dergelijke regeling kan zich beperken tot een procedurele afspraak voor het onderhouden van verdere contacten, een wederzijdse informatieplicht en een verbintenis om mogelijke problemen gezamenlijk aan te pakken.

Tot slot is het belangrijk dat de afdeling communicatie van de IGZ in dit soort gevallen vanaf het begin inhoudelijk betrokken is en dat de kennis en vaardigheden voor communicatie in de organisatie van de IGZ worden versterkt om zo meer effectieve handelwijzen te ontwikkelen voor de omgang met de media.

Samenstelling Evaluatiecommissie

De commissie is ingesteld op verzoek van de ministers van Veiligheid en Justitie en Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De voorzitter van de evaluatiecommissie is Mr. C.J.G. Bleichrodt, oud vice-president van de Hoge Raad en oud-voorzitter van de Strafkamer van de Hoge Raad. De andere leden van de commissie zijn prof. dr. A.L.M. Lagro-Janssen, emeritus hoogleraar Huisartsgeneeskunde bij het UMC St Radboud en prof. dr. J. de Ridder, honorair hoogleraar vergelijkend publiek management aan de Rijksuniversiteit Groningen.