Hoe een rechter van de Hoge Raad en tuchtrechters falend arts dr M.E. van der Ende ErasmusMC beschermen

Korte toelichting door SIN-NL

Dr  M.E. van der Ende en  verpleegkundige Iman Padmos schuldig aan schenden zorgplicht WGBO en hoe tuchtrechters en deskundigen dit in de doofpot hielden.

Verslag van de lijdensweg van een slachtoffer van een vermijdbare medische fout. Zijn belang als patient werd ondergeschikt gemaakt aan het belang van de experimenterende arts. Hij beschrijft de onrechtmatige gang van zaken bij medisch tuchtcolleges en het Centraal tuchtcollege voor de gezondheidszorg, alsmede het falen van de Medisch Officier van Justitie Mw. M van Eykelen.
SIN-NL heeft de volgende personen op de online zwarte lijst artsen geplaatst:

Hr Iman Padmos verpleegkundige schond zorgplicht jegens patient

Mw  Dr M.E. van der Ende, interniste Erasmus MC. Arts verantwoordelijk voor ernstige verminking en schade aan patient door toedienen van zeer risicovolle medicijnen, zonder de patient vooraf te informeren over mogelijke ernstige bijwerkingen in strijd met informed consent- vereiste WGBO. Weigerde  acht te slaan op  trialgegevens,  richtlijnen en Athenacohort in strijd met zorgplicht. Verzweeg aan patient dat er bewezen veilig en effectieve medicijnen combinaties mogelijk waren, zonder lipoatrofie en zonder neuropathie.

Mr. W.H.D. Asser Plaatsvervangend voorzitter Centraal Medisch Tuchtcollege en lid Hoge Raad verantwoordelijk voor ontkennen meineed

dr S. Danner verantwoordelijk voor coverup medische fout met vermijdbare grote lichamelijke schade voor patient

dr J. T. van Dissel LUMC en RIVM Heeft als lid van tuchtcollege Dr. M. van der Ende vrijgesproken in tegenstelling tot de richtlijnen van de hiv behandeling en de kennis van de schadelijke bijwerkingen van de kwalijke medicijnen.

H.G. Sprenger Internist UMCG. Verantwoordelijk voor coverup medische fout door plegen van meineed over medische fout met vermijdbare grote lichamelijke schade voor patient.

Download dit artikel in PDF met paginanummers

 

Hoe een rechter van de Hoge Raad en tuchtrechters falend arts dr. M.E. van der Ende beschermen.

Inhoudsopgave

Inleiding en behandelingsperiode              pagina 2

Reconstructie hiv behandeling                   pagina 4

Publicaties o.a. van M.E. van der Ende     pagina 5

Gegeneraliseerde gordelroos                    pagina 9

Lipoatrofie en lipohypertrofie                     pagina 10

De trial gegevens en resultaten                 pagina 12

Bristol Myers and Squibb Farmaceut         pagina 14

Klachtencommissie ErasmusMC                pagina 16

Regionaal Medisch Tuchtcollege               pagina 17

Uitspraak                                                   pagina 20

Aangifte Medisch Officier van Justitie        pagina 21

Centraal Medisch Tuchtcollege                 pagina 22

Achtergrond tuchtrechters                        pagina 25

Het Athena cohort                                     pagina 25

RT Groningen (meineed Sprenger)           pagina 27

CMT Den Haag                                          pagina 30

Civiele procedure en het Hof                      pagina 32

Het ErasmusMC en dr. M.E. van der Ende pagina 33

Literatuur                                                     pagina 36

 

Hoe een rechter van de Hoge Raad en tuchtrechters falend arts dr. M.E. van der Ende beschermen

Inleiding

M.E  van der Ende interniste werkzaam in het ErasmusMC staat op  de zwarte lijst van SIN-NL
De aanklacht luidt: ” Verminking door schuld “door het toedienen van zeer risicovolle medicijnen terwijl er medicijnen bestonden die deze risico’s niet hadden. Dat werd verzwegen. Tijdens de studie kreeg ik lipoatrofie en lipohypertrofie. Maar er waren meer klachten.

Dit verslag gaat over een arts die een medicijnen onderzoek met een verzwegen experiment boven patiënten stelde. Vervolgens  geeft het een beeld van de klachtencommissie van het ErasmusMC, de deskundigen en de Tucht Colleges. Allen gaan aan  hun kerntaken voorbij. Deze zaak is groter dan de individuele klachten van een patiënt. Dat leest u verderop in  dit verslag als het gaat om de Farmaceut, de Akkoorden van Helsinki en het ErasmusMC. De zittingen van de tuchtcolleges heb ik in het kort beschreven om inzicht te geven hoe het tuchtrecht omzeild werd. Ik vermoedde niet dat dit  het traject zou worden toen ik mijn eerste klachten bij  de arts neerlegde.Het is een uitgebreid verslag  maar dat was nodig voor het complete beeld.

Behandelperiode

Voor 1996 was het hiv virus nauwelijks te onderdrukken. Het  viel het immuunsysteem aan  en door die progressie  werd deze ziekte fataal.

Vanaf dat jaar werd de Hiv behandeling in Nederland een nieuwe discipline. Nadat mono therapie met o.a AZT of Stavudine ( Nucleoside analogen) niet hielp op langer termijn kwamen er  de protease remmers en de non nucleoside analogen bij. Juist door deze toegevoegde middelen kon men het hiv- virus met succes onderdrukken. De combinatie therapie met 3 medicijnen zorgde ervoor dat de weerstand ( cd4 cellen) niet meer kon  worden aangevallen. Dat  sloot mortaliteit en ernstige aandoeningen zoals kaposie( huidkanker), non-hodgkin ( lymfklierkanker) , ernstige longontsteking, vroegtijdige dementie,  tuberculose, gordelroos,  parodontitis en blindheid uit. In 1993 publiceerde van der Ende over  het causaalverband  met non- hodgkin en een laag cd4 van onder de 200.

Men bleef leven. Er was weer hoop.

Door de snelle aanlevering van medicijnen werd er met de Nederlandse Vereniging voor Aidsbehandelaren en de Hiv Vereniging  afgesproken samen met de toenmalige minister Borst dat alle bijwerkingen van deze medicijnen nauwkeurig moest worden bijgehouden. Daarnaast was het belangrijk te weten wat het aantal cd4 cellen waren van patiënten bij intake( in welke fase de infectie zich  al had doorgezet.) Het aantal patiënten en waardoor de besmetting was ontstaan. Door homo-hetero contact , via drugsnaalden of  bloedtransfusies. Daar was ruim 8 miljoen gulden voor gereserveerd. Het grootste deel ging naar  de 22 hiv centra in Nederland. Medicijnen werden  via Informed Consent vergoed gegeven.

Status van de infectie:  Het aantal virusdeeltjes en  het cd4 getal. (weerstand)

Bij  500 cd4 cellen was er nog weinig risico, bij 350cd4 cellen werd men aangeraden met medicatie te starten en bij  200cd4 cellen was het noodzaak direct  te starten. Dat noemt  men het center for disease controle   CDC 1, 2 , of CDC 3 laatste fase. Ik bevond me in de laatste fase.

Daar was ik me totaal niet bewust.

De behandelingsperiode van nov. 1999 tot dec.2004 in het ErasmusMC:

Na een periode van malaise liet ik een  hiv test bij  de GGD doen en  bleek  seropositief te zijn.
Ik werd aangemeld bij dr. van der Ende en de verpleegkundige  I. Padmos in het ErasmusMC.
( Voormalig Dijkzigt).

In nov. 1999 bleek ik een cd4 aantal te hebben van 160 en een hoge viralload ( 70.000).  Dr. van der Ende wist  dus dat ik me in de laatste fase bevond. Mij werd niet uitgelegd dat een mens 1300 tot 1500 cd4 cellen heeft. Ook niet dat ik me in een kwetsbare en zieke positie bevond. Ik hoestte regelmatig en het ging niet over  Ik  bleek  een persisterende bronchitis te hebben, ik had ook  een verdikte lever en had ook last van nachtzweten. Er werd tijdens dat consult afgesproken dat ik binnen 14 dagen op  de medicijnen zou gaan. Welke dat waren werd mij niet verteld. In het dossier wat ik in  2005 opvroeg bleek dat combivir en viramune te zijn.

Bij het volgende consult, waar ik verwachtte mijn medicijnen te krijgen, stelde dr. van der Ende mij voor mee te doen aan een medicijnenonderzoek.  Ik vertelde alleen bang  te zijn voor lipoatrofie en hoopte dat dit voorkomen kon worden. Vooral met nieuwe medicatie.

Lipoatrofie is een ernstige bijwerking en dat ontstaat door lactaatacidose, melkzuur in het bloed,  waardoor de onderhuidse vet- of energiecellen uitsterven  wat weer mithochondriale toxiteit wordt genoemd. Gevolg is dat zowel het gelaat, de hals en de sleutelbeenderen vetloos worden,  de oogkassen raken leeg en er ontstaan  holle ogen, de armen en de benen  worden dun  met zichtbare bloedvaten en  de contouren van de billen verdwijnen. Ik wist ervan doordat ik een hiv patiënt kende met deze aandoening. Dat was vreselijk om te zien en triest voor deze man. Daarnaast had ik in 1999 een artikel in de NRC gelezen over de ernstige bijwerkingen van de hiv medicatie zoals melkzuur in het bloed ( lactaatacidose )en lipoatrofie.  Welke medicijnen dat waren stond er niet bij.  Ik was als de dood daar aan te moeten beginnen.

Dr. van der Ende stelde me gerust en  vertelde dat zij maar 3 patiënten( dat zouden de 3 zijn uit haar publicatie) in haar praktijk had  die daar last van hadden en dat het een zeer zeldzame aandoening is. Door welke  medicijnen dat kwam werd er niet bij verteld.

Later zou blijken dat in het ErasmusMC tot eind 1999  3% va de 800 patiënten lipoatrofie te hebben gekregen met behoefte aan plastische chirurgie.  Dat schreef van der Ende in haar verweerschrift zonder het aantal patiënten te vermelden. Dat aantal vond ik later  in haar proefschrift HIV- virus 2. ( April 2000)

Vervolgens kon ik makkelijk nog even zonder medicatie tot een cd4 van 100 dus uitstel was verantwoord. Dan hoefde ik niet aan de medicatie te beginnen voor de Kerstdagen. In het verweer staat: Omdat  de patiënt bij de start hevige pijnen zal ervaren besloot ze na de Kerstdagen de medicatie aan te bieden. Dat zou pas feb.2000 worden.

Ik kreeg wel co- trimoxazol  mee voor de longen. Hiermee voorkwam ze alle gevaren die met een laag cd4 samengaan. Dat is achteraf bezien de wereld op zijn kop. Het onderliggend probleem , een verregaande hiv infectie,  niet bestrijden.

In jan. 2000 kreeg ik een nieuwe bloedbepaling. Tijdens dat consult vertelde ik veel last te hebben van parodontitis. Ik verloor in  zeer korte tijd veel tandvlees en de halzen kwamen bloot te liggen. De tandarts gaf als oorzaak dat mijn weerstand te laag was. In die periode kreeg ik ook een infectie aan het middenoor waardoor ik  evenwichtsstoornissen kreeg. Dat was volgens van der Ende niet hiv gerelateerd. Dat zou wel bijtrekken. Die evenwichtsstoornissen kwamen in sept.2000 weer hevig terug waardoor ik mijn medicijnen met moeite in kon houden en soms uitbraakte. Dat had consequenties voor mijn therapie. Via het dossier kon ik nagaan wanneer dat stopte. Dat was in de periode dat ik boven de 200cd4 cellen uitkwam. Een jaar later.

Na het doornemen van het dossier in 2005 bleek ik in jan. 2000  een cd4 van 87 te hebben. Het was  voor van der Ende geen aanleiding om direct met medicatie te starten.

I.Padmos gaf mij  het Informed Consent mee wat ik dan zou kunnen  lezen.

Toelichting werd verder niet gedaan.

Het enige was dat er mogelijk neuropathie zou kunnen optreden door stavudine. Ik zou een nieuw medicijn krijgen( protease remmer ) gecombineerd met stavudine en videx. De trial  was blind. Mijn vraag over neuropathy werd afgedaan als een lichte trilling in handen en voeten.

Op 7 febr. 2000 startte de trial. Begin status een cd4 van 40 en 97.000 viralload.

Mij werd mondeling uitgelegd dat ik de protease remmer 14 dagen alleen moest innemen en daarna de totale combi- therapie. De videx tabletten moest ik met een vijzel pletten en met water in nemen. Twee maal per dag de dosis. De smaak was om  heel snel  door te slikken. In feite startte ik dus nog later dan ik dacht.

De studie medicatie bestond uit 200 , 400 en 500 gram. Welke hoeveelheid ik zou krijgen was niet bekend.  Dat ik of te weinig of te veel aan medicijn zou krijgen en  dat het invloed kon hebben op de bijwerkingen en eventuele daling van de viralload waardoor de groei van cd4 cellen zou stagneren werd me niet verteld. Van der Ende bleek al veel ervaring te hebben met studies rond protease remmers waarin nog moest bekeken worden hoeveel gram verantwoord en effectief was. Uitgave 2000 Athenacohort Onderzoek Protease remmers 1996 -1999.

De bijsluiters van stavudine en videx kreeg ik niet mee. Dat bleek wel verplicht en toen ik die in 2005 vond schrok ik van het aantal bijwerkingen en waarschuwingen en bleek zelfs dodelijk. Alleen dat stavudine lipoatrofie veroorzaakt stond er toen nog niet op. (Bijwerkingen van 2000 FDA).

Omdat ik nog geen enkele ervaring had met medicijnen nam ik alles voor zoete koek aan. Laat staan dat ik  kennis had  over de combi- therapie van hiv.

Enige voorlichting kreeg ik niet alleen moest ik  een video bekijken hoe de medicijnen in te nemen, op  de klok, om resistentie te voorkomen. Een groepje gezond uitziende mensen die vrolijk hun pillen innamen naast een wekker.

In de richtlijnen van 2000 staat:

Het is verplicht dat de verpleegkundige het ingevoerde protocol  voorlichting moet volgen. De risico’s die een patiënt loopt met een cd4 van onder de 350 en  200, de bijwerkingen van de protease remmers en de nucleoside analogen de de non-nucleoside analogen. Dat werd niet gedaan. Daar zouden drie sessies voor nodig zijn. En welke therapie op  dat moment als beste werd voorgeschreven. Ook  dat wist ik niet. Op een afspraak om die voorlichting te krijgen kwam de consulent Padmos niet opdagen en kon ik  weer gaan. ( Dat lijkt achteraf bewust). In zijn  verpleegkundig dossier staat op  die datum: Geen tijd. Voor een trial is deze voorlichting van extra belang.

Reconstructie hiv behandeling

Kennis van de hiv behandeling anno eind 1999:  De inhoud  van het Athena cohort kreeg ik pas in 2010 in te zien. Daar staan de ontwikkelingen van de behandeling uitvoerig in beschreven.

De trialgegevens eind 2010 ,  het verslag van Dieleman uit 1999 ( ErasmusMC)  ook rond die tijd en  de Prometheus studie 1998-1999. De richtlijnen 2000  ontdekte ik in 2005. Publicaties over dit onderwerp vond ik eerder en diende als steunbewijs.

Deze documenten tonen eind 1999 aan  welke kennis zowel de arts als de hiv assistent had.
De trialgegevens hoe deze arts had moeten handelen

Processen : Klachtencommissie( 2005) RGT Den Haag( 2006) CMT ( 2009) RGT Groningen 2010) CMT 2012. Civiele procedure 2010.

Een reconstructie:

Tussen 1996 en 2000 werd er veel bekend over de bijwerkingen van de toen gegeven medicijnen. Zo bleek stavudine en videx dodelijk te zijn door lactaatacidose, men kreeg er ernstige neuropathie van, lipoatrofie en lipohypertrofie( ophoping van vet tussen de organen). Dat was rond 1999  bekend. Niet alleen bekend  in Nederland maar in de gehele westerse wereld. Dus ook  bij dr. van der Ende en de heer Padmos.

Mij werd daar voor de trial niets over gezegd. Men had mij uit kunnen leggen dat ik veel kans maakte op gordelroos, tandvleesontsteking, verschillende vormen van kanker etc. en de bijwerkingen van stavudine en videx.

Was alles eerlijk en transparant  verlopen dan had ik uit het nog voor mij onbekende rijtje medicijnen de beste  kunnen kiezen. Dat bleek epivir, abacavir ( nucleoside analogen) en viramune ( non-nucleoside analoog ) te zijn. Op dat moment was de standaard therapie combivir( azt en epivir) en viramune. Beter dan stavudine en videx en gemakkelijker in te nemen.

Men had na jaren ervaring met hiv medicatie de oude protease remmers indinavir en sanquinavir en de oude nucleoside analogen stavudine en videx  afgeschreven. Ze hadden te veel ernstige bijwerkingen. In feite waren dit de eerste generatie pillen. De tweede generatie  werd geïntroduceerd  met epivir( 1996)en abacavir  ( 1998) daarna gevolgd door viread ( 2001) en FTC. ( 2002)  De gunstige nucleoside. Viramune kwam in plaats van de protease remmers. Nelfinavir kwam net op  de markt en was de protease remmer in de controle groep van de trial.

Studies: In 1996 startte men zowel in het AMC als het OLVG  een trial met stavudine en videx plus een protease remmer( 17 deelnemers) en azt, epivir en een protease  remmer.( 11 deelnemers). Na 67   weken en daarna  bleek in de stavudine groep 84% lipoatrofie (ernstig) te hebben gekregen en een patiënt uit de azt groep . Dat beeld was minder ernstig en veel milder. Qua onderdrukking van het virus deden ze voor elkaar niet onder. Marc van der Valk (AMC) koppelde de hypothese van Brinkman aan de uitkomst van dit onderzoek. Een stukje huid van een lipoatrofie patiënt bleek veel minder mithochondriën te bevatten.

Publicaties o.a. van M.E. van der Ende

Prof.K.Brinkman stelde in 1998 , na  het overlijden van een patiënt door lactaatacidose zijn hypothese op dat stavudine de oorzaak was. In vitro bepalingen lieten een sterk verhoogd lactaat zien wat bij  azt veel minder voorkwam. De uiteindelijke conclusie werd dat het mithochondriale toxiteit betrof. Het afsterven van de vetcellen of  energiecellen. De mithochondriën.

Nadat Brinkman   de geschiedenis van stavudine via de FDA rapporten had doorzocht wist hij het zeker. Er bleken al doden te zijn gerapporteerd door dit middel. Ook zag hij  een overeenkomst met dat van de oudere mens die langzaam de mithochondriën verliest waardoor onderhuids vet verdwijnt. Hij bracht  deze aandoening  ook  in verband met lipoatrofie.  Dat blijkt te kloppen. Hij schreef zijn hypothese in 1998 en hield vooral  in Amerika lezingen en werd in 1999 in  de Lancet gepubliceerd. Omdat men dacht  dat lipoatrofie door  de protease remmer kwam  ( A.  Carr Australië 1998) richtte men zich nu op stavudine.

Hij schreef ook dat St. Marc uit Frankrijk  de eerste wetenschapper was die het verband met stavudine en lipoatrofie door middel van een studie vastlegde ( 1999) en dat dit ook gezien werd in de toen nog lopende  Prometheus studie.( 1998-1999).

De Prometheus studie had een grotere  opzet met 208 patiënten die geïncludeerd werden in België en Nederland. De studie in 1998 en 1999  zou  96 weken duren . Opzet was te starten met protease remmers en daar tijdens de studie stavudine aan toe te voegen. Zowel naïeve patiënten ( nog niet behandeld) als voor behandelden met azt werden bewust gekozen en gescheiden van elkaar. Zo werd het een heterogene groep. De studie werd   in Nederland verdeeld over een aantal Hiv centra. Het zou de hekkensluiter zijn  van tal van studies vanaf 1999 over lipoatrofie. ( R.F.C. for Hiv Medicine London Uk )

Conclusie was dat zowel de naïeve patiënten als de voorbehandelden  in elke afzonderlijke groep 25% lipoatrofie( week 60 tot 70)  hadden gekregen door stavudine. De protease remmer Sanquinavir veroorzaakte een vorm van vervetting maar was geen lipoatrofie.

Afgesproken was dat binnen de 22 hiv centra tijdens de studie geen stavudine meer werd voorgeschreven maar vanaf 1998 combivir en viramune . ( Bron Brinkman en Dieleman)

De bijwerkingen waren minimaal alhoewel sommigen wel bloedarmoede en gasvorming kregen en  soms misselijk waren van de  azt.
Aan de  Prometheus studie deden oa. mee: Dr. van der Ende en dr. Nouwen van het ErasmusMC. Ook de heer H.G. Sprenger, internist in het UMCG en de heer Danner, internist in het AMC.

Beiden zouden later in de tuchtzaak tegen van der Ende  als deskundige optreden.

In een later stadium had ik een gesprek met Marc van der Valk die de Prometheus studie  als hoofdonderzoeker leidde. Hij zegt dat ook in het ErasmusMC patiënten lipoatrofie hadden gekregen binnen de studie. Hij zou promoveren op  deze studie. Zijn promotor was Prof. S. Danner.

Hij vond het onvoorstelbaar dat van der Ende na de studie patiënten  nog stavudine voorschreef. Hij schreef verder dat patiënten met lipoatrofie direct te herkennen waren op straat, dat er veel begeleiding voor nodig was in verband met de psychische problematiek en dat een op  de tien zelfmoord pleegt.

Peter Reiss, thans hoofd van Hiv monitoring en internist in het AMC,  zegt over de  Prometheus studie: We weten nu zeker  lipoatrofie te voorkomen. Hij prees het Athenacohort omdat buiten de farmaceuten om de bijwerkingen op een zuivere manier waren geregistreerd . Was lipoatrofie  eerst een probleem voor de patiënt later werd het noodzaak voor de hiv behandelaar deze ernstige bijwerking te vermijden. De studie  werd in okt. 2000 op een Aidscongres in Toronto gepresenteerd door M. van der Valk en P. Reiss.

In die periode was dr. van der Ende  en de consulent I. Padmos en haar collega  mevr. Dieleman belast met de registratie van de patiënten( verplicht ook al kon dat anoniem),  het cd4 aantal bij intake en   de bijwerkingen  van alle gegeven medicijnen. Dat liep van 1996 tot 1999. ( het Athena cohort).  Hieruit kon men de conclusie trekken dat alleen de stavudine gebruikers lipoatrofie kregen en niet in de combivir groep. In totaal waren dat landelijk gezien 1952  patiënten. Vanaf 1996 stond 1/3 op stavudine en 2/3 op azt. Dat werd snel anders toen men vat kreeg op de bijwerkingen van stavudine.

In 1998 publiceerde het ErasmusMC met als auteurs v.d. Ende en Dieleman  over lipodystrofie en Buffalo Hump.( Bult in de nek).

Twee vrouwen en een man. Een man had , bij aanvang een  gemiddeld cd4, geruime tijd  op stavudine, videx en een protease remmer gestaan. Hij ontwikkelde  lipoatrofie met lipohypertrofie. Ook zonder definitie kan dit vastgesteld worden.

Dr. van der Ende beschrijft het complete beeld en vindt de uiterlijke, cosmetische veranderingen drastisch. Vooral de ingevallen wangen en de holle ogen waarbij  de oogkassen zichtbaar werden , de dunne benen en armen met duidelijke bloedvaten  waren een punt van zorg. Ze hoopt dat de pathogenese snel gevonden zal  worden om  dit probleem op te lossen en  preventief te kunnen handelen  dit beeld te voorkomen. Men heeft moeite de medicatie in te nemen en dan kan het virus  resistent worden met de dood tot gevolg. Voor een vrouw geldt het zelfde beeld. De andere vrouw had een vorm van vervetting veroorzaakt door een protease remmer. Dat was geen lipoatrofie  maar werd lipodystrofie genoemd. Daar zat dus veel verschil in. Allen maakten kans op  een hartaanval en osteoporose. Allen hebben ernstige psychische klachten. Wellicht door stigmatisering en het taboe op  aids. Want met lipoatrofie krijg je ook  het uiterlijk  alsof je in verregaande staat van aids verkeert wat niet zo is. Het was   onomkeerbaar. De lipohypertrofie was ook een probleem. Het bruine inwendige vet vermeerderde  zich en zat tussen de organen. Dat is pijnlijk en zeer oncomfortabel omdat het vet zich vooral boven de maagstreek bevond. De publicatie werd aangevuld met foto’s ( zonder gezicht)

Dat beeld en de  psychische gevolgen heb ik precies zo ervaren. Dat  zal ik later beschrijven maar lichamelijk ongemak was er dagelijks door de lipohypertrofie. Eten werd een opdracht. Een boterham gaf me al een vol gevoel. Was mijn taille eerst 84 dat werd al  snel tegen de 113. Zonder gewichtstoename.

Ik moest leren mijn eten in kleine hoeveelheden over de dag in te nemen. Lang zitten was pijnlijk waardoor ik theaterbezoek etc niet meer zag zitten. Sociale etentjes buitenshuis stopte ik al kwam ik daar niet altijd onderuit. Gevolg was altijd dat ik met pijn de tafel verliet en alleen maar kon gaan liggen. Het drukkende gevoel werd dan langzamer minder. Het zag er ook niet uit. Dunne armen, dunne benen en een buik alsof ik zwanger was. Het was geen vet onder de huid maar het zat  juist inwendig. De huid lag er strak overheen zonder een grammetje vet. Ik zou me daarna  nooit meer op een strand vertonen, althans niet met zwemkleding en een T-shirt kon ik niet meer dragen. Vooral in de zomer is dat steeds een pijnlijke en confronterende  ervaring zo beperkt te zijn. Bij twintig graden zetten  de bloedvaten op  wat het nog dramatischer maakte. Dat ik veel onderhuids vet had verloren was een feit. Maar het gevoel van verlies van aspecten van je sociale leven zoals hardlopen en  andere activiteiten werden steeds beperkter. Het ontstane gebrek naar intiem  verlangen en je niet meer  gelijkwaardig te voelen als partner zette de wereld op zijn kop. Gevangen in je eigen lichaam wat je altijd vertrouwd was. Daarbij komen ook  nog de negatieve gevoelens bij omdat ik me bewust werd dat deze aandoening voorkomen had kunnen worden. Mijn geest was in verwarring en de woede moest ik bedwingen. Voelde me suïcidaal.

Deze informatie is belangrijk omdat ik   weet heb  hoe dr. van der Ende  lipoatrofie beschreven had. Dat zou nog van belang zijn in  de tuchtprocedures. Dat was in mijn zaak wel even anders. In het verweer schreef ze dat ik fase 1 van lipoatrofie had en dat het een subjectieve beleving van de patiënt betrof. Bagatelliseren was een sterk punt in haar verweer.

Het Athenacohort: Periode 1998 tot nov.2000. Complete registratie.

Het Athenacohort had berekend dat in 1998 nog 3% van de patiënten( door resistentie azt) op stavudine stond eventueel gecombineerd met epivir of videx.  Dat was een laatste mogelijkheid om te overleven. Resistentie ontstaat door onregelmatig medicijngebruik waardoor het virus snel kan muteren.Stavudine kon die resistentie nog onderdrukken.

Dat betekent dat 97% op andere medicijnen stond( buiten de Prometheus studie )en dat 99.1 % boven de 200cd4 cellen werd behandeld. Abacavir kwam in 1998 op  de markt en werd al aan 162 patienten gegeven. Enige bijwerking was een “rush”. Als dat zo was mocht men niet meer op  abacavir. Men had nog keuze. Er bleken toch nog 191 patiënten te zijn overleden door een veel te laag cd4 ondanks de medicatie. Dit is een bewijs dat van der Ende mij met een cd4 van 160 direct aan de medicatie had moeten zetten om erger te voorkomen. Ze zou  er nog drie maanden mee wachten tot aan de datum van de trial. Puur uit berekening. Over de kennis die ze in had moeten zetten en die bij  een fatsoenlijke voorlichting hoort werd gezwegen.

Daarnaast was er een studie met viramune uit 1998 met van der Ende als een van de onderzoekers. Allen concludeerden dat viramune ( met ook een mogelijke rush) net zo effectief was als de protease remmer maar met veel minder bijwerkingen en slik -voorwaarden. In die trial overleden alsnog 12 patiënten door het lage cd4. Je kan dus stellen dat van der Ende er boven op zat. Des te meer kan ik haar handelen dan ook als grof  en onbegrijpelijk beschouwen. Ik zou kunnen zeggen:  Een poging tot doodslag.

Dat was de stand van de medische  wetenschap  van dr. van der Ende toen zij mij  in feb. 2000 stavudine en videx inclusief de protease remmer voorschreef. Een combinatie die nog niet als effectief bewezen was maar wel  startte met eencd4 aantal van 40. Dat zou, naar later bleek,  onverantwoord zijn en was zelfs volstrekt verboden. De kennis die men had over therapieën was dat men kon meten binnen een periode hoe snel de viralload zou dalen en hoe snel het cd4 aantal weer zou opklimmen. Men kon zo  de risico’s inschatten. Dat was nog nog niet bekend bij  deze trial.

Er verschenen  steeds meer studies over lipoatrofie in  de publiciteit. Frankrijk: St. Marc dec.1999, Amerika: het Hops cohort dec.1999, Australië: A. Carr jan. 2000, Marquez en Polo nov.2000, Spanje en verder uit  Italië, België en Zwitserland. Allen bewezen dat stavudine de factor was voor lipoatrofie. Daarbij aangetekend dat stavudine en videx  de hoogste graad van lipoatrofie ( Ze versterkten  elkaars bijwerkingen) geeft. Een onderzoek uit Frankrijk was geweigerd omdat een medewerker van BMS de farmaceut de data had gemanipuleerd en een gunstiger beeld van stavudine had geschetst.

Deze medicijnen werden ook wel thymidine analogen genoemd en werden begin 2000 sterk afgeraden.

In 1999 had het OLVG een publicatie gedaan over fases van lipoatrofie:

Fase 1: Licht en  nauwelijks zichtbaar . Fase 2 : Zichtbaar maar nog niet afschrikwekkend.

Fase 3: Afschrikwekkend. Vooral de holle ogen zijn kenmerkend en het sterke vetverlies in de wangen waardoor de gezichtsspieren zichtbaar worden. Ook de armen en benen zijn vetlozer dan de eerste en tweede fase. Daarbij kan ik nog melden dat de kaaklijnen sterk geprononceerd worden en de nek dun met duidelijke bloedvaten. De hals , schouders en sleutelbenen vetloos. Dat zag je alleen bij hele oude mensen. Foto’s van  het algemene beeld  van lipoatrofie kunnen bekeken worden op internet.

Op een congres in Durban  in 2000 was men het er over eens en bereikte men consensus dat stavudine niet meer zou  worden voorgeschreven. Mits men niet resistent was. En dat was ik niet. Prof. Brinkman was daarbij  aanwezig en wellicht ook van der Ende want die was vaak naar congressen.

In de richtlijnen van 2000 staat dat men om de 3 maanden patiënten op stavudine en azt moet controleren op mithochondriale toxiteit. Feitelijk op lactaat. Ook staat er dat op basis van observationele studies  stavudine een risico in het bijzonder is voor het ontwikkelen van lipoatrofie. Het mechanisme van onderhuidsvet verlies was nog onduidelijk. De oorzaak wel. Voor degene die nog op  stavudine staat en de eerste tekenen van lipoatrofie laten zien,  wordt geadviseerd  te stoppen met stavudine en over te gaan( als men niet resistent is) , op  abacavir. Deze keus wordt ook gedaan in het Aidsjournal in dec. 1999 in Amerika. Aan alle hiv patiënten op medicijnen  wordt de ernstige waarschuwing gedaan dat stavudine de oorzaak is van de lipoatrofie en men wordt geadviseerd contact op  te nemen met de arts om abacavir te kiezen. Dit werd ondersteund met alle studies uit westerse landen. Stoppen met stavudine is ook stoppen met afbraak van de vetcellen.  De studie van St. Marc uit Frankrijk in  2000 waarin   hij  aantoonde dat stoppen met stavudine en overgaan op abacavir het proces van vetverlies stopt. De verloren vetcellen groeien niet meer aan.

De FDA is nog niet zover maar begin 2000  zet men  op  de bijsluiter van stavudine  met  zwart gedrukt grote letters: Stavudine kan dodelijk zijn door lactaatacidose. In combinatie met videx kan het alvleesklierontsteking geven wat tot de dood kan leiden.

Op de site van het Centraal Bureau Geneesmiddelen staat dat de licentie van stavudine voor BMS in  mei 2001 is verlengd. Dan volgt de  patiënten informatie over stavudine. Met dezelfde informatie  als de FDA en schrijft dat het lipoatrofie veroorzaakt. Hoelang deze bijwerkingen al bekend zijn bij het CBG is niet duidelijk. Vast staat dat ze in febr.2001 bekend waren met de trialgegevens van 48 weken BMS.  Een mail naar het CBG gaf iets meer informatie. Als noot stond er uitdrukkelijk bij  dat er strenge regels aan een trial verbonden zijn en dit in Nederland nooit had  mogen gebeuren aldus een medewerker van het CBG.( Mail uit 2008) Ik kreeg het advies contact op te nemen met het CCMO, de organisatie die toestemming voor trials moet afgeven. Dat heb ik gedaan( 2008) en mij werd  telefonische gezegd dat deze trial niet naar behoren  was uitgevoerd. Het ErasmusMC was de enige die deze trial had gedaan. Daar heb ik  een afschrift van.

De farmaceut Bristol -Meyers  Squibb  wordt opgeroepen  de hiv behandelaren overal ter wereld te waarschuwen en over te gaan op   andere nucleoside analogen.  Ik zal er niet voor gewaarschuwd worden. Men was er in Nederland al mee bekend en had er maatregelen tegen getroffen door die middelen niet meer voor te schrijven. In het Athenacohort overleden toch nog 6 patiënten aan lactaatacidose. In sept. 2000 komt vanuit het ErasmusMC, het AMC en de OLVG een publicatie ” Four fatal cases ” over stavudine. Vier patiënten waren overleden door lactaataciodse. Het was niet hiv-gerelateerd. Van der Ende wist  er dus van. Mij wordt deze informatie niet gegeven.  De trial zou  belangrijker worden dan het leven  en het welzijn van de trialdeelnemers. Mijn vraag vooraf aan de trial lipoatrofie te voorkomen werd volkomen genegeerd. Op dit punt  wordt de wet WMO al  de Akkoorden van Helsinki overtreden. Het was een mensenrecht geïnformeerd te worden.

Tot dan staat in de richtlijnen 2000  combivir en viramune op  de eerste plaats en stavudine op  de vierde plaats in het rijtje voor te schrijven medicijnen. Er staat bij  dat gekozen moet worden voor een gemakkelijke inname van de medicatie met de minste toxiteit. Ook dat werd door zowel van der Ende als Padmos verzwegen.

De inname van Videx was bewerkelijk en de vijzel had je altijd nodig.

Deze richtlijnen werden  eind 1999 door de NAVB vast gelegd en goed gekeurd in mei 2000. Zitting  daarin hadden o .a.  van der Ende , Sprenger en Danner.

In sept. 2001 worden de bevindingen van het Athena Cohort aangeboden aan minister Borst. Daarbij aanwezig zijn van der Ende ,  Danner en ook  de hoofdonderzoeker Prof. Joep Lange. In dat cohort staat dat er 109 patiënten lipoatrofie hadden gekregen door stavudine. In voorgaande jaren en wellicht door de Prometheus studie. Het zoveelste bewijs dat van der Ende haar mond houdt want ook in sept 2001, wanneer de lipoatrofie al zo zichtbaar is, adviseert zij niet de trial  te stoppen.

Voorafgaand besteed Zembla er aandacht aan. In beeld komen o.a. Prof.Lange, Danner, van der Ende en ik  zie ook Sprenger in gesprek met van der Ende. Van der Ende laat een statistiek zien van patiënten in het ErasmusMC en vertelt hoe belangrijk het is een goede voorlichting te geven en door de diversiteit van patiënten soms met een tolk. Dat is in tegenstelling met haar praktijk waar ze juist de trialdeelnemers onthoudt van essentiële informatie. Die discrepantie in  wat van der Ende zegt en   publiceert en hoe zij praktijk voert kom ik op  tal van punten in mijn onderzoek tegen.

Danner laat de verschijningsvorm zien van de lipoatrofie en lipohypertrofie  door middel van dia’s en noemt het vooral  een cosmetisch probleem waarbij patiënten psychische problemen krijgen. Aan het woord komt een hiv-patiënt en zegt  dat hij lipoatrofie heeft en laat zijn pillen zien. Ik herken de stavudine. Hij heeft ook neuropathie in ernstige vorm.

De heer Wolf, internist in het AMC en  directeur van Hiv monitoring, opvolger van het Athena project,  zegt dat de ernstige bijwerkingen verleden tijd zijn maar dat we er nog lang niet zijn. Er komen  wel steeds betere medicijnen. Het wordt een chronische ziekte.

Deze uitzending zag ik pas in 2009 die ik had op gevraagd bij Beeld en Geluid. Ook het Athenacohort ontdekte ik pas in 2010 en vroeg de gegevens aan bij  Hiv monitoring. Ik kreeg een compleet beeld van de stand van zaken anno 2000 en een juiste voorstelling dat  van der Ende mij en elke controlerende instantie misleidende informatie gaf. Ook naar de civiele rechter en het Hof.
Daar kom ik later op terug.

Van dit alles wist ik in feb. 2000 nog niets.

Gegeneraliseerde gordelroos april 2000

Ik ontdek de eerste verschijnselen van gordelroos op zondag 2 april. Maandag 3 april loop ik even naar mijn huisarts en hij  constateert dat het gordelroos is. Hij raadde me aan direct contact op te nemen met van der Ende  dan kan zij in combinatie met de medicijnen die ik al heb de medicatie voor de gordelroos voorschrijven. Ik bel naar het ErasmusMC. Ik krijg I.Padmos aan de lijn. Ik kon pas 5 april terecht. Van der Ende heeft mij op  die datum gezien en stuurt me weg met een zalfje zonder verdere waarschuwing dat het erger zou kunnen worden. De rug en de flanken waren al aangetast. In de middag vlamt de ontsteking zo erg dat ik me ziek moet melden en naar huis ga. De pijn wordt heftiger. Ik probeer zo goed als dat kan de zalf op mijn rug te smeren. Mijn partner is op  dat moment voor zaken in het buitenland.

Op 7 april in de ochtend ontstaan er bulten op het hoofd,  armen en benen. Ik meld me bij de eerste hulpdienst op advies van Padmos. Van der Ende was inmiddels gearriveerd. Ik moest direct worden opgenomen. Eerst naar huis voor de medicatie, spullen pakken en dan direct in een aparte kamer. Ik bleek een gordelroos te hebben die gegeneraliseerd  was. Ik was in levensgevaar. Ik kreeg intraveneus  de 3 dubbele dosis acyclovir. De pupillen werden om  de twee uur gecontroleerd. Ik kreeg I.C kleding aan want de kans was groot op hersenvliesontsteking. Mij werd gezegd dat de weerstand te zwak was en men wist niet  of de behandeling zou  aanslaan. Mocht er levensgevaar zijn dan moest er familie en partner gewaarschuwd worden en als ik  dat wenste een priester of dominee aan bed. Zo ver was het dus. Ik had zeer hoge koorts en de pijn was  niet te harden. Twee dagen later daalde de koorts en lag ik geïsoleerd. Bezoekers kregen speciale beschermde kleding aan evenals de verpleegkundigen. Alleen van der Ende kwam op maandagmorgen zonder kapje voor de mond de kamer inlopen. Ze zei dat ze de behandeling al eerder had moeten inzetten maar ze had het over het hoofd gezien dat mijn weerstand te laag was. Ze had niet in het dossier gekeken. Het drong niet eens tot me door dat zij een grote medische misser had begaan met kans op overlijden. Op de derde dag kreeg ik weer hoge koorts en was men in paniek. Verschillende artsen en co-assistenten kwamen aan het bed om de ernst van het ziektebeeld te zien. Dat was men in deze vorm nog niet eerder tegengekomen. Ik liet een familielid komen om mijn laatste wens uit te spreken. Toch heb ik het op het nippertje gehaald. Mijn partner hoefde zijn verblijf niet te onderbreken. We hadden dagelijks telefonisch contact.

Na 10 dagen opname begon de enorme zenuwpijn en jeuk wat neuralgie genoemd wordt. Allebei te gelijk en dat zou  zes weken duren waardoor mijn weerstand weer enorm was gekelderd. Slapen was nauwlijks te doen. Zitten en liggen evenmin . Geen pijnstiller hielp. Uit een wetenschappelijk artikel  uit 1999 ( Bron. H. Folmer) las  ik de juiste informatie: Gordelroos bij patiënten met een verstoord afweersysteem en  met een lage weerstand (Wat bij hiv aantoonbaar is) dienen binnen 48 uur intraveneus  met acyclovir verpleegd te worden en wanneer dit niet gebeurt het dodelijk kan zijn. Dat kan door hersenvliesontsteking of door schade aan de nieren en lever. Hoe langer men wacht met behandelen des te heftiger en langduriger de neuralgie daarna . Ook dat kon ik van der Ende verwijten.

Later zag ik in een publicatie door van der Ende een apart stuk over de gordelroos. Ze riep elke hiv behandelaar op  te zorgen dat het cd4 zo hoog mogelijk blijft om gordelroos te vermijden. In haar praktijk had zich  nog geen gordelroos in de generalisatie,  wat tot mortaliteit kan leiden, voorgedaan. Ook hier zie ik  de discrepantie. Zij had het dus kunnen voorkomen wanneer ze mij in nov.1999 direct op  de medicatie had gezet.

Ik was dan sneller boven de risico grens gekomen van 200cd4 cellen. Des te kwalijker is dat er op 3 april bij aanmelding niet ingegrepen is en ook niet op 5 april.

Lipoatrofie en lipohypertrofie

Na twee grove medische fouten volgt  de grootste fout die een grote wending in mijn leven zou nemen. Tot nu  toe begrijp ik niet waarom van der Ende niet ingreep  toen ik mijn volgende klacht meldde. Ze wist toch  dat ik al heel wat te verduren had gehad door haar misplaatste beleid?

Mei 2001: In de voorgaande weken ontdekte ik veranderingen aan mijn lichaam. Mijn gezicht werd smaller, de benen werden  dunner, de knieën puntiger en zie er bloedvaten op verschijnen. Ik meldde  mij met deze klachten bij  van der Ende. Volgens haar was het een kwestie van ouder worden meer niet. Zij weigerde vervolgens te kijken wanneer ik  een broekspijp optrek om  de duidelijke bloedvaten te laten zien  en wijs op mijn dieper liggende ogen. Niets aan de hand. Ook niet volgens Padmos.

Op mijn  werk tik ik op  de pc  het nummer van de trial van BMS in en zie dat er op  1 feb. 2001 een publicatie was verschenen van de eerste 48 weken van de trial. Ik lees het abstract. De protease remmer  beloofd een goede te zijn. Geen cholesterol zoals de oude protease remmers  die lieten zien. Wel was er bij  2 tot 9 %  ( totaal 18%) van de deelnemers  lipodystrofie opgetreden door NRTI. Ik wist niet wat  dat betekende. Het stond allemaal in het Engels met alle vaktermen in die taal. Ik nam het mee naar consult. Ik liet het van der Ende zien en vroeg ernaar. Ze schoof het  opzij en sloeg haar ogen neer. Ze leidde me af met een ander onderwerp en zei er verder niets over. Ik had geen weerwoord. Opzet was al eerder aan de hand maar vanaf dat moment aantoonbaar. Nu kwam de patiënt er zelf mee. Ik had deze uitdraai bij haar achter gelaten maar had deze  daarna nooit meer terug gevonden op internet. Wel de complete versie maar die kwam later. Ik wist nu  dat er trialgegevens bestonden.

Achteraf kan ik  zeggen dat ze pertinent  wilde zwijgen over de bijwerkingen van NRTI want ik begreep pas later dat ze daar stavudine en videx mee bedoelden.

Eind mei  wordt , wat ik veronderstel als lipoatrofie, zichtbaarder dan voorheen. Ik ben volledig in paniek. Ook zijn  de armen nu  dunner en voel de  knokige ellebogen en ook daar verschijnen  bloedvaten. Mijn wangen zijn ingevallen. Te beginnen bij  de neusvleugels  en zo  verder. Mijn ogen staan nog dieper.  Dat was traumatisch want mijn ogen rolde alle kanten  op en hadden geen houvast meer in de kassen en daar werd ik op gewezen. Ik durfde de deur niet meer uit. Vreemd was dat ik door dit verschijnsel geen gram lichter was geworden. Ik bezocht het oogziekenhuis en men meette dat de ogen 5 millimeter naar binnen waren gekeerd. Een oplossing hadden ze niet. Ze hadden dit fenomeen nog niet eerder waargenomen  gelet op  mijn leeftijd. De ogen bleven diep maar de stand was weer gestabiliseerd. Het had het beeld aangenomen van aids. De lepra van de 21ste eeuw. Men ontweek je en andersom.

Ik vraag aan van der Ende of dit nu lipoatrofie betekent maar zij stelt die diagnose niet. Ze zegt dat dikke mensen er juist blij mee zijn. Padmos suggereert dat het virus verantwoordelijk is en dat er niets aan te doen valt. 35% heeft  er last van zegt hij  erachter aan. Dat was anders dan van der Ende mij had verteld. Beiden zeiden maar wat maar het juiste aantal was  24 patiënten eind 1999. Dat is erg weinig als het Erasmus MC beweert  dat stavudine de meest gegeven medicijn was tot 2002. Dat zou ik nog achterhalen.

Ik klaag over pijn door de lipohypodistrofie die tegelijkertijd was ontstaan. Ik  toon de opgezette maagstreek aan van der Ende , maar dan zegt ze dat ik maar een wandeling moet maken en dagelijks een appel moet eten. Beide diagnosis houdt ze voor zich. Het wordt niet genoemd. In het dossier staat echter: ” De lipo zet door”.  Of dat door de protease remmer komt of stavudine en videx staat er niet bij. Haar antwoorden waren meestal gesloten. Gepantserd. Je kon geen vraag meer stellen.

Ik verzocht v.d. Ende  een brief voor mijn verzekeraar waarmee ik  eventueel de behandelkosten om de wangen weer op te vullen met Sculptra, wat zeer kostbaar is, vergoed te krijgen. Inmiddels had ik  een kliniek gevonden die het mogelijk achtte mijn gezicht weer toonbaar te maken.
Vooraf had ik aan Padmos gevraagd of hij een kliniek kende die dat soort behandelingen aanbood.
Hij kende ze niet.

Die behandelingen zijn nodig . Ik voel me doodongelukkig, bang om afgewezen te worden door het stigmatiserende karakter, bang om mijn baan te verliezen en in sociaal opzicht alleen zal  komen te staan.  Het was zo ingrijpend dat ik mijn relatie op afstand ging zetten. Mijn levensvreugde was tot het nulpunt gedaald. Niets was meer vanzelfsprekend. Ik ontwikkelde vermijdingsgedrag. Mijn kleren pasten niet meer en moest compleet een nieuwe garderobe aanschaffen. Zelfs een kleinere maat schoenen. Iedereen die me voorheen kende zagen de duidelijke  veranderingen. Ik  drong ik er bij mijn partner aan de relatie te stoppen omdat ik me zo onzeker voelde  en niet meer aantrekkelijk vond. Het esthetische aspect was altijd belangrijk  voor mij geweest. Hij was niet seropositief. Hij had nog toekomst zonder beperkingen. Hij zou  vast weer een leuke vriend tegenkomen. Uiteindelijk heb ik  de relatie  zelf uit wanhoop opgegeven. Dat verdriet kwam er nog bij. Het was  complete dissociatie.

In een publicatie over hiv -patiënten met lipoatrofie uit Engeland herken ik mezelf in het beeld wat ze van zich zelf schetsen. Ze hadden zich terug getrokken uit het sociale leven en hadden angst nieuwe contacten te leggen.  Contracten werden niet meer verlengd  en ze  vonden het moeilijk te solliciteren omdat ze zich  niet representatief vonden.

In Brazilië  bleken veel lipoatrofie patiënten zelfmoord te hebben gepleegd waarna de  regering besloot de gezichtsbehandelingen gratis te verstrekken. Het is omdat ik nog  spaargeld bezat anders  had ik daar ook  toe besloten want er viel gewoon niet mee te leven. Het was de zwartste periode in mijn leven. Stoppen met de medicatie en ik was er geweest. Ik hoefde niet eens een balk en touw te zoeken. Ik had het in eigen hand. Mijn hond heeft  me ervan weerhouden. Ik kon hem eenvoudig weg niet in de steek laten.

De bron  van de besmetting lag in mijn vorige relatie. Hij was in 1995 door aids overleden maar ik was daar nooit over ingelicht. Ik moet in 1991, toen ik heftige griep kreeg , geïnfecteerd zijn. Dat klopt met de incubatie tijd. We woonden samen. In  het laatste jaar verzwakte hij maar weet dat aan een dieet wat hij  volgde. Ik vermoed dat hij toen al wist dat hij  hiv besmet was geraakt. Hij stopte de relatie en trok zich terug.  De  reden waarom hield hij  voor zichzelf. Pas toen ik een vriendin van hem in 1999 tegenkwam en ik  vroeg hoe het met hem ging zei ze dat hij  was overleden aan aids.

Ik was ontzet! Dat was het moment dat ik me liet testen omdat ik me in die periode niet lekker voelde. In mijn relatie daarna  hadden we altijd de veilige  regels gehanteerd waar ik erg blij om  was.

De brief voor mijn verzekeraar van v.d. Ende ontving ik  en ze schreef  dat ik lipoatrofie had gekregen, wat door de patiënt  als storend wordt ervaren,  door de combinatie therapie maar ze schreef er niet bij  door welke medicijnen. Dat was bewust.

Wat Padmos en van der Ende verzwegen was dat rond die tijd in het OLVG gratis Sculptra. werd geïnjecteerd bij lipoatrofie patiënten. Vermoedelijk als gevolg van de Prometheus studie. Ook daar kwam ik veel later achter. Ik was helaas te laat en men had de meesten geholpen waardoor het project gestopt was. Ze hielden me overal buiten om hun werkwijze in het geheim voort te zetten.

Ik richtte me op de gezichtsbehandelingen in de kliniek. Dat werkte en voelde me, ondanks de grote veranderingen van lichaam een stuk beter. Hoewel mijn ogen nog diep lagen en de oogkassen zichtbaar. Ik kon niet anders dan mijn contactlenzen verwisselen voor een montuur.

Dat maskeerde veel. De sculptra was, doordat de lipoatrofie verdere schade aanrichtte,  verdwenen. Ik zou zeker 10 behandelingen nodig hebben. Elke behandeling kwam op 2500,00 gulden.

Ik zocht naar een permanent middel en dat werd Aquamid. Nog duurder maar dat was blijvend. Dat gaf een goed resultaat. Ik kon mijn baan blijven behouden. Dat was prioriteit nummer een. Al was dat met minder uren en minder belasting.

Mijn  werkgever had mij in zeer korte tijd fragiel zien worden. Ik vertelde hem de achtergrond en heeft sindsdien altijd meegewerkt mijn energie op  een goede manier te verdelen.

Bij toeval ontdekte in 2010 de complete  trialgegevens van  1 febr. 2001.
Daar had ik lang naar gezocht.

Results of phase 2 clinical  trial at 48 weeks  BMS 232632 in combination with  stavudine and videx:

De trial gegevens gebaseerd op  420 deelnemers, waarvan er 157 uitvielen,  verdeeld over verschillende landen:

De nieuwe protease remmer deed het beter dan voorgaande proteaseremmers, het verhoogde het cholesterol niet  en veroorzaakte niet de vervetting( lipodystrofie)   alleen bij  een hoge dosis ontstond er een gele kleur in het oogwit.  Dat betekent dat de lever onder druk staat. Een vorm van geelzucht. Ook daar had ik last van. Men beschreef de  lipoatrofie bij alle groepen van patiënten door stavudine en videx. Het hoogste percentage zag men in  de 400 mg groep. Daar zat ik in. In de controle groep een zelfde constatering. Zelfs de fase van een naar twee werd er bij vermeld. Tijdens de consulten meette Padmos altijd de heupen. Waarom hij  dat deed zei hij  niet ( stond ook niet in het I.C wat volgens de  WMO had gemoeten).)  ook al vroeg ik  ernaar. Het bleek  een controle te zijn voor het eventueel constateren van lipoatrofie. Hoe meer de heupen slonken hoe zekerder men wist dat de lipoatrofie al  aan de gang was. Men had een begin  en het eindpunt zou bij 96 weken liggen. Het werd allemaal in het dossier genoteerd. Toen ik alvorens een procedure te starten het dossier op vroeg werd me dat duidelijk. Van 112  naar 96 cm. Bij 48 weken zat ik  al net onder 100 cm.
De lipoatrofie had zich al veel eerder ingezet maar het duurt maanden  voordat het zichtbaar wordt. Vermoedelijk was ik aangekruist van  fase 1 naar 2.

Het zou dan nog meer dan  ander half jaar duren voordat van der Ende besloot mij van de stavudine en de videx te halen. Hierdoor kwam ik in de laatste fase van lipoatrofie terecht. Fase 3.De laatste.

Ik kon geen kant op. Ik had geen idee van de betere medicijnen en  ondanks dat ik  wist  dat het om een onderzoek ging was ik me niet bewust van de dubbele agenda( experiment)  in de trial. Pillen moest ik  slikken want anders zou ik alsnog overlijden.

In de trial bleken er ook 3 patiënten te zijn overleden door lactaatacidose. Alle lipoatrofie patiënten hadden een verhoogd lactaat. 25% kreeg neuropathie van fase 1 tot fase 4. Dat is zeer ernstig. Ik bleef in de lichtere fase. De zenuwpijn in handen en voeten komen onregelmatig maar zijn zeer voelbaar. ( Was niet genoteerd in dossier). Verder las ik  dat alle trialdeelnemers een gemiddeld cd4 hadden van rond de 348 bij  de start van de trial . De groep van 200 mg  protease remmer viel uit omdat die de onderdrukking van het virus niet volledig konden waarmaken. Als ik in  die groep had gezeten  zou ik het  , met zo’n laag cd4, niet hebben gehaald. Ik zat ik  de groep van 400 mg zou later blijken. Van der Ende had vooraf aan de trial een risico analyse moeten maken want ook zij wist niet of ik de   200mg  zou krijgen. De deelnemers van de 400 en 500 gram  hadden gemiddeld een cd4  groei van 220 terwijl dat bij mij 61  was. Het uitval percentage was erg hoog en waarschijnlijk had dat te maken met de gevaren die achter de trial scholen. Ook dat risico had van der Ende vooraf kunnen analyseren of juist na 48 weken.

Na de gordelroos bleef ik een jaar lang onder de 200  met als dieptepunt op 2 febr.2001 op 101 cd4 cellen. Een dag na de bekendmaking van de trialgegevens.

Over de selectie van de trial staat dat wanneer geïncludeerde patiënten  ziekteverschijnselen kregen,  en die had ik des te meer voor aanvang, 14 dagen voor de trial,   dan mocht men niet meer geïncludeerd worden. De grens lag bij 100cd4 cellen. Toch zet van der Ende met alle risico’s van dien door. Zwijgt over deze pertinente regel van het onderzoek. Zowel de Wet WMO als de Akkoorden van Helsinki lapt ze volledig aan haar laars. Op het Informed Consent stond de grens van 100 cd4 cellen zwart doorgestreept maar het was nog zichtbaar.

In het  verweer van 2006  schrijft van der Ende dat ze  zich aan de Akkoorden van Helsinki had gehouden. Dat is niet zo als je dit erop naleest.  De wet WMO laat ze buiten beschouwing waarin een aantal regels voor de uitvoerend onderzoeker staan opgesteld waaraan zij zich niet heeft gehouden. De veiligheid van de patiënt stond boven de trial zonder enig financieel gewin schreef ze met volle overtuiging. Dat zou totaal anders liggen.

Overigens had van der Ende mij aangemeld met een cd4 van 160 in jan.2000. Zo staat dat in het dossier. Maar dat was de bepaling van nov. 1999. In jan.  2000 had ik  een cd4 van 87. Ik vermoed dat van der Ende zich dekte en  onjuiste handelingen maskeerde. Ik kan het niet anders dan fraude noemen.

Deze  48 weken gegevens waren voldoende om direct met de trial  te stoppen. Daarvoor bestond de wet Medisch Wetenschappelijk onderzoek bij  de Mens  die in dec. 1999 was  ingegaan, ingesteld door minister Borst. Van der Ende had er geen boodschap aan. In die wet staat dat als patiënten door het onderzoek, ook protocollair met bekende medicijnen, extra risico lopen in verhouding met een reguliere therapie dit direct aan de trialdeelnemers moet worden gemeld. Vooral   als het om lichamelijke veranderingen gaat. Van der Ende zwijgt.

Er gaat een waarschuwing van de farmaceut uit  dat alle onderzoekers van de trial  het lactaat geregeld moeten meten om lactaatacidose en lipoatrofie en neuropathy te voorkomen. De trial zou dan weer voor 48 weken doorlopen. In het dossier is geen enkele meting van lactaat aanwezig. Dat wijst er op dat van der Ende ook daaraan niet tegemoet is gekomen. Evenmin als dat al in de richtlijnen staat aangegeven.

Van der Ende faalde in alle lagen van het beroep. Daar zou  de klachtencommissie en de tuchtcolleges een ander oordeel over vormen.

Mijn klacht zou luiden: Verminking door schuld. Naast de klachten als te laat starten met de medicatie en het niet behandelen van de gordelroos waardoor ik in een levensbedreigende situatie kwam plus het feit dat, gezien mijn lage cd4 aantal van 40 de trial nooit had mogen plaats vinden. Zelfs dat had dodelijk kunnen zijn. Alle drie de klachten tot in de laatste fase.

Van der Ende had volledige kennis. Zij meldde de farmaceut immers de gegevens van de trial. In de trialgegevens worden ook  de namen van de onderzoekers vermeld.  Van der Ende staat ook op  de lijst. In de 96 weken trialgegevens  bleek 25% lipoatrofie te hebben gekregen. Onderschreven  door  o.a. van der Ende.

Ik bleek dus al in  fase 1 naar 2 te zitten. Toen ik dan ook in mei de eerste klachten aangaf zweeg ze over de oorzaak. Ook in latere consulten  herhaalde ik mijn klachten maar dan zei ze b.v.: Met een colbert zien  ze je dunne armen niet en dat mogelijk het virus de oorzaak zou kunnen zijn. Daarmee liep ze weer samen met Padmos die hetzelfde vertelde. Beiden hadden de afspraak geen informatie te verschaffen zodat de trial voor de farmaceut kon doorlopen tot 96 weken. Dat is niet meer dan met opzet patiënten verminken. Volledig aantoonbaar. Was ik overleden door lactaatacidose ( wat acuut en  zeer pijnlijk  is en niet meer te verhelpen) dan was het dood door schuld geweest. Maar wie zou daar achter komen? Mijn familie zou  denken dat ik overleden was aan aids. En het accepteren.

Gezien de geschiedenis van stavudine  was de conclusie uit de trial  dan ook  te verwachten. Ze wist het al voordat de trial werd aangeboden. Toch zwijgt ze naar alle trialdeelnemers. Wat ik  weet is dat  in dezelfde periode dat deze verschijningsvorm zichtbaar werd ik het ook zag bij  een andere trialdeelnemer. Hoe het met de anderen is vergaan is mij onbekend. Wij kwamen altijd op gezette tijden voor bloedonderzoek wat dezelfde dag voor controle naar Brussel  moest. We spraken elkaar verder nooit.  Na de 48 weken zagen we elkaar  zelden op hetzelfde tijdstip.

Ik vermoed dat  allen op  eenzelfde manier zijn misleid. Via hiv forum had ik een oproep geplaatst om deze trialdeelnemers samen te krijgen. Daar heb ik  nooit  respons op gekregen.

Het vervolg  Informed Consent van 28 november 2001:

Daarin staat dat men nog niet veel weet over de nieuwe protease remmer maar mogelijk kan het lipodystrofie veroorzaken. Over stavudine en lipoatrofie en lactaatacidose staat er helemaal niets. Dat wilde BMS nog steeds stil houden. Zelfs niet dat er tijdens de trial  3 patiënten waren overleden. Hoe doortrapt dit allemaal was  werd me later veel duidelijker.

Padmos laat het me doorlezen maar houdt verder zijn mond. Van der Ende waarbij ik net consult had gehad gaf geen toelichting over dit I.C. Het woord lipodystrofie door een protease remmer stak me. Ik had zo gehoopt dat dit nieuwe medicijn deze bijwerking niet zou hebben. Achteraf zijn de trialdeelnemers op het verkeerde been gezet. Het Informed Consent was geheel geschoeid op de wensen van de farmaceut en niet op de feiten van de trialgegevens. Van der Ende wist dat ik een misleidend I.C. zou  tekenen ( daarmee een claim op de behandelingskosten etc te voorkomen) maar zij tekent zelf ook. Zij stond geheel in dienst van de farmaceut terwijl zij de patiënten in het ongewisse liet. Daar is veel voor betaald door de farmaceut uit Woerden. Dat kan niet anders. Wat kreeg de arts  of het ziekenhuis aan sponsorgeld  voor deze trial?
Mag je als onderzoeker misleidende informatie verschaffen? Doen alsof de protease remmer de oorzaak is wat in feite door stavudine kwam en daarover zwijgen?
Dat is tegen de regels van Good Clinical Practice.

In feb.2002 komt Padmos opnieuw met het informed consent. Hij vertelde dat het vorige zoek is geraakt. Of ik nog even wilde tekenen. Hij legt het exemplaar waar getekend moet worden voor me open. Omdat de voorkant het zelfde is en er november 2001 op staat , dat controleerde ik wel , teken ik want ik had het al  eerder doorgenomen. Ik kreeg een kopie en leg dat thuis in de kast. Pas in 2010 kom ik het tegen. Ik begreep er niets van. Ik was totaal vergeten dat er in feb. 2002 ook  getekend was. Ik had altijd geprocedeerd met het I.C. van 28 nov.2001. Nu lees ik  het wel door. Wat blijkt? Er was een pagina aan toegevoegd waarin staat dat stavudine en videx een hoge mortaliteit heeft en dat men ook uit de trial kan en andere medicijnen kan kiezen. Ik was overdonderd. Ik had dus zelf getekend voor de dodelijke bijwerkingen. Dit wordt echter niet in het dossier genoteerd. Niemand zou  weten van deze aktie. Voor zoveelste maal wordt de wet WMO overtreden en de A.v.H. Deze wet stelt ook nog eens dat het i.c. zowel door de arts als de patiënt op hetzelfde ogenblik moet worden ondertekend. Ook dat lieten ze achterwege.

En waarom had  De Medische Ethische Toetsingscommissie van het ErasmusMC niet ingegrepen?  Had van der Ende hen wel ingelicht?

Stel dat ik  was overleden dan hadden ze bewijs dat ik daarvoor had getekend. Ik zou het immers toch niet meer na kunnen vertellen.

Van der Ende en Padmos hadden  bewust  cruciale informatie voor zich gehouden. Ze hadden allebei uit het Big register geschrapt moeten worden. Ik was te laat om  dit nog in een tuchtzaak om te zetten en ik  was die tuchtrechters en deskundigen meer dan moe. Uiteindelijk  was de zaak al verjaard.

Bristol- Meyers Squibb farmaceut

BMS was ook  sponsor van de NAVB. Eind 1999 vertelde de NAVB dat stavudine niet meer in de eerste lijn zou  worden voorgeschreven waarop  BMS antwoordde dit stil  te willen houden. Waarom? Ik vermoed dat er nog een trial op stapel stond  en men wilde graag zien hoe de lipoatrofie zich zou ontwikkelen met deze nieuwe protease remmer met stavudine en videx. Dat was dus de dubbele agenda van de farmaceut en van de onderzoekers zoals van der Ende en medewerker Padmos. Daar werden ze op geïnstrueerd. Dat was het verborgen experiment wat er op patiënten werd uitgevoerd.

In 1992 ontdekten professoren  van the Yale University dat stavudine, bedoelt  voor oogherpes en niet langer dan 10  dagen mocht worden voorgeschreven  (1988), dat het ook een middel was  tegen het hiv virus. De  FDA gaf toestemming voor een periode van 6 maanden dit te onderzoeken. Het virus was tijdelijk onder controle. Naast AZT een tweede mogelijkheid. De korte onderzoeksperiode en de monotherapie lieten de ernstige bijwerkingen nog niet zien. In 1994 werd het wereldwijd voorgeschreven. Echter, de langer termijn bijwerkingen waren ernstig. Gecombineerd met videx had het dezelfde zwaarte als een chemo therapie en het veroorzaakte mithochondriale toxiteit. BMS had de licentie gekocht voor 15 miljoen  per jaar en maakte  in de  jaren negentig gemiddeld wereldwijd  605 miljoen dollar omzet  per jaar in  de jaren negentig. Voldoende reden om de ernstige bijwerkingen zoveel mogelijk te verzwijgen en zelfs de regels van de FDA en de Akkoorden van Helsinki  te ontduiken. De akkoorden werden ondertekend door 35 landen   in  1975 om- dat medische experimenten in de tweede wereld oorlog veelvuldig voorkwamen en nooit meer mochten  gebeuren. BMS heeft zich er niet aangehouden.. Uiteindelijk waren er 6 patiënten overleden wat voorkomen had kunnen worden inclusief de patiënten die ernstig verminkt werden.

Het ErasmusMC werkte, zonder enig voorbehoud,  mee en dat is een grotere zaak dan alleen de klachten van een patiënt die ze om die reden in de doofpot wilde houden.
Zoals het CBG al stelde: Dit had in Nederland  nooit mogen gebeuren.

Net als de beschreven trial van feb.2000 zette men op dezelfde datum nog een trial in met de nieuwe protease remmer 500 en 600 gram maar dan met stavudine en epivir. De 48 weken uitslag in maart  2001 : 3 doden door lactaatacidose en in een verder verloop bleek ruim 25% lipoatrofie en neuropathie te hebben gekregen door stavudine. De praktijken van BMS zijn duidelijk maar dat een interniste uit een universitair ziekenhuis hier aan mee werkte  is niet te tolereren. Ze zette patiënten bewust op  een zwaar regime met ernstige gevolgen. Haar eed zegt: Ik doe de gelofte patiënten niet zieker te maken dan ze al zijn en ik  zal geen dodelijk medicijn voorschrijven. Ze doet beiden.

Farmaceuten kende de bijwerkingen van stavudine en ontwikkelde medicijnen die de mithochondriale toxiteit, de lipoatrofie en de neuropathie konden voorkomen. Daar zijn publicaties over verschenen. Ze waren altijd zeer nieuwsgierig na de eerste 48  en 96 weken trialgegevens. Deze bijwerkingen bleven uit. Zowel in vitro als in vivo.

Vanaf 1996 was epivir, een goede vervanger voor stavudine,  dan ook direkt leverbaar. Dat ging naar GlaxoSmithKline.

Verder verloop van de trial:

In aug. 2002 wordt er gestopt met stavudine en videx naar aanleiding van een avond in het Hiv cafe in Rotterdam. Het was de eerste keer dat ik  de moed had  daar naar toe te gaan. Van der Ende spreekt over up-dates. Stavudine blijkt het middel wat lipoatrofie veroorzaakt. Dat had ze mij nog niet verteld. Ze zegt dat de aandelen dus ook  wel zullen dalen. Overigens was dat al twee jaar aan de gang.( Alsof ze die heeft en of dat belangrijker is dan patiënten). Een opvallende opmerking die ik later veel  beter kon plaatsen.

Ik heb van der Ende   in  de pauze meteen aangesproken en wilde graag  van de stavudine af. Ik zou op  combivir gaan met de nieuwe protease remmer. Dat zou  de trial nog een jaar verlengen. Ze wilde me niet zeggen waarom ik al niet eerder was geattendeerd op de bijwerkingen die ik had ondergaan door stavudine nu bleek dat het de protease remmer niet was . Daarna krijg ik  de een na de andere internist die het consult van v.d. Ende overneemt.  Ze rapporteren gasvorming door azt,  algehele malaise, depressie en klaagt over de lipoatrofie. Deze stemmingen had ik  al eerder maar van der Ende schreef dat niet in het dossier. Wanneer ik door van der Ende gebeld wordt om  de nieuwe uitslagen door te geven zegt  ze enkel “goed” . Meer informatie kreeg ik niet en wist er ook niet naar te vragen. Wel begon ik over die gasvorming die dagelijks de kop op stak. Ze gooide gewoon de haak er op. Toen ik een tussentijds consult aanvroeg werd dat geweigerd. Op die manier werd ik langer in de trial gehouden.  Ook dat is tegen de wet WMO.

Via hiv cafe hoorde ik dat het ErasmusMC in 2001 de azt had verbannen voor viread. Dit medicijn had  vrijwel geen bijwerkingen. Toen ik  van der Ende weer eens voor me had wilde ik graag over op  viread. Het was inmiddels 2003 en had om de 6 maanden consult. Dat zag ze niet zo zitten. Ze vond het te duur. Toch wil ik dat waarna ze antwoordde dat ik dan uit de trial moet(  met andere woorden BMS betaalt niet meer). Door mij viread te onthouden in 2002 kon  ze nog een jaar langer de trial doen met combivir omdat de farmaceut dat toestond. Terwijl juist lipoatrofie patiënten op abacavir, maar viread was ook een goed alternatief , hadden gemoeten. Voorlopig had van der Ende de  totale regie over haar patiënten en deed ermee wat BMS haar vroeg te doen. De macht van de  arts wordt in alle opzichten benut. Misbruik van patiënten valt daar onder.

Ik krijg  atazanavir( merknaam Reyataz)  de onderzochte protease remmer maar nu  300mg. plus 100mg retonavir en viread.  Ik had gehoopt dat door deze nieuwe combinatie er verbetering zou optreden in het vetherstel . Dat blijft uit. Om de drie maanden krijg ik het recept en wordt ik  om het half jaar gezien. Dan in 2004 verandert van der Ende zonder enige toelichting het recept. Daar kwam ik achter bij  de apotheek. Ineens stond ik op 400 mg atazanavir met de verdere combinatie. Ik was weer bang voor gele ogen bij 400 gram dus belde ik naar van der Ende. Ze wilde, volgens een consulent,  niet aan de telefoon komen. Ik moest dat recept accepteren. De haak werd er op gegooid. Tot 3x toe belde ik voor mijn vertrouwde recept. Ik hoorde  van der Ende op  de achtergrond roepen dat ik op 400 gram had gestaan en dat ik nu ook ritonavir kon weglaten. Dat zijn twee veranderingen. Ik eiste mijn vertrouwde recept. Uiteindelijk faxte de consulent het recept naar de apotheek. Kosten 2400 euro voor 400mg. atazanavir die niemand slikt omdat inmiddels een aantal patiënten  alleen op 300mg stond met boosting van ritonavir en viread. De onprofessionaliteit van v.d. Ende had ik al een tijdje in de gaten maar dit deed de deur dicht. En Padmos vertrouwde ik al in een eerder stadium niet meer al wist ik niet waarom. Dat mijn intuïtie klopte zou later blijken.

Daarna eiste ik per brief een andere internist. Een maand later begreep ik ook via sites  dat de lipoatrofie vermeden had kunnen worden als de trial mij niet zou zijn aangeboden. Ik had in feite de farmaceut geholpen een nieuw medicijn op de markt te zetten en  over de wetenschap die de co-medicatie ook in deze trial liet zien  maar betaalde daar een enorme tol voor. Ik had steeds mijn eigen vonnis getekend zonder dat ik  dat wist. BMS vond  ik meedogenloos en van der Ende en Padmos nog meedogenlozer en zonder enige empathie.

Inmiddels had ik dr. Rijnders die sinds kort werkte in het ErasmusMC. Voor het eerst hoorde ik van hem  over mijn cd4 gehalte ,  maar ook  dat het cholesterol veel te hoog was.( Dat had van der Ende ook niet opgemerkt). Via het scherm liet hij mij  de laboratoriumuitslagen bekijken. Dat had van der Ende nog nooit gedaan. Nu stond ik op 375 cd4 cellen na 4 jaar behandeling en dat was erg laag volgens hem wellicht door de late start  van de behandeling. Ik vond hem vriendelijk en informatief. Wat een verschil in begeleiding.

Klachtencommissie ErasmusMC

Het  is ambivalent consult te hebben in het ErasmusMC en tegelijkertijd een aantal klachten in  te dienen bij  de klachtencommissie. De kans v.d. Ende tegen te komen is aanwezig. Ik trof haar een keer  aan de balie. Toen ze me zag  keek ze me woedend aan. Ze trilde zelfs.

Vanaf de periode dat ik lipoatrofie kreeg had ze me nauwelijks aangekeken wat ik overigens ook als klacht had aangegeven. Om op  de zaak vooruit te lopen. Nadat de klachtencommissie de klachten ongegrond hadden  verklaard keek ze me met een arrogante blik aan die ik niet  licht  zal vergeten. Alsof ze me zocht en tegen wilde komen op  de gang. Ik moest uit dit ziekenhuis weg. Via de agenda van haar collega wist  ze precies wanneer ik in de wachtkamer zat.

Daarna ben ik over gegaan naar het Maasstad ziekenhuis wat net als tweede hiv centrum geopend was. Toen ik afscheid nam van Rijnders en hem voor de vriendelijke consulten bedankte  vertelde hij  me dat van der Ende de lipoatrofie had kunnen voorkomen. Die informatie zou ik alsnog het secretariaat van de klachtencommissie laten weten. Ik vertelde dat de trialgegevens die ik in mei 2001 aan van der Ende had gegeven dat al bevestigden. De uitspraak bleef ongewijzigd.

Ten eerste verzocht ik dr. van der Ende een antwoord te geven op mijn  klachten.

Die waren in alle opzichten ontkennend.

In 1999, 2000 , 2001 was er nog niets of weinig bekend over lipoatrofie en zeker niet over het causaal  verband met stavudine.

Er waren wel onderzoeken dat stavudine mogelijk  de factor was maar er was nog niets bewezen. Het spijtte haar  dat ik lipoatrofie had gekregen maar dat was niet te voorkomen geweest. Pas in aug. 2002 verscheen er een Duits onderzoek wat meer inzicht bood.

Ik meldde me te laat voor de gordelroos. Volgens haar 7 dagen . Dat was niet zo. Ik meldde me  binnen 24 uur  zodat men direct kon starten met de behandeling en  de  gordelroos in de generalisatie had kunnen voorkomen. Ze pleegde antidatering om te verhullen dat de  gordelroos  in  de generalisatie aan haar nalatigheid was te wijten.

Het lage cd4 was niet belangrijk na de intake van de trial. Dat staat volkomen in  contrast met de CDC 3 bepalingen en de richtlijnen en de eis die de trial  stelde.

Over het zonder toelichten van het veranderen van recept schrijft ze dat de farmaceut dat juist vond. Ook dat klopt niet. Atazanavir zou  alleen in 300mg vorm worden gegeven en zo staat het ook in de richtlijnen van 2004. De 400 en 500 gram veroorzaken een te hoog  biliburine en hadden een wisselwerking met viread.

Ik geloofde er  niets van en zette een klachtenprocedure in.

Alvorens ik de klachten formuleerde vroeg ik een second opinion aan bij  de Natec. Daar waren de NVAB leden onder gebracht. Dr. Prins van het AMC werd mij  toegewezen. Ik stuurde alle informatie aangetekend op. In mei 2005 had ik de afspraak. Ik was op  tijd alleen dr. Prins liet op zich  wachten. Toen hij uiteindelijk verscheen vertelde hij mijn informatie niet te hebben ontvangen.  Dat was vreemd. Ik heb denk 20 minuten met hem gesproken maar werd niet veel wijzer. Van der Ende wachtte volgens hem wat lang met de medicatie en wat betreft de lipoatrofie had ze waarschijnlijk een congresje  gemist. Tussendoor werd er een paar keer gebeld en kwamen steeds collegae binnen lopen . Dat was zeer storend en volgens  mij gepland.

Na het inzien van het Athenacohort, het terugkijken van de Zembla uitzending en de foto’s van v.d.  Ende en Prins samen tijdens de Aids dag in  Carré viel alles samen. Hij zorgde er voor dat van der Ende beschermd werd en onthield me van de juiste informatie.

Het was zinloos  geweest om naar het AMC te rijden maar dat hier sprake was van vriendjespolitiek was mij wel duidelijk. Hij had van der Ende vooraf gesproken en beloofd te zwijgen. Dat moet wel.

Daarna  deponeerde ik mijn klachten bij  de klachtencommissie in mei 2005.
Ik noemde een aantal feiten uit het dossier:Zo schreef ze naar mijn huisarts dat ik lipoatrofie had gekregen door stavudine en videx, dat ik in de laatste fase van de hiv infectie was bij aanmelding. De gordelroos in  de generalisatie en de neuralgie daarna.

Het verweer van v.d. Ende  en Padmos was als volgt:

Volgens van der Ende had de farmaceut haar in aug. 2002 ingelicht  over het causaal verband  stavudine en lipoatrofie. Ze was om die reden gestopt. Ze schreef het voorheen toe aan de nieuwe protease remmer. Nu weten we dat dit onjuist is. Ze bleef bij het feit dat ik op 30 maart  gordelroos had gekregen dus kon ze deze niet bestrijden binnen  de noodzakelijke 48 uur. Wat er voor staat. Ook dat was een leugen. Ik wilde zelf later aan de medicijnen om de kerstdagen goed door te komen. Ook dat was bedrog. Padmos schreef dat pas in 2003 duidelijk was dat stavudine de boosdoener was en dat ik voor lipodystrofie had getekend.

Kortom. Men kwam niet uit voor de waarheid. Mijn verweer was gevuld met de informatie uit het dossier en de wetenschappelijke onderzoeken van eind 1999 en liet weten dat ik de trial- gegevens  in abstract aan van der Ende had gegeven. ( Als ze werkelijk haar gelijk aan wilde tonen was ze er mee gekomen maar dat is nooit gebeurd.) Dat maakte alles verdacht.

Latere bewijsstukken zouden dat aantonen.

Alle klachten werden ongegrond verklaard. Een klein onderdeel van de begeleiding was gegrond.

Er was volgens de commissie geen enkel wetenschappelijk onderzoek in  die het causaal verband met stavudine en lipoatrofie aantoonde. Pas in  2002 kwam er meer inzicht maar twijfelachtig. Dat bleek onwaar. Dat zou  de publicatie van Dieleman en het Athenacohort uitwijzen. De richtlijnen werden ook niet meegenomen. Er zaten  6 artsen op rij en die weten ook  dat er trialgegevens bestaan maar er werd niets aan van der Ende gevraagd .Over de gordelroos in de generalisatie kon men geen uitspraak doen omdat er twee data in het dossier stonden. Dat zocht men dus niet uit. De uitspraak kwam pas na 8 maanden. Men was verplicht dit binnen 6 weken met nog een uitstel van 3 weken te doen. Ik vermoed dat men er vanuit zou  gaan dat ik het bijltje erbij neer zou leggen. Dan zou  er ook  geen tuchtzaak komen. Dat  kan pas als je een beslissing hebt van de klachtencommissie. Merkwaardig was dat het commissie  geen  uitspraak over de late start van medicatie had gedaan.

De partijdigheid van de klachtencommissie was duidelijk. Het imago van v.d. Ende en dat van het ErasmusMC omtrent een medicijnenonderzoek mocht niet geschonden worden.

Regionaal Medisch Tuchtcollege

Een jaar later kon ik mijn klachten indienen bij het Regionaal Medisch  Tuchtcollege in  Den Haag.

Inmiddels had ik  alle wetenschappelijke onderzoeken over hiv en de bijwerkingen van de gewraakte  medicijnen plus de richtlijnen daaraan  toegevoegd. De trialgegevens kreeg ik niet van het ErasmusMC. Die kon ik inzien tijdens de tuchtzaak.

Als eerste antwoord op mijn klachten was het verweer van dr. van der Ende gesteund door juriste mevr. M. Blondeau:

In het kort samengevat met meteen een reactie van wat ik later zou reconstrueren.

Van der Ende begint haar verweer door te schrijven dat in Nederland zowel het AMC als het ErasmusMC de trial hadden aangenomen. Dat is onjuist. Het AMC had deze trial afgewezen omdat men geen stavudine en videx in de eerste lijn meer voorschreef door de ernstige bijwerkingen. Van der Ende noemde Prof. Lange als hoofdonderzoeker en wilde zo  haar verantwoordelijkheid bij  haar collega Prof. Lange leggen.

Later zou ik Prof.Lange mailen met de vraag of de trial ook door hem was gedaan. Ik schreef dat er bij mij lipoatrofie was op getreden. Hij antwoordde dat die trial niet was gedaan en verwees me naar de expert Prof.Brinkman van het OLVG. Daar zou ik meer informatie krijgen. Daarna kreeg ik ook deze bevestiging van het CCMO. Deze organsiatie hield sinds de wet WMO toezicht op trials en of deze konden worden gedaan of niet.

Voor het laagcd4: Ik had geen enkel ziekteverschijnsel omtrent hiv dus was uitstel verantwoord. Dat klopt niet want in het dossier staan wel 5 hiv- gerelateerde aandoeningen  waar ik toen  aan leed.

De gordelroos: Ik had me 7 dagen te laat gemeld en dus ging van der Ende ervan uit dat het een uitgebluste gordelroos was en het  natuurlijk verloop afwachtte.  Patiënt had al veel medicijnen  en om die reden wilde ze niet nog eens een medicijn voorschrijven. Ook dat klopte niet.

In het dossier staat dat ik mij op 3 april in de ochtend  had gemeld met gordelroos. Dus binnen 24 uur. Van der Ende schreef dat ik op 30 maart gordelroos kreeg en dat de huisarts haar niet had ingelicht en zelfs geen medicijnen had voorgeschreven. Zij wilde mijn huisarts dus verantwoordelijk stellen. Dat kon ik  weerleggen door een brief  van mijn huisarts. Volgens van der Ende was er geen sprake van een levensgevaarlijke situatie. Ook dat klopte niet. Ik moest tekenen dat wanneer de behandeling niet aansloeg en ik in coma zou  raken de behandeling dan gestopt zou worden waarna de dood zou intreden. Ook dat formulier zat in het dossier van dermatologie.

De lipoatrofie en lipohypertrofie: Er was in  de jaren 1999 , 2000 en 2001 nog geen sprake van een causaal verband met stavudine. In een ander half A4tje staan rijen onderzoeken die van der Ende afwijst omdat ze niet goed van opzet waren. Daar zaten alle wetenschappelijke onderzoeken  bij  die wereldwijd geaccepteerd waren. Over het Athena cohort, de verslaglegging van Dieleman en van haar zelf geen woord evenmin over de trialgegevens. Niets over de Prometheus studie.

Pas in aug. 2002 verscheen er een studie waaruit dat zou  blijken. Daarna was ze  gestopt met stavudine.( In werkelijkheid stopt ze pas de studie na de gewenste periode van BMS). Het mocht dan wel in  de richtlijnen staan( waar ze zelf aan had meegewerkt) maar dat wil niet zeggen dat er  nog veel onduidelijk was. Zo schreef ze dat het mechanisme van vetverlies haar onbekend was daar waren nog jaren studie voor nodig. Dat bleek niet te kloppen met  onderzoeken die het aan mithochondriale toxiteit toeschreven. Dat was het item van midden 1999 ( Congres Cannes)  en  2000 ( Congres Durban). Weliswaar staat in de richtlijnen dat hetmechanisme nog onbekend was. Dit is voor een patiënt niet van belang het gaat erom dat bekend was dat stavudine de oorzaak was.

Ze had gehandeld volgens de richtlijnen  omdat stavudine in het rijtje van medicatie stond. Dat die pas in de twee of derde lijn werd gegeven schreef ze er niet bij. Ook niet dat men verplicht was te behandelen bij  een cd4 van 200.

Over de voorlichting: Patiënt  had  het I.C. getekend dat hij naar tevredenheid was voorgelicht. Dat klopte in geen geval. Ik kreeg alleen te horen dat neuropathie als bijwerking mogelijk  was. En dat is niet volgens het vereiste protocol. Ik had voor lipodystrofie getekend dus de verantwoording ligt bij  de patiënt. Over het recept foutief voorschrijven :  Van der Ende bleef ontkennen dat ze een onjuist recept had voorgeschreven. Dat was tegen de richtlijnen van 2004.

Volgens van der Ende had ik mij aangemeld wegens onveilige sexuele contacten. Zo verhulde ze dat ik me om medische redenen  had aangemeld. Ze ging zelfs zo  ver de huisarts te schrijven dat mijn partner seropositief was. Dat was volgens haar de bron. Ze schendt haar geheimhoudingsplicht  als arts maar het is ook nog onwaar. Het gehele  verweer heeft  de sfeer van verontwaardiging. Het had de toon  van boosheid waardoor ze mij met opzet wilde beschadigen door deze uitlatingen. Ze zette me neer als een promiscue man. Nota bene had ik haar gezegd dat ik vanaf 1996 een partner had en ik hem had  ingelicht over de infectie en dat hij een test had gedaan  en hij seronegatief was.
Hij deed dit om  de 2  jaar tijdens een algehele keuring  vanwege zijn baan. Hij reisde naar veel landen ook waar hiv patiënten niet welkom waren.

Ze had gehandeld  van wat je van een bekwaam arts mag verwachten. Alle klachten moesten verworpen te worden.

Daarop hebben wij, de advocaat en ik , een repliek verzonden en alle onjuistheden met gegronde redenen en onderbouwing op schrift gesteld.  Ook hier miste we in het verweer het aantonen van  haar gelijk door de trialgegevens openbaar te maken.

De zitting Regionaal Tuchtcollege:

Voorzitter was mevr. Tan en de mede- geneesheer als tuchtrechter was Prof. J. van Dissel van het  LUMC. Hij is bekend met de  hiv  infectie via het ziekenhuis en het  RIVM. Hij is  ook bekend met de medicatie en de bijwerkingen. Hij moet bekend zijn met de richtlijnen van zowel de NVAB als die van het RIVM. Die zijn hetzelfde.

Tijdens de zitting  wordt er niets aan mij of aan mijn  advocaat gevraagd. Het gesprek  verloopt via mevr. Blondeau, de juriste van het EMC, en mevr. van der Ende.

Het lijkt een zeer collegiaal gesprek. Op geen enkel punt wordt van der Ende ondervraagd. Waarom  ze , tegen de richtlijnen in, zo laat startte met de behandeling? Ook niet waarom de patiënt niet gewaarschuwd was voor  stavudine wat toch ook in  de richtlijnen staat. Niets daarvan. Van Dissel vraagt enkel of zij in 2002 alle patiënten in het ErasmusMC van de stavudine had gehaald. Daarop antwoord van der Ende “substantieel “. Dan  was er juist gehandeld antwoordde v. Dissel.

Een mede -geneesheer ( plastisch  chirurg) zegt  : Als je geen lipoatrofie had gekregen was het wel een andere bijwerking. Welke hij  dan bedoelt  of wat nog erger is zegt hij  er niet bij.

Over de gordelroos. Voor deze  klacht  krijg ik  de wind van voren want er  wordt gezegd waarom ik die klacht had ingediend nu ik toch behandeld was.

En de antidatering? Van Dissel vroeg aan van der Ende hoe dat met die datum zat. Hierop kreeg ik te horen dat die in het dossier dermatologie stond. Dat was onwaar. Er stond patiënt opgenomen na een week oude gordelroos. Van Dissel vroeg er niet naar. Nergens kon  van der Ende aan tonen dat ik op 30 maart mijn huisarts had bezocht.

De advocaat wijst op  de richtlijnen die het tuchtcollege altijd moet hanteren om te bezien wat de stand van de wetenschap was anno 2000 en daarna het voortschrijdend inzicht  en dit te toetsen of de aangeklaagde arts gehandeld heeft wat men van een bekwaam arts mag  verwachten. Op die basis was patiënt niet behandeld. Eerder op basis van 1996 toen men nog moest speuren naar de juiste methodes en om  bijwerkingen  te kunnen voorkomen. Het mocht niet baten.

Ik breng het Informed Consent naar voren wat ik als puur misleidend beschouw. Ik word afgekapt door van Dissel. U heeft getekend voor lipodystrofie dus u bent zelf schuldig zo communiceerde hij.  Ik antwoordde dat lipodystrofie door een protease remmer van een heel andere orde is dan door stavudine. Nota bene had van der Ende zelf naar mijn huisarts geschreven dat stavudine en videx de oorzaak waren. Dat stond immers in het dossier wat het college ook had. Daarbij komt dat inmiddels atazanavir  al 3 jaar op  de markt was en totaal geen lipodystrofie liet zien. Bovendien was me niet uitgeled wat het verschil was tussen lipodystrofie door een protease remmer en lipoatrofie door stavudine.Vast stond dat deze protease geen lipodystrofie veroorzaakt ook al had ik  er voor getekend maar dat stavudine in het I.C juist niet genoemd wordt( op wens van de farmaceut) als oorzaak. Ook hier wordt van der Ende niet op door gevraagd. Dan vraag ik om de trialgegevens van 48  weken waarvan ik wist dat het tuchtcollege ze had. Dat weigerde de voorzitter zowel als  van Dissel. Er wordt ook niets  gevraagd aan van der Ende. Van Dissel wist exact dat de lipoatrofie door stavudine kwam en dat ze medisch en juridisch had moeten stoppen in het kader van de WGBO en de wet WMO. Van der Ende hoefde zich nergens voor  te verantwoorden. Dat maakte deze zitting zeer verdacht.

En waarom is eraf geweken van combivir en viramune terwijl dat de standaard behandeling in Nederland was? Er komt geen antwoord. Het wordt van der Ende niet gevraagd.

Ik meld het college dat het AMC niet heeft meegedaan en waarom. Terwijl van der Ende dat wel beweert. Ze zegt dat ze prof. Lange de trialgegevens had doorgegeven. Dat is heel wat anders dan een onderzoek met patiënten. Van Dissel accepteert haar antwoord.

Over verandering van recept wordt niets gevraagd. Ik tip het wel aan maar er komt geen respons.

Over haar geheimhoudingsplicht wordt niets opgemerkt.

Dan komt de pleitnotitie door mevr. M. Blondeau.

Er is met zorg met patiënt omgegaan. Hij kreeg de beste medicijnen. Het spijt mevr.  van der Ende ontzettend dat er lipoatrofie is opgetreden maar het was niet te voorkomen. Mevr.  van der Ende kan zich voorstellen  hoe vervelend dat voor de patiënt moet zijn en  om die reden had ze speciaal voor hem een sociaal maatschappelijk werkster verzocht hem bij  te staan. Dat is nooit gebeurd en staat niet in het dossier.  Vervolgens deed van der Ende niet aan de waan van de dag als er een commerciële website zegt dat stavudine de oorzaak is van lipoatrofie. Mevr. van der Ende is juist zeer voorzichtig over deze berichten. Daar moest zekerheid over zijn en die was er niet. Het is aan de patiënt zelf wanneer die aan de medicijnen gaat en van der Ende deed er juist goed aan na de Kerstdagen dat verder te bespreken om resistentie te voorkomen. Men zou wel eens een keer de medicijnen kunnen vergeten tijdens de feestdagen.  Van antidatering was geen sprake

. Van der Ende houdt juist het dossier keurig bij. De patiënt had zich dan wel 3 april gemeld maar de gordelroos  was 30 maart onstaan. Over het mijden van oogcontact naar de patiënt  tijdens  het consult: Mevr v.d. Ende moet alles in het dossier noteren en dat kan verwarrend lijken voor de patiënt maar het is juist betrokkenheid.  Over haar geheimhoudingsplicht “onveilige sexuele contacten ” : Het  was niet de bedoeling van v.d. Ende  een moreel standpunt in te nemen.

Na de pleitnotie was het de klager niet toegestaan te reageren. Dat deed ik wel want hier werden leugens verteld. Mevr. Tan onderbrak me en sprak me streng toe. Na de pleitnotitie heeft u geen recht om  te spreken zei ze fel.

Van der Ende toonde zich in  de zitting onbeschaamd en vol vertrouwen. Ik kreeg eerder de indruk dat zij vooraf wist dat alle klachten zouden  worden afgewezen. Als ze zich permitteren een goede nazorg  te hebben geleverd dan weet ik  dat bijna zeker.

In de hal wachtte ze me nog even op en zowel Blondeau als van der Ende keken triomfantelijk.

Uitspraak Regionaal Medisch Tuchtcollege dec. 2006

Alle klachten ongegrond verklaard.Motivatie met commentaar.

Het was onduidelijk of de lipodystrofie door de protease remmer of door stavudine werd veroorzaakt. Voor de trial was er nog te weinig bekend om daar iets over te hoeven zeggen.

Klager had zelf getekend voor lipodystrofie. Dat was een truc van de hoogste orde. Van Dissel wist  wel degelijk dat het stavudine was. Hij kende immers de trial gegevens van 48  weken. Hij wist ook  dat er doden waren door stavudine maar houdt daarover zijn mond. Het geheel wordt verzwegen en ik  zag daarin de reden waarom ik  de trialgegevens niet kreeg in te zien. Hij kon van der Ende zo behoeden voor een sanctie. Dat het ook nog eens in het dossier stond liet hij achterwege.

De gordelroos had mevr. van der Ende niet aan zien komen al  was het beter geweest direct op 5 april 2000 te behandelen wellicht was dan de gordelroos in  de generalisatie te voorkomen geweest. Het is maar zeldzaam dat dit gebeurt dus valt van der Ende niets te verwijten. De ernst van deze medische misser wordt gewoon van tafel geveegd. De categorie CDC 3 norm bleef onbesproken waarin staat dat dit verwacht kon worden.

Over de late start van de medicatie wordt geen mededeling gedaan. Geen woord dat er in het dossier geen sprake was van enige nazorg. Geen woord over de antidatering. De datum 30 maart werd aangehouden. Niet die van 3 april. De juiste. Ook dat ging  van tafel.

Van gordelroos is bekend dat na 4 dagen de ontstekingen vuriger worden. Bij mij klopte dat precies. Op 5 april in de middag was het zover. Wanneer ik op 30 maart de gordelroos zou hebben gekregen dan was die uitbarsting op 2 april zijn geweest. Tuchtrechter van Dissel had op grond van deze kennis kunnen bepalen dat antidatering in het spel was. Dat laat hij na.

Mevr.  van der Ende trof geen enkel tuchtrechtelijk verwijt.

Hier was niet gekozen voor de medische professionele maatstaven maar voor een arts die in alle opzichten werd beschermd.

Ik kreeg sterk de indruk dat ( wellicht samen  met van Dissel) was afgesproken  een verweer te schrijven wat bedoeld was om de klager in complete verwarring te brengen en zo de moed te ontnemen om ook maar op welk punt in te gaan.

Samen met de advocaat besloten we  in hoger beroep te gaan. Ik zou een second opinion gaan doen bij  Prof.Brinkman.

Juni 2007:

Mijn eerste poging Prof.Brinkman om advies te vragen was telefonisch. Ik vertelde de reden waarom ik dat verzoek deed voor een  opinie. Hij vertelde dat de NAVB consensus had over het gebruik van stavudine. Eind 1999 was iedereen het er over eens dat stavudine lipoatrofie en neuropathie veroorzaakt. Vol trots gaat hij verder dat hij  de eerste in de hele wereld was die dat had aangetoond en dat zijn hypothese was gepubliceerd in  NAVB consensus .En van der Ende wist  die dat ook? Ja. die wist  dat. Dan verteld hij  dat BMS dat ook wist maar stil  wilde houden. Het OLVG zou geen enkel onderzoek meer doen met stavudine en videx. Sterker nog. Alle patiënten waren eind 1999 al van de stavudine afgehaald. Dat was de juiste informatie.

Ik maak een afspraak met hem en beloof alle informatie zoals het verweer van v.d. Ende en de uitspraak van het R.M.T. persoonlijk langs te brengen.

De afspraak 2 feb. 2007

Dr. Brinkman laat er geen gras over groeien. Hij had alles doorgenomen en vindt de uitspraak van het RMT bevooroordeeld en zeker door van Dissel. Dat kwam overeen met mijn veronderstelling.

Vervolgens bekijkt hij het beeld van de armen, de benen en constateert een fors vetverlies.
Ook de ogen zijn nog steeds een kenmerk ondanks dat de wangen op gevuld zijn. Ik was duidelijk in  fase 3 terecht gekomen.

Omdat het I.C. zegt dat wanneer er schade is dit eventueel  vergoed kan worden vraag ik Brinkman een schade rapport op te stellen.  Daarmee moet ik  wel een civiele procedure starten omdat van der Ende weigerde een schade rapport op  te stellen en het ErasmusMC  niet toegankelijk was te delen in de behandelingskosten. Alle klachten waren ongegrond dus had men verder geen verantwoordelijkheid.. Inmiddels waren de kosten opgelopen tot 23.000 euro omdat de aquamid was gaan lopen en ontsteken. Alles moest er operatief worden uitgehaald en daar kwam biaoalcamid voor in de plaats. Ik was zo  goed als blut. Helaas ging ook dat later ontsteken en ook dat moest operatief worden verwijderd. Alles op eigen kosten omdat de zorgverzekeraar beide middelen niet in hun vergoedingenlijst hadden staan. Ik ben  nu gebonden aan tijdelijke injecties om me toonbaar te houden. Dat wordt niet vergoed omdat plastisch chirurgen in ziekenhuizen geen  DBC code voeren voor deze  behandeling. Klinieken mogen deze code niet gebruiken. De vele behandelingen vanwege de paradontitis worden tot nu  wel vergoed. Het ging wel ten koste van een implantaat.

Na het gesprek met Brinkman belde ik BMS in Woerden en kreeg  ik mevr. Been aan de lijn. Ik stelde vragen over de trial en of men eind 1999 wist dat stavudine lipoatrofie veroorzaakt. Ja, dat wisten ze maar de trial was al uitgezet. Wie moest ik hier verantwoordelijk voor stellen? Mevr. van der Ende zei ze. Wij kunnen niets voor u doen . U staat als nummer geregistreerd. U wordt verzocht contact op te nemen met mevr. van der Ende. Ik vroeg ook naar het  het cd4 van 40 bij aanvang van de trial. Dat was verboden zei ze. Ook daar was van der Ende verantwoordelijk voor. Een brief van BMS bevestigde dit telefoongesprek zonder de inhoud te vermelden. Hoe kwamen ze achter mijn adres als ik een nummer was? Er was natuurlijk contact geweest met van der Ende om vooral te zwijgen. Van der Ende zelf had mijn adres  gegeven. Doorzichtig was het wel.

Uiteraard heb ik  contact opgenomen met van der Ende via de mail maar er kwam geen antwoord. Er zou niet meer op mijn mails gereageerd worden nu  de zaak onder de tuchtrechter was.

Aangifte bij Medisch Officier van Justitie

Daarna heb ikaangifte gedaan bij  de Medisch Officier van Justitie mevr. van Eykelen. Dat werd serieus genomen. Ze zou  de onderste steen boven krijgen. Desnoods via deskundigen uit België.
Er moest nog een hoger beroep komen daar moest wel op gewacht worden. Als het vast stond  dat van der Ende de wet WMO had overschreden dan had ik  een zaak. Ik kreeg een duplicaat van het dossier mee en daarin zaten ook  de bewijsstukken  die ik had ingebracht. Wel was het zo  dat in febr. 2009 de zaak zou  verjaren omdat daar 6 jaar voorstaat. ( Omdat de trial in 2003 stopte.) Ik vroeg haar toch zelf een onderzoek te doen en de trialgegevens van 48 weken op te vragen. Want die wilde men niet geven. Dat deed ze niet.

Nog geen week later kreeg ik bericht van Justitie dat er nog geen datum was voor hoger beroep.

Nu wist het tuchtcollege  dat ik aangifte had gedaan. Ik vermoedde dat er een deskundige zou komen die deze zaak in de doofpot wilde stoppen. Ik wachtte de brief van Brinkman af.

Prof. Brinkman zou mij een brief sturen wat hij  van de hele zaak vond en daarin de kennis verwerken die er anno 1999 was. Ik vroeg hem als  deskundige in hoger beroep maar dat sloeg hij af omdat hij van der Ende als collega kon waarderen. Voor de civiele procedure was hij wel bereid.

Toch was ik tevreden over de verkregen informatie. Ik wilde de waarheid  over wat men met mijn lichaam precies had uitgevoerd. Ik  voelde me al  jaren vernederd , misleid en gebruikt door zowel Van der Ende als Padmos en nu had Brinkman de tegel op getild.

De brief die ik ontving was van een totaal andere orde dan wat er in het gesprek had plaats gevonden. Hij koos achteraf   voor van der Ende boven professie. Ik kon deze brief niet als bewijs van onprofessioneel gedrag van v.d. Ende tonen tijdens het hoger beroep. Weliswaar schreef hij  dat de lipoatrofie ernstig was en in fase 3 maar dat hij geen idee had wat de situatie was anno 2000 in het ErasmusMC. Hij zag van der Ende als een betrokken collega. Hij was dan wel de eerste die het verband aantoonde maar dat er nog geen consensus was. Over de rest van de behandeling wilde hij zich niet uitlaten . Over het Athena cohort geen woord. Ook niet over de Prometheus die hij had genoemd in zijn hypothese en zijn opmerking over de studie van St. Marc. Dat artikel zou ik later kopen via de site van de Lancet. Pas veel later ontdekte ik  een meeting van Brinkman en A. Carr
( Australië) in aug. 2000 op internet. Het ging over  zowel de laboratoriumuitslagen( in  vitro) van stavudine en het ontstaan  van lipoatrofie door verhoogd lactaat . Lipoatrofie met stavudine en videx  betekende een afname van onderhuids vet per ledemaat  2,9 kg… en bij  combivir  0,40 kg . Dit verschil betreft in verhouding  het gehele lichaam.  Dat was onderzocht door  wetenschapper Nolan die ook zijn inbreng had.

Er waren onderzoekers over de gehele wereld bij aanwezig. De lunch  was verzorgd  en betaald door BMS.  Het was aantoonbaar dat BMS precies wist  hoe het met hun medicijnen  midden 2000  gesteld was en een bevestiging van wat ze al wisten plus dat de publicatie van Carr uit  jan. 2000  100% betrouwbaar was. De hypothese van Brinkman werd wereldwijd gedeeld.

De trial stoppen deed BMS niet. Zelfs geen waarschuwing.

Hoger beroep bij Centraal Medisch Tuchtcollege

Hoger beroep zou drie jaar op zich laten wachten. Er was steeds sprake van uitstel en uiteindelijk  kwam het bericht dat de heer Prins uit het AMC als deskundige zou optreden. Dat wezen we af omdat deze arts al bij  een second opinion zich op  de vlakte had gehouden. Ook het ErasmusMC wees dit af. Er moest een andere deskundige komen en wij raadde  Prof. Peter Reiss aan. Het ErasmusMC dr. Kroon uit  het LUMC. Maar daar had de  J.van Dissel praktijk en was tuchtrechter geweest in de eerste lijn. Dat wezen wij af. Ook dat leek mij doorgestoken kaart.

Na maanden kwam  het bericht dat de Heer H.G. Sprenger, internist in het UMCG als deskundige zou optreden. Zijn deskundigenverslag zou lang op zich  wachten. Ook al staat er een tijd voor dat hij dit verslag moet indienen. Het college legde geen druk op hem.

De vragen die door het CMT aan hem  hem gesteld werden:

Bestond er anno 2000 een combinatie therapie die minder dan gemiddeld lipodystrofie veroorzaakt?

Was het verantwoord de gordelroos bij eencd4 van 106  niet te behandelen op 5 april?

Dat waren de vragen van het Centraal Medisch  Tuchtcollege.

Omdat wij ook vragen mochten stellen kwamen  er nog twee bij.  De eerste vraag was of uitstel van behandeling bij een cd4 van 160  verantwoord was gezien de richtlijnen en of  het verantwoord was een nog niet bewezen effectieve  behandeling  te starten met een cd4 van 40?

De heer Sprenger doet uitgebreid verslag:

In het kort:

In 2000 was het palet aan oorzaken van lipodystrofie nog onduidelijk en omdat patiënten ook met azt waren behandeld  wist men  niet  welk medicijn precies de oorzaak was. Er waren wel studies maar deze waren kort van opzet. Hij noemt St. Marc ( 1999) die in de referenties staat van de richtlijnen 2000  maar wees deze af.  Dan een studie van A.Carr jan.2000 gepubliceerd in de Lancet waarbij stavudine als enige oorzaak wordt genoemd. Ook deze wees Sprenger af. Onderzoeken werden vaak gehinderd door een gebrek  aan definitie.

Wel vond hij  de bijwerkingen ontsierend.

Pas midden 2002 was het duidelijker dat stavudine wel eens de oorzaak zou kunnen zijn.

Hij laat de richtlijnen volledig buiten beschouwing. Hij eindigt dit punt met te beweren dat rond 2000 en 2001 stavudine de meeste gegeven medicatie was. Dat kon hij niet aantonen

Hij  noemt geen enkele therapie die wel veilig was.

Dan over de gordelroos:

Er bestond geen duidelijke richtlijn  wanneer de gordelroos behandeld zou moeten worden. Dat kon binnen 2 of 7 dagen. Maar beter was het geweest te behandelen op 5 april.  Als de korstjes nog niet waren op gedroogd dan was het nog mogelijk een behandeling in te zetten.

Volgens Sprenger bestond er geen bewijs om eerder met de medicatie te starten. Hij schrijft niets  over de CDC 3 kwalificatie en de risico’s die in de richtlijnen verwerkt zijn.

Hij vond het verantwoord een trial  te starten met een cd4 van 40. Volgens hem was er geen sprake van een aids diagnose en kon hij gewoon meedoen. Wel had hij zelf tussentijds een bepaling gedaan en zou dan het cd4 b.v. 90 zijn dan zou er  druk op de patiënt gezet moeten worden om alsnog met medicatie te starten. Maar dat is ook  een zaak van klinische inschatting van de patiënt voor de dokter. ( Alsof ik de medicatie weigerde)

Verder schreef hij  dat abacavir pas in 2000 werd geregistreerd.

Kortom mijn wantrouwen was onverminderd.

Ingezonden stukken van onze kant: Publicatie St. Marc 1999, A. Carr jan.2000 beiden wetenschappelijk geaccepteerd. Wederom weer de aandacht voor de richtlijnen die in geen enkel verband werden gebracht met de klachten etc. Ook dat ik contact had gehad met BMS en men wist dat de trial risico’s inhield. Het gesprek met Brinkman etc. En dat abacavir in 1998 was geregistreerd.

In de hal van de rechtbank zag ik Mevr. van der Ende, mevr. Blondeau en de heer Sprenger samen. Hij toonde niet eens de discretie zich als deskundige afzijdig te houden van de aangeklaagde arts.

Dat was punt een.

De heer Sprenger kwam met onzekere passen de rechtszaal in.  Mijn eerste gedachte was: Deze onzekerheid past niet bij een deskundige. Ik wantrouwde de sfeer. Dat was twee.

De zitting:

Voorzitter: de hr Mr R.A.  Torrenga, mede- geneesheer en tuchtrechter de heer A. C.G. Bauer uit het Havenziekenhuis Rotterdam. De overige mede – geneesheren en de juriste zwegen.

Als deskundige in een tuchtzaak moet men altijd de eed afleggen. Dat weigerde de heer Sprenger. Torringa liet hem  gewoon zitten in plaats toch op te staan en twee vingers in de lucht te houden met de zin  dat ik de waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen.

Dan wordt het gelofte reageerde de voorzitter.

Nadat  de advocaat het aantal klachten en de nodige bewijzen opsomde en dat wij alsnog de trialgegevens wilde inzien  was het de beurt aan de heer Sprenger.

Tuchtrechter Bauer begon meteen met het onderzoek van St. Marc. Wat de heer Sprenger daarvan vond? Sprenger antwoordde dat deze onderzoeker een “ziener “was.  Bauer keek hem tevreden aan. Blondeau echter keek verschrikt op. Haar ogen verraadde dat hier een spel gespeeld werd. Zo’n onbenullig antwoord had ze niet verwacht.

Mijn advocaat reageerde met “een ziener” ? Wordt een wetenschappelijk onderzoek in het occulte getrokken?  We gaven een rits van onderzoeken aan en dat in Nederland zelfs uit 1997 bleek dat binnen een onderzoek met stavudine 84% ook daadwerkelijk lipoatrofie had gekregen. Marc van der Valk had daar een stuk over geschreven en de hypothese van Brinkman gevolgd. Die hypothese hadden we ook aangeleverd waar St. Marc in was geciteerd.

De heer Bauer reageerde  niet waarop ik het in het kort herhaalde. Hij keek me dreigend aan en zei dat ik niet in herhalingen moest vallen. Hij bleef steken in intimiderend gedrag. Zeker toen ik het gesprek met Brinkman en mevr.  Been aanhaalde en dat er een Prometheus studie bestaat zoals in de hypothese genoemd wordt en waaruit bleek dat die studie concludeerde dat stavudine lipoatrofie veroorzaakt en zelfs dodelijk. Ik had op  tijd medicatie moeten krijgen en dan combivir en viramune dan had ik hier niet gezeten.

Mijn advocaat vroeg de voorzitter te vragen of de heer Bauer een beetje kon kalmeren.
Dat werd niet gedaan. Van der Ende verschool  zich  achter mevr. Blondeau en ik kon haar reacties nauwelijks peilen.

Er  werd niet op doorgegaan en er werd ook geen vraag gesteld aan van der Ende. Alleen aan de heer Sprenger. De richtlijnen kwamen  aanbod   en noemde nog eens het lage cd4 bij aanvang van de medicatie en het risico van stavudine. Sprenger draaide er omheen en we konden er  geen wijs uit wat hij  allemaal naar voren bracht.

Ik kreeg stellig de indruk dat hij wist dat hij  de waarheid moest verhullen. Hij vond wel dat de gordelroos behandeld had moeten worden. Dat gaf hem  nog een zweem van betrouwbaarheid.

We brachten nog eens het feit naar voren dat het AMC deze trial had geweigerd en waarom.

We hadden de  mail  van Joep Lange meegestuurd. Bauer boog zich over de desk, voorbij  de microfoon en vroeg op  zachte toon aan van der Ende hoe dat zat. Dat antwoord verstond ik niet  dus ik vroeg het aan de voorzitter. Hij had het wel verstaan.

We vroegen om de trialgegevens  die wederom geweigerd werden. Ik had het dossier en dat was genoeg. Alsof dat hetzelfde is. Bewijs achterhouden bleek een sterk punt van deze tuchtrechter.

De antidatering is er door de consternatie bij in geschoten hoewel dat een zaak van de voorzitter was.

Als laatste punt hadden we abacavir. Waarom Sprenger schreef dat dit in 2000 was geregistreerd. Dat was 1998.  Hij keek ons niet meer aan en gaf er geen antwoord op.

De voorzitter was snel genoeg om de zaak af te leiden.

Kortom: Het was een zitting waar je haren van overeind gingen  staan.

Zelfs mevr. Blondeau liet haar pleitnotie voor wat die was. Het geheel  was niet meer dan doorgestoken kaart. Een herhaling van wat ik  al had meegemaakt.

Hoe weerzinwekkend het was een volwassen man, een deskundige te zien liegen onder ede, verkrampt in de afspraak die hij met van der Ende had gemaakt.

Dat was wat ik aan  deze zitting over hield.

Na de zitting was ik compleet gemangeld omdat ik het gevoel had niet serieus te zijn genomen en dat mij nog een paar geestelijke tikken waren uitgedeeld.

Voorzitter Torrenga zei ooit in een interview dat het altijd  in  tuchtzaken om de menselijke maat gaat. Dat een tuchtzaak ook gaat om verwerking van wat patiënten hebben ondergaan. Het gaat erom of de aangeklaagde arts gehandeld heeft wat men van een bekwaam arts mag verwachten. Het gaat niet om  genoegdoening van de klager en voor een schadeclaim moesten ze bij  de civiele rechter zijn. Het tegendeel bewees  deze zitting.  Maar wat als een aangeklaagde arts  willens en wetens de hand boven het hoofd gehouden wordt? Wanneer klachten ongegrond worden verklaard is het vrijwel onmogelijk een civiele procedure te starten om eventuele schade vergoed te krijgen.

Uitspraak feb. 2009: Beslissingszaak 2007/53 terug te vinden op tuchtrecht anders onder zoeken op hiv of gordelroos in de generalisatie.Op basis van het deskundigenverslag van de heer Sprenger verwerpt het  Centraal Tuchtcollege het hoger beroep.

In feite kregen we de uitspraak van het RMT die ik al kende  zonder procesverbaal van de zitting.

Ze hadden bewust het proces verbaal achter gehouden omdat dan de meineed van Sprenger op schrift zou staan. De waarheid vertelde hij niet. Iedere  hiv behandelaar zou kunnen lezen dat deze deskundige een onprofessioneel   deskundigenverslag had afgeleverd. De stand van de wetenschap nauwelijks had benaderd.

Dat betekende ook  dat er geen strafrechtelijk onderzoek  zou komen.  De zaak werd geseponeerd.
Ik vroeg mevr. van Eykelen de zaak te stuiten omdat ik Sprenger van meineed verdenk en hem daarvoor zal aanklagen bij het R.M.T. te Groningen. Dat  werd geweigerd.

Ineens was ik niet meer zo overtuigd van haar intenties deze zaak aan te pakken. Ik vertelde dat ik van der Ende regelmatig voorbij zag gaan, ze woont in mijn wijk,  waarop ik wat de officier betreft een steen door haar ruit mocht gooien. Dat zou  ze wel seponeren. Toen brak mijn klomp.

Achtergrond tuchtrechters

Toch liet ik  de zaak niet los.

Ik zocht verder op Van Dissel, Sprenger,  en de connectie Bauer en het Havenziekenhuis met het ErasmusMC. Waren er connecties en was men echt zo partijdig?

Daar kwam veel informatie uit.

De kennis die ik verzamelde:

Van Dissel was samen met Ab Osterhaus vaak samen op t.v.  te zien tijdens de Mexicaanse griep. Ab  Osterhaus was de promotor van het proefschrift van v.d. Ende over het HIV virus 2 waarop ze in april 2000 promoveerde. Daarnaast was de collega van v. Dissel de heer Kroon lid van de NAVB en ik zag hem regelmatig terug met van der Ende op  foto’s tijdens Aidsdag in  Carré evenals met de heer Prins. De heer Kroon schreef in 1999 in het maandblad van het LUMC over lipoatrofie en in  een kader wordt de laboratoriumformule van mithochondriale toxiteit getoond. Hij  schreef erbij  dat die medicijnen niet meer verstrekt werden in het LUMC. Dat betekent dat men zeker wist,  dus ook  van Dissel, dat men op  de hoogte was wat de meeste veilige medicijnen waren.

Ik ontdekte een onderzoek van v. Dissel  van 1997-2000 waarin hij het verband legt tussen het lage cd4 en tuberculose en gordelroos in de generalisatie bij aids patiënten . Er waren 9 patiënten uit drie ziekenhuizen die door deze laatste fase van gordelroos geveld waren. Terwijl hij als tuchtrechter vertelde dat het maar zelden voorkwam.

Van Dissel trad in 2000 als commissielid aan bij het CBG. Daar hadden ze alle informatie over stavudine en zij hadden ook  de trial gegevens van BMS van 48 en 96 weken. BMS was verplicht dit aan hen te laten weten om later de nieuwe protease remmer te kunnen registreren.

Van Dissel had  als tuchtrechter ( sinds 2005)  de plicht zijn kennis op alle punten in moeten brengen. Zijn collega schreef mij immers dat  stavudine als dodelijk en met  de bijwerkingen lipoatrofie en neuropathie  niet meer als eerste lijn medicijn gekwalificeerd was.

Gegevens uit het  Athena cohort LUMC

Het LUMC deed mee met 101 patiënten. Als dan blijkt dat in 1998  3% van het toaal 1953 patiënten door resistentie op stavudine staat dan had 97% in 1998 in het LUMC de betere medicijnen. Ook werd er correct gehandeld naar de CDC normen. Ze hebben niet meegedaan met de Prometheus studie. Dr. Kroon vond het verder van belang dat patiënten snel op medicatie gingen liefst direct bij  eencd4 van 350. Dat was het beleid in het LUMC.

Ik kom  tot de conclusie dat de heer van Dissel zijn taken als tuchtrechter op alle punten  verzaakt had. Hij bepaalde dat van der Ende er zonder kleerscheuren mee weg zou komen.  Dat zij elke norm die alle 22  Hiv centra hanteerde had overschreden daar repte hij niet over. Het in acht nemen van de wet WGBO en MWO werden niet getoetst naar de stand van de medische wetenschap. De integriteit van de heer van Dissel kan men in twijfel trekken.

Het wil niet zeggen, al was dit een dwarsverband, dat van Dissel ingesproken is door genoemde personen  om  de zaak ongegrond te verklaren dat had ook de heer Bauer kunnen zijn geweest. Alle tuchtrechters kennen elkaar.

De achtergrond van de heer  A.C.G.Bauer:

Het was mij niet bekend maar in 2005 werd het Havenziekenhuis een dochteronderneming  van het ErasmusMC. In 2007 werd het Havenziekenhuis  bij het ErasmusMC ondergebracht. De decaan de heer H.  Pols was in die tijd dat de trial liep afdelingshoofd van inwendige geneeskunde waar van der Ende praktijk hield. Pols werd in 2007 commissaris van het Havenziekenhuis en betrokken bij het Bestuur van het ErasmusMC. Er was dus alles aangelegen onregelmatigheden op zijn afdeling als ongegrond verklaard te zien. Hij was zich bewust van de zwaarte van de aanklachten  en de wetten die daarmee samenhangen. Ik zou het sterken vermoeden kunnen hebben dat zowel van der Ende als Pols Bauer vooraf  hebben ingesproken. Sancties waren zeer ongewenst.

De heer Bauer en van der Ende bezochten samen  in 2008 de internistendagen van het ErasmusMC. Een jaar later zou hij als tuchtrechter tegenover haar zitten. Ze kenden elkaar zeer goed en volgens een medicus die bekend was met het ErasmusMC waren Bauer en van der Ende ook  bevriend. De KNMG stelt als regel dat een tuchtrechter geen banden met de aangeklaagde arts mag hebben. Dat was wel het geval. Het College zelf volgt de regels niet op die hen opgelegd zijn.

Deze   tuchtrechter   was haar directe collega. En dat was voelbaar tijdens de zitting. Geen greintje integriteit kon ik in deze zaak ontdekken. Voor mij stond vast dat de klachten al bij voorbaat ongegrond waren verklaard. Ik zag de notuliste  ook nauwelijks schrijven.

De juiste  kennis  van  de heer Sprenger:

In de Zembla uitzending over het Athena cohort van 2001 zie ik  Sprenger samen in gesprek met van der Ende. Dat zou het bewijs zijn dat hij haar kende.

Het Athena cohort en het UMCG

Het UMCG deed mee met 146 patiënten. Een zelfde rekensom als  het LUMC kan ik hier op los laten. En ook  daar worden  de CDC normen keurig aangehouden. Dat betekent boven de 200cd4 norm. Stavudine en videx werd ook daar in de eerste lijn niet meer voorgeschreven. Wat schrijft echter de heer Sprenger in zijn deskundigenverslag ? Stavudine was de meest gegeven medicijn in 2000-2001. Dat gebeurde zelfs niet in zijn eigen praktijk. Er was geen bewijs om bij een cd4 van 200 direkt te behandelen. Dat gebeurde wel.

De heer Sprenger heeft ook meegedaan aan de Prometheus studie. Hij wist dus wel degelijk dat zonder een palet van mogelijkheden stavudine de oorzaak was van lipoatrofie. Daarom noemde hij  dit Athenacohort en de Prometheus studie niet in zijn deskundigenverslag. Dat was bewust.

De KNMG stelt dat een deskundige in  een tuchtzaak   geen enkele  band mag  hebben met de aangeklaagde arts  en niets dan de waarheid moet vertellen met inhoudelijke argumentatie.

Dat ontbrak. Vast staat dat hiv behandelaren elkaar kennen.

Echter, wanneer  je als deskundige optreedt dan moet men deugdelijke en onderbouwde argumenten aanvoeren en de juiste stand van de medische kennis verdedigen. Dat is de kerntaak van een deskundige.

Mijn beeld was compleet. Erkenning van de klachten die waren ingediend, erkenning dat van der Ende met opzet patiënten had verminkt wegens een commercieel belang van de farmaceut BMS moest hoe dan ook achterwege blijven. Het imago van het ErasmusMC en dat van v.d. Ende moest ongeschonden blijven.

Ik ben ervan overtuigd dat van der Ende zelf Sprenger heeft gevraagd voor haar een gunstig verslag te schrijven. Via Bauer zou hij  dan als deskundige worden opgeroepen in de Tuchtzaak. Zo konden ze ook voorkomen dat zij  strafrechtelijk zou  worden vervolgd.

In een hoger beroep wordt in algemene zin  een hoogleraar gevraagd  als deskundige.  In dit geval had dit Prof. Lange moeten zijn omdat hij als hoofd van het Athenacohort en hij spreekbuis was  naar de media over de ontwikkelingen rond aids en hiv. Hij was de enige die daarvoor in aanmerking zou kunnen komen. Dat laat het tuchtcollege na.

Vermoedelijke reconstructie rond de keuze van Sprenger als deskundige:

Alleen van der Ende wist dat ik bij dr. Prins was geweest. Dat kan niet anders. Ik vermoed dat het zo  gegaan is. Van der Ende bespreekt met Bauer eerst dr. Prins als deskundige op te roepen.

Ze schatten in dat ik  dat zal verwerpen en dat zouden zij ook  doen omdat ik bij Prins een second opinion had gedaan. Dat betekent een uitstel van meer dan een jaar.

De heer Prins wordt  opgeroepen  en afgewezen. Nu krijgt Sprenger alle ruimte om een deskundigenverslag te schrijven. Hij zal dan regelmatig uitstel  vragen. De zaak dient dan pas in 2009.

De uitspraak komt precies op  de datum dat de zaak voor justitie verlopen is. De kans zou er zijn dat ik sterk bewijsmateriaal zou vinden en dan zou een strafrechtelijk onderzoek er als nog komen.

Het hoger beroep werd verworpen.

Maar was het gegrond?

 

Het Athena cohort en het ErasmusMC ( voorheen Dijkzigt)

Het ErasmusMC deed mee met het Athenacohort met  een aantal van 314 patiënten.  Men houdt zich keurig aan de CDC normen en ook daar wordt geen stavudine meer voorgeschreven.

Een bevestiging hiervan is ook dat van der Ende een aantal publicaties in 2000 en 2001  deed waarin een HPV infectie van patiënten centraal staat en wordt  ook hun medicatie benoemd. Dat waren rond 2000 combivir en viramune en vanaf 2001 viread, epivir en viramune. In een apart artikel over een patiënt met problemen wordt stavudine pas in de derde lijn voorgeschreven. Daarbij  wordt vermeld dat het  lactaat moet worden gecontroleerd. De GGD had vanaf 2000 elk jaar 60 aanmeldingen gedaan  bij het ErasmusMC en geen van allen kregen stavudine en videx voorgeschreven.

Het ErasmusMC heeft ook meegedaan aan de Prometheus studie. Twee internisten zelfs. Van der Ende en dr. Nouwen. Eind 1999 hadden ze dus dezelfde informatie over stavudine als welk ander hiv centrum in Nederland dan ook.

De kennis van de  heer Prins ( second opinion)  uit het AMC die zijn second opinion gaf  en S.Danner als deskundige:

 

Het Athena cohort en het AMC

Het Athencohort schrijft dat in het AMC  609 patiënten meededen. Ook daar weer hetzelfde. Het behandelbeleid  in 1999 is precies  zoals men had afgesproken en ook  daar geen stavudine en videx meer. De Prometheus studie werd door een internist van het AMC opgezet. Men had dus alle kennis.

Conclusie : De heer Prins heeft geweigerd tijdens een second opinion de juiste informatie te verschaffen.

Allen die betrokken zijn in  dit  proces hadden  tegen beter weten in  onjuiste informatie verstrekt.

Ze werkten indirect  mee aan het commercieel belang van de farmaceut en waren de patiënten ondergeschikt en namen onbewust  deel aan een experiment. Met alle gevolgen die daarbij kwamen. De beroepsregels voor een arts,  de WGBO,  zijn met voeten getreden inclusief de wet WMO.

Daar zweeg men bewust over.

In het dossier staat dat ik pas in 2002 ben aangemeld bij Hiv Monitoring. Dat betekent dat van der Ende deze trialdeelnemers buiten het Athenacohort had gehouden. Dat was ze wel verplicht( er was voor betaald en om de betrouwbaarheid vast te houden) aan minister Borst en de eisen die de  NVAB stelden.  Bij aanmelding dient altijd de status van de infectie , het cd4 aantal en de medicijnen die voorgeschreven  worden geregistreerd.

Niemand stond meer op stavudine dus dat kon  van der Ende  niet doorgeven aan Prof.Lange die hoofdonderzoeker was. Ik kom tot de conclusie dat deze trial buiten medeweten van het Athena cohort heeft plaats gevonden. Daarmee pleegt van der Ende  fraude en worden de data van de trialdeelnemers niet meegerekend. In de periode dat  stavudine dodelijk bleek kon men elke patiënt terug vinden die nog op  stavudine stond en ze werden aangeraden op een ander medicijn te gaan. Daar bleven wij  buiten, we waren niet te traceren en van der Ende zweeg. Pas na het Athena cohort werd ik aangemeld bij  opvolger Hiv monitoring waar het niet meer verplicht was om de medicijnen te melden die voorgeschreven werden. Ook dat lijkt mij  een bewuste actie van v.d. Ende. Men wordt niet 2x aangemeld.

 

Regionaal Medisch Tuchtcollege Groningen

Ik besluit de heer Sprenger aan te klagen wegens meineed.

Met alle informatie die ik nu heb wordt dit naar het RMT te Groningen verzonden.

Mijn aanklacht wordt ontvankelijk verklaard en er komt een zitting in dec.2010.

Het verweer van de heer Sprenger is dat hij niet opgeroepen  kan worden omdat hij als deskundige geen bemoeienis heeft gehad met mijn behandelingsperiode. Hij blijft verder bij  de standpunten die hij in zijn deskundigenverslag heeft opgetekend.

Van het RMT krijg ik bericht dat Prof. S.Danner als deskundige zal worden opgeroepen. Ik vraag of hij dan een deskundigenverslag wil afgeven zodat ik me voldoende kan voorbereiden. Dat weigert het RMT. Danner zal  mondeling zijn bevindingen doen.

De zitting dec. 2010

Zonder advocaaat  want die reserveerde ik voor de civiele procedure. Ik moest me sterk houden met de gegevens die ik had. Die waren niet te ontkennen.

Voorzitter is de heer H.L.C.  Hermans. De mede- geneesheren zijn luisteraars en hebben geen kennis van de hiv behandeling.

De heer Danner legt correct de eed af.

Alles verloopt via de voorzitter en Sven Danner:

De vragen die het CMT al eerder aan Sprenger had voorgelegd  worden nu aan Danner gesteld.

Danner zegt dat stavudine nog gewoon in 2000  gegeven werd. Er was geen reden omdat niet te doen. Pas in 2001-2002 kwam er omslag en pas in 2003 werd er minder stavudine voorgeschreven. mocht er alsnog lipoatrofie optreden dan kon men over op andere medicijnen maar legt  geen verband met mijn klacht.

Dat is compleet in tegenstelling over wat het Athenacohort waaraan Danner ook heeft meegewerkt en daarover gepubliceerd heeft. Danner pleegt hiermee meineed.

Ik noem de exacte cijfers en dat vanaf 1998 nog maar 3% op  stavudine stond door resistentie. Ik haal de uitgave van het Athena cohort naar voren en som alle feiten op. In 2003 staan nog zes patiënten op stavudine omdat er steeds minder resistentie voorkomt door betere medicijnen en het aantal patiënten is inmiddels opgelopen tot 3000. Ook zeg ik dat daar de richtlijnen van 2000 op zijn gebaseerd. Danner  zegt enkel dat hij  zich  dat niet meer kan herinneren. Ik noem de Prometheus  studie waaraan hij  zelf als promotor had meegewerkt. Deze studie was volgens hem pas in  2001 verschenen dat was later dan de startdatum  van de trial . De analyse van de Prometheus studie was afgerond in juni 2000. En iedere onderzoeker kende de conclusies. Danner zweeg.

Niet dat deze studie al in  2000 in Toronto was gepresenteerd en als voortschrijdend inzicht bepalend is geweest. Ook niet dat in sept.2000 patiënten waren geadviseerd te stoppen met stavudine vanwege de bijwerkingen of hadden dat al gedaan.

Ik vraag hem waarom het AMC de trial geweigerd  had. Hij vertelde dat hij  er toen al niet meer werkte dus daar wist hij niets vanaf. Ik geloofde er niets van. Ik had vooraf gegoogled en wist zo’n beetje zijn achtergrond. Ik wist zeker dat hij in 2000 nog in het AMC werkte.

Dan komt het lage cd4 weer aan bod en het verband met gordelroos in de generalisatie. Danner spreekt zich niet uit maar vindt het spijtig dat dit mij is overkomen. Hij legt geen verband met de CDC3 normen.

Hij spreekt Sprenger dan ook op geen enkel punt tegen. Hij vond  het zelfs  verantwoord  met eencd4 van 40  aan een nog niet bewezen therapie te beginnen.

Ach, een protease remmer is altijd sterk dus dat was wel  verantwoord. Hij verzwijgt dat vele protease remmers in trials het niet hebben gehaald en dit ook binnen deze trial had kunnen gebeuren. Hij beschouwde deze trial als gelijkwaardig aan bestaande therapieën.

Dan haal ik  de trialgegevens te voorschijn en noem alle gegevens op. Dat ik niet geïncludeerd had mogen worden, dat ik niet gewaarschuwd was voor lipoatrofie en dat er zelfs patiënten overleden waren. Dat de 200 gram niet effectief bleek en dat ik  die ook had kunnen krijgen.

Danner zegt daarop  dat ik  gewaarschuwd had moeten worden.

De voorzitter was hier niet op bedacht omdat ik  de trialgegevens terplekke  presenteerde. Hij vraagt hierna Danner de zaal te verlaten , bedankt hem en zegt er achteraan dat hij  dan op tijd voor de trein  is. Overigens zonder aan  mij  te vragen of ik nog vragen had zoals een voorzitter behoort te doen. Er ontstond een vreemde sfeer temeer om dat er 40 co-assistenten in de zaal zaten die een medische  tuchtzaak mee wilde maken. De voorzitter was zichtbaar onrustig en wilde het er bij laten. Ook in deze zitting voelde het als “door gestoken kaart”.

Er was nog een half uur te gaan. De advocaat van Sprenger komt met allerlei beweegredenen en blijft stellen dat Sprenger de waarheid sprak.

Dan zegt Sprenger dat hij gevraagd werd als deskundige omdat hij van der Ende niet kende en de hiv behandelaren in het westen wel . Hij kende van der Ende wel degelijk. Toch zeker door de NAVB en  de Prometheus studie.

Ik wilde  verder gaan met het Athenacohort maar dat verbiedt de voorzitter.

Ik besluit met de woorden dat zowel Sprenger als Danner geen antwoord hadden gegeven op vraag A. De beste medicijnen en zonder de ernstige bijwerkingen zijn niet genoemd. Ik krijg bijval van een mede- geneesheer uit de commissie. Dan ontstaat er paniek bij Sprenger. Het wordt  snel over genomen door zijn advocaat met een afleidingsmanoevre en gooit het op  de METC van het ErasmusMC die de trial had goedgekeurd. Een duidelijk antwoord bleef uit.

De voorzitter sluit voortijdig de zitting met de uitspraak dat er in zijn hele geschiedenis als voorzitter van het tuchtcollege nog nooit een patiënt is geweest die zoveel informatie had verzameld en ingeleverd. Opmerkelijk vond ik het wel maar hij verraadde daarmee zich zelf. Juist door deze informatie werd Danner uitgenodigd en zijn woorden wogen zwaarder dan de hardste statistieken. Zo lagen de feiten. De heer Hermans had een opdracht vanuit den Haag Sprenger uit de gevarenzone te houden. Dat was mijn inschatting.

Uitspraak op  15 febr. 2011. Beslissingszaak nr.G2009/65

Alle klachten over meineed werden ongegrond verklaard en de uitspraken van Danner waren voldoende omdat te bevestigen.

De trialgegevens werden in het proces verbaal weggelaten. Evenals de gegevens van het Athenacohort. Het achterhouden van bewijsstukken in een tuchtzaak is een misdaad.

Daarna bekijk ik wat S. Danner aan wetenschappelijks had gepubliceerd. Ten eerste is Danner gepromoveerd op zijn onderzoek de hiv  therapie zo vroeg mogelijk te starten om erger te voorkomen en de schade aan het immuunsysteem te beperken.

Dat hij accepteerde  dat ik met een cd4 van 160 nog 3 maanden moest wachten op  de medicatie tot eencd4 van 40 en dan nog in een experimentele fase  vond hij in de zaak van der Ende acceptabel. Dat is compleet tegen zijn wetenschappelijke  principes en tegen de richtlijnen in.

Verder was Danner voorzitter van de NAVB die in 1999 de nieuwe richtlijnen opstelde. Deze moesten een kwalitatieve behandeling garanderen.

Danner had in april 2000 als  commmisielid zitting bij  de  beoordeling van het proefschrift van v.d. Ende van het Hiv 2 virus.

Danner werkte ten tijde dat de trial geweigerd werd in het AMC. Pas in okt.2001 vertrok  hij naar het VU. De gegevens van het Athenacohort hadden ook betrekking op zijn ziekenhuis.

Danner had samen de publicatie met het ErasmusMC verzorgd over de “Four fatal  cases van sept 2000. Daar zei hij geen woord over in de tuchtaak tegen Sprenger en dat er in die periode patiënten van de stavudine werden gehaald als dat kon.

Danner was samen betrokken met van der Ende bij het overhandigen van het Athena cohort aan minister Borst in sept. 2001. Hij kende de gegevens. Danner was gespreksleider en o.a. van der Ende legde de gegevens van het Athenacohort uit.

Danner en van der Ende gaven samen een interview in het dagblad Trouw 2007:
Hiv patiënten kwamen voor zichzelf op:

Danner vertelt:  Patiënten kwamen voor zichzelf op. In vergelijking met andere patiënten hielden aidspatiënten alles bij. Je kon ze niet  zomaar  iets voorschrijven  Dat moest je beargumenteren. Daar moesten  artsen aan wennen. Mijn commentaar: Dan had van der Ende een makkie om mij zo  de trial  in te loodsen. Zonder kennis gehinderd en de wet WMO was opzij gezet.

Van der Ende vertelt: Patiënten namen een voorschot op  de mogelijke stigmatisering door hiv. Daarom houden ze hun mond.

Mijn commentaar.

Klachten over u kwamen nooit in de openbaarheid omdat patiënten  een probleem hadden met het openbaar maken van hiv.

Slechts een patiënt had dat  gedaan via zijn site.

Door  de trial aan te nemen en stavudine te geven stigmatiseerde  u uw eigen  patiënten door  lipoatrofie. Men hoefde niet te zwijgen over hiv men zag het al op afstand.

En dat was zeer frustrerend. U gaf ons wat dat betreft de jodenster. We werden door u  gebrandmerkt. In Beieren hadden ze het onzalige idee hiv patiënten te tatoeëren. Ziet u de overeenkomst? Ik schrijf in meervoud want ik  was niet de enige.

Van der Ende zegt ook dat het leven met hiv goed te doen is.
Ze miste  wel de compassie die ze  vroeger zo beleefde.
Mijn commentaar:

Mevr van der Ende, u bent de eerste die geen compassie,  geen empathie toonde met hiv-patiënten. U heeft geen enkel mededogen getoond tijdens de verschrikkelijke behandeling die u patiënten liet ondergaan.

Tegen beter weten in onthield u de patiënten de betere medicijnen.
U liet medicijnen slikken die dodelijk en verminkend waren. U vond het financieel gewin belangrijker. U was bewust van wat u  deed.
Niets is zo vernederend wanneer patiënten afhankelijk zijn van een betrouwbare arts waarvan men uit gaat dat die hen het beste zal geven om het chronisch karakter van de infectie te verzachten. Hen misbruikt voor commercieel belang.
U maakte ons zieker, ongelukkiger en wanhopiger  wat rondom  deze ziekte al zo heeft gespeeld en waar u ook getuige van was geweest.
Terwijl  er een opwaartse kwaliteit van leven kwam voor hiv-patiënten   door betere medicijnen werd ons leven  ontdaan van elke kwaliteit en kwamen we in een neerwaartse spiraal terecht. U ontbrak het aan moreel kompas.
U sprak over “onveilige sexuele contacten in mijn proces tegen u ” In de gehele  periode dat ik u met u  te maken heb gehad was  u  de enige  onveilige factor. Het schenden van de lichamelijke integriteit voorop. Al had het  ook mijn  dood kunnen betekenen.
U stond oog in oog met de toenmalige minister Borst maar u had haar wet, zo zorgvuldig ingevoerd om patiënten te beschermen tegen artsen die farmaceuten graag van dienst  waren, uit winstbejag genegeerd.
Zelfs voldeed u niet aan haar eisen van het Athenacohort. Dat toont aan hoe ver u kunt gaan.
U had het allemaal kunnen voorkomen maar uw macht was pervers. Misschien had u  daar plezier in. Dat is me in deze processen nooit duidelijk geworden. U deed het met opzet. Dat is wat ik u  verwijt. Uw arrogantie na de ongegrond verklaring door de  klachtencommissie liet geen spijt zien.
Toen ik psychische hulp zocht om mijn woede te kanaliseren en  mijn leven nog enigszins vorm te geven zei de psychiater, die u kent, dat u een zwakke gewetensfunctie heeft.
Mevr van der Ende deze psychiater had het misschien niet mogen zeggen maar vond  dat het moest om mij de erkenning te geven altijd behandeld te zijn geweest door een foute arts. Ik heb het uitgezocht en deze psychiater had volkomen  gelijk. Uw geweten als arts functioneerde niet.
U handelde onrechtmatig. Dat valt onder witte jassen-criminaliteit.

Danner zou in dit proces zijn collega niet verlinken.
Dat hem dit zijn integriteit kost heeft  hij  er blijkbaar voor over.

Tot nu  toe was van der Ende en Sprenger gedekt  door prof. S. Danner.

 

Centraal Medisch Tuchtcollege

Nu moest ik  hoger beroep in stellen.

In die periode speelde ook de civiele procedure.

Brinkman had mij  beloofd wel mee te werken als er een civiele procedure zou komen. In zijn brief van 2009  stonden wel de feiten en ook dat wanneer ik  combivir en viramune had gekregen de lipoatrofie niet was opgetreden. Dat gebeurt pas na 4 tot 6 jaar.

Inmiddels had men in 2001 azt uit de standaard therapie gehaald voor viread. Daarna kwam  lipoatrofie niet meer voor.

Deze brief verstuurde  ik ook naar het CMT. Inclusief de gegevens van het Athenacohort en beschreef de onjuiste uitspraken van de heer Danner met betrekking tot de kennis die men had eind 1999. Nogmaals de trialgegevens.

Zitting maart 2012.

Plaats vervangend voorzitter is de heer D. Asser ( Lid van de Hoge Raad)  mede-geneesheer en tuchtrechter de heer Heyligenberg internist in Rijnstate in Arnhem.

Vooraf dient men te weten dat de heer Heyligenberg in begin 2000 een  onderzoek deed met lipoatrofie patiënten die allen door stavudine waren ontstaan. Een door Videx. Allen hadden ook lipohypertrofie en stonden allen op een protease remmer. De bedoeling was deze patiënten van de protease remmer af te helpen door viramune voor te schrijven en te hopen dat de stofwisseling daarop zou verbeteren. De Heer Heyligenberg werkte in die jaren in het AMC. Een patiënt werd aangeleverd door het LUMC. Een aantal waren resistent geworden voor AZT en kregen stavudine in de tweede lijn. Hij kende dus het causaal verband.

De voorzitter vroeg aan de mede- geneesheren of er vragen waren. Geen vragen.

In hoger beroep behoort de zaak geheel over nieuw te worden gedaan. Slechts een punt komt naar voren. De bijwerkingen van stavudine en de kennis die men daarover had in 1999. De rest had  ik al als bewijs aantoonbaar gemaakt dus daar zweeg men  over.

De heer Heyligenberg zou  een rij  van vragen moeten hebben aan de heer Sprenger. Over het hele verloop van de behandelingsperiode door van der Ende. Hij had voldoende overzicht als hij  het dossier en de uitspraken had doorgenomen. Hij zwijgt.

Dan vraagt de voorzitter of ik alle klachten tegen de heer Sprenger nog eens op wil noemen en vraagt tevens waarom ik geen deskundige had meegenomen.

Ik noem het hele rijtje weer eens op ,wat ik al uitgebreid schriftelijk had gedaan,  en zeg dat ik het Athenacohort bij me heb. Samengesteld door 22 deskundigen uit Nederland waaronder ook meneer Sprenger.

Ik loop naar hem toe en laat de exacte cijfers zien. Hij moest constateren dat stavudine vanaf 1998 niet meer  gegeven werd. Er staat ook  dat lipoatrofie en neuropathie niet meer voorkomen sinds het uitsluiten van  stavudine. Al in mijn informatie aan het CMT gaf ik aan dat alle data van het Athenacohort  voor elke hiv behandelaar inzichtelijk was vanaf aug.  2000.

Ik laat hem de foto’s zien.  Wat de stavudine aan schade heeft  toegebracht. Hij schrikt zichtbaar en vraagt hoe het nu met me gaat.

De voorzitter komt niet  Sprenger met specifieke vragen maar om  vraagt uitleg. Blijkbaar is Sprenger  onder de indruk van deze autoriteit als voorzitter en dat ik concrete gegevens had aangetoond want ineens komt Sprenger  met de feiten aan. Het klopte dat de studies van  St. Marc en A.Carr wetenschappelijk juist waren. Dat de Prometheus studie bij hem bekend was en het Athenacohort. Dat Carr zelfs in okt. 2000 alle bijwerkingen van hiv medicatie op een rij had gezet en alleen stavudine en videx noemt als oorzakelijke factor. Dat was mij nog niet bekend. Zijn advocaat is zwijgzaam.

De heer Asser komt met de brief van de heer Brinkman. Hij leest hem voor. Brinkman schrijft dat er in 1999 consensus was binnen de NVAB en dat zijn hypothese bewezen was en op een congres in Durban 2000 waren alle congresleden het daarmee eens.

Sprenger geeft als antwoord dat dit juist is. Zelfs dat het eind 1999 in Nederland bekend was dat stavudine lipoatrofie veroorzaakt.

Hij vertelde er meteen achteraan dat hij  van der Ende wel kende maar nu niet meer zoveel spreekt.

Voorzitter Asser komt in een soort van ambivalentie terecht. Zijn lichaamstaal laat de uitdrukking “verwarring ‘zien. Hij blijft enkele ogenblikken stil.

Ik vermoed dat hij de opdracht, evenals Heyligenberg , de zaak zo  te regelen dat alle aanklachten ongegrond konden worden verklaard maar nu had zich een wending voor gedaan die Asser  niet meer terug kon draaien.

Dan zegt hij omwille van de tijd de zitting te stoppen. Er was ruim 15 minuten te gaan.  Toch vraag ik of  ik de heer Heyligenberg vragen kon stellen. Dat wordt afgewezen maar spreek de heer Heyligenberg toch toe.  Ik wijs hem op het feit dat het AMC de trial geweigerd had en dat hij bekend was met het causaal verband vanwege de studie in 2000 .Hij  zegt dat hij nu  geen hiv behandelaar meer is en hij niet wil  antwoorden.  Dat antwoord accepteer ik niet maar de voorzitter is streng.

Hij zegt dat ik me behoor te gedragen tegen een rechter.

Hij hamerde af en binnen 6 weken zal de uitspraak komen.

14 juni 2012 kwam de uitspraak: Beslissingszaak nummer C2011.140.

Alles ongegrond verklaard.

Motivatie:

Ondanks dat klager heeft kunnen  kunnen aantonen dat stavudine minder werd voorgeschreven was Sprenger geen enkel tuchtrechtelijk verwijt te maken. Ze nemen de uitspraken van Danner van het RMT Groningen, die ik met onomstoten bewijs bestreden had,  over  en daarmee is de zaak afgedaan. De brief van Brinkman werd niet genoemd. Ook  de werkelijke feiten zoals Sprenger die noemde werden weggelaten. Het achterhouden van bewijs in een tuchtzaak is volstrekt verboden. De heer Asser, lid van de Hoge Raad,  werkte daar  aan mee. Mijn opinie  is dat Asser, hoe onbegrijpelijk ook, zijn integriteit in het belang van de het tuchtcollege, opzij  had gezet.

Iedereen die betrokken was in deze zaak was gedekt. Alle uitspraken werden gepubliceerd in de Staatscourant. In werkelijkheid kende men de ernst van de zaak en als er vanuit waarheidsvinding was geoordeeld dan zou  daar de hoogste sanctie op moeten  staan. Misbruik van patiënten in  een medicijnenonderzoek met ernstige gevolgen. Schrappen uit het Big register zou gepast zijn geweest.

Het was onverteerbaar maar zo werkte dus het tuchtrecht.

Ik denk  dat het voor klagers moeilijk in  te schatten is  wanneer er een medische fout is gemaakt en dat intuïtief wel zo voelen. Een gang naar het  tuchtcollege  kan helderheid brengen. Patiënten missen de juiste medische kennis. De Tuchtcolleges hebben dan mogelijkheden een zaak naar eigen hand te zetten. Het hangt op dat moment van de samenstelling van het College af of een klacht  op een eerlijke en oprechte wijze beoordeeld wordt.

In mijn zaak zijn de klachten  steeds ongegrond verklaard omdat ik op  dat moment niet over de juiste  informatie beschikte maar wel veel steunbewijs had.  Zeker in de periode toen van der Ende centraal stond. Ik moest daarom wel verder om de meineed van beide deskundigen  aan te tonen omdat mij steeds meer informatie ter beschikking kwam. Achteraf heb ik daar goed aangedaan.

Het toont des te meer aan hoe achter de schermen bepaald wordt of een arts een sanctie krijgt opgelegd of niet.

De tuchtcolleges kende de ware feiten maar de uitspraak uit 2006 bleef ongewijzigd.  Het CMT had Sprenger, hoe corrupt dat ook  was gegaan,  aangesteld als deskundige. Het was ondenkbaar dat, ondanks de bewijzen en zijn eigen herziening tijdens de CMT 2012 zitting , deze deskundige als nog een tuchtrechtelijk verwijt zou  worden gemaakt. Bovendien bestond er geen arts in Nederland die patiënten met opzet verminkten door medicijnen. Dat kwam in het medisch beroep niet voor.

Onlangs is daar wel een neuroloog voor veroordeeld maar dat kwam pas na veel media aandacht. Het vonnis luidde o.a.: Met opzet en tegen willens en wetens had deze arts patiënten medicijnen voorgeschreven die ernstige bijwerkingen hadden. Ik zie dan ook  overeenkomst in deze zaak.

Alle uitspraken zijn onder tuchtrecht.nl terug te vinden.

De civiele procedure en het Hof

In de civiele procedure ( 2010) werd de schade niet vergoed op basis van het deskundigenverslag van de onafhankelijke deskundige de heer Sprenger en de uitspraken van het medisch tuchtcollege. Eiser had getekend voor lipodystrofie door een protease remmer. De val die door BMS en van der Ende voor mij  was opgezet in het Informed Consent had goed gewerkt en was in  het voordeel van het ErasmusMC. Uiteraard wist van der Ende dat  de rechter niet juist had geoordeeld maar ze was vrijgesproken.

Had ik  alle gegevens eerder gehad  dan was de zaak anders verlopen. Van der Ende die deze gegevens wel kende heeft  altijd verweer gevoerd op basis van  wat ik niet wist. Dat geldt tevens voor de deskundigen en de tuchtcolleges. Allen kenden het Athena cohort.

Ook in hoger beroep werd de  beslissing van de civiele rechter gevolgd. Het Hof  weigerde een deskundige aan te stellen waarin we meer vertrouwen stelde. De brief van Brinkman deed daar niets aan af. De rechter vond dat Sprenger als deskundige  voldoende was. Dat was een van de reden waarom ik de heer Sprenger  het RMT Groningen liet oproepen om zijn deskundigenverslag nader te verklaren. Uitspraak te vinden op ECLI: NLRBROT:2010 : LIN BL8825

Ik had door te procederen niet vermoed dat ik,  door de corruptie die  had plaats gevonden,  het ErasmusMC de gelegenheid zou geven alles te betwisten. Gesteund door de tuchtcolleges en de deskundige. Wat men nog niet eerder  beweerde schreven ze nu. In het ErasmusMC was stavudine de meest gegeven  en zelfs aanbevolen medicijn tot  2002  etc etc. Het ziekenhuis trof geen blaam. Het is de patiënt die bepaalt wanneer hij aan de therapie begint,  de Prometheus studie was onbetrouwbaar  en was geen heterogene groep. Het zou hooguit iets suggereren etc etc. Middels een gemanipuleerd onderzoek ( volgens Brinkman) van BMS beweerde het ErasmusMC dat azt dezelfde hoge graad van lipoatrofie had als stavudine.

In het verslag van Dieleman staat dat er in 4 jaar onderzoek geen zichtbare lipoatrofie door azt
(onderdeel combivir) was geconstateerd  en de meest gegeven medicijn was vanaf 1996-1999. Statistieken wezen uit dat alleen binnen de groep  van stavudine gebruikers lipoatrofie voorkwam. Dus ook niet door een protease remmer. Weliswaar was Dieleman op haar verslag gepromoveerd in 2002 maar het waren in feite de gegevens uit het Athena cohort. Juist op  de inhoud van  dit verslag had de rechter de onjuistheden van het ErasmusMC kunnen ondergraven. Het complete verslag met alle statistieken was in het dossier aanwezig. Dat was een  diepe dwaling   Eveneens had de rechter ook alle  wetenschappelijke onderzoeken vanaf 1999 in het dossier. Daar is niet naar gekeken.

Men redeneerde naar de deskundige Sprenger.

Ik concludeer dat de rechter dit bewijs  niet had doorgenomen. We hadden juist dit verslag toegevoegd omdat  het Erasmus MC dat betwistte. Om die reden had  het Hof een deskundige  op ons verzoek moeten toestaan. Dat gebeurt niet. Het ErasmusMC had zowel de trialgegevens als de feiten uit het complete  Athenacohort achter gehouden en op die manier de rechters misleid.

Toch zegt de rechter dat er geen vergoeding kan plaats vinden omdat ik  voor lipodystrofie had getekend door een protease remmer en dat niet vast stond dat lipoatrofie door stavudine in 2000 bewezen was. Pas in 2013 zou blijken dat ik gelijk had en dat het Hof wel degelijk een grote blunder had begaan.

Het ErasmusMC en dr. M.E. van der Ende

Het ErasmusMC wilde niet schikken.

Er was enkel een vergoeding van 1000,00 euro voor de gevolgen van gordelroos (doordat Sprenger vond dat het behandeld had moeten worden) en moesten wij de helft van de proceskosten betalen.

Het was een strijd tussen David en Goliath. Ik had de achilleshiel niet kunnen raken. Dat deed het ErasmusMC zelf:

In jan.2013 ontdekte  ik een digitale uitgave over de voorlichting van de  combinatie therapie vanuit het ErasmusMC. Onder de naam  Iman Padmos.

Daarin staat standaard dat starten met de medicatie bij  350 cd4 cellen noodzakelijk is. Over de bijwerkingen van hiv medicatie:  Veel patiënten zijn nog steeds bang voor lipoatrofie. Echter, dat waren de eerste generatie pillen die dat veroorzaakten en werden enkel in de jaren negentig gegeven. Daar bedoelde het ErasmusMC  stavudine en videx mee. Feit: Dat klopt met het Athena cohort en het verslag  van Dieleman.

In april 2013 publiceert van der Ende ” De late diagnose”. Zij  stelt hierin dat van 1996 tot 2012 elke nieuwe patiënt gescreend werd op  het cd4 aantal bij intake. De grens lag bij  350cd4 cellen. Was men  daaronder dan was men te laat. Een late diagnose kan later leiden tot een minder goede respons op de combina-therapie en zelfs tot mortaliteit.  Dat was bij mij een feit: Geen goede respons en dat had tot mortaliteit kunnen leiden. In zekere zin kan je dat roofbouw noemen door bewust veel te laat te starten met medicatie.

Ik had op een aantal punten geprocedeerd  en deze twee belangrijke  klachten  vielen daar onder.  Met deze twee publicaties verraadde het ErasmusMC de steun die ze van de deskundigen en de tuchtcolleges hadden ontvangen om van der Ende zonder sanctie(s) aan te houden als onderzoeker  en hiv behandelaar. Zonder schade waren ze door de processen heen gekomen. Dat de patiënt door de processen meer schade werd toegebracht dan al was gepasseerd was van ondergeschikt belang.  Minister Schippers  en haar voorgangers verklaren nog altijd: Het belang van patiënten gaat  boven alles. Dat recht had het  ErasmusMC in deze zaak nooit erkend.

Ik was absoluut zeker van de nalatigheden van v.d. Ende. In een mail van 2 april 2014  van Prof. Brinkman werd dat bevestigd  en dat dit erkend had moeten worden.  Zelf met de trialgegevens aankomen en vragen om uitleg en dan niets met deze kennis doen als arts is zeer laakbaar. Om dan ook nog een civiele procedure te moeten starten om de schade vergoed te krijgen en ook nog afgewezen werd is ernstig. De immateriële schade is blijvend en dat had voorkomen kunnen worden.

Ik heb daarna contact opgenomen met het ErasmusMC en wilde als nog verantwoording. Dat hebben ze niet toegestaan. Ze zouden op mijn mail niet meer reageren. Om die reden heb ik de kennisgeving  dat van der Ende op  de zwarte lijst staat gedeponeerd op het huisadres van v.d.  Ende. Het leek me beter dan een  steen door de ruit. Als ik geen verhaal kon halen dan zal ik het van der Ende persoonlijk brengen. In de brievenbus.

Daarop kwam er een wijkagent bij me  langs om te zorgen dat de zaak niet zou escaleren. Het ErasmusMC zou eventueel naar de civiele  rechter stappen om mij  een contactverbod op te leggen.

Ik antwoordde de wijkagent: In de wachtkamer van het ErasmusMC hangt een poster met de waarschuwing dat als patiënten zich niet gedragen de politie zal worden ingeschakeld. Maar wat als de arts zelf de agressor is? Als je mishandeld wordt  dan doe je aangifte omdat de dader berecht moet worden. Bij  een arts verloopt dat  anders. Die zorgt gewoon  dat andere artsen zorgen voor dekking zodat men vrijuit kan gaan. Zelfs door de tuchtcolleges.

Van der Ende kan procederen om van de zwarte lijst van SIN-NL verwijderd te worden. Daar zag ze van af schreef de wijkagent mij later per mail. Dat betekent voor mij  een schuldbekentenis nu  ze weet dat ik alle feiten in handen heb.

In een tuchtzaak gaat het altijd om waarheidsvinding. Daar is op  geen enkel punt aan voldaan. De integriteit van de tuchtrechters, de deskundigen en de aangeklaagde arts is zondermeer  in het geding. Daar heeft de heer Asser zich ook schuldig aan gemaakt.

Toch, naar de buitenwereld beroemen ze zich nog steeds op hun integriteit. Zo werd de heer van Dissel de opvolger van de heer R. Coutinho van het RIVM  waar de eerste prioriteit ” integriteit ”  is  en was de heer Danner hoofdonderzoeker van het dossieronderzoek van het Ruwaard van Puttenziekenhuis.

Op 26 april 2013 ontving dr. van der Ende een Koninklijke onderscheiding, Ridder in de Orde van Oranje Nassau, als expert in de hiv zorg. Ook haar integriteit wordt niet in twijfel getrokken. Het ErasmusMC prees  van der Ende omdat zij hiv- patiënten zoveel houvast  wist te geven. Het lintje was aangevraagd door I. Padmos. Nu hij wist dat alle klachten ongegrond waren verklaard kon hij met een paar leuke aanbevelingen   een voordracht  doen voor een lintje. Dat is gelukt. Hoe onzuiver hij hierin handelde zou alleen achter de schermen bekend zijn. Hij  was net zo schuldig als verpleegkundige als van der Ende (Hij heeft ook een verpleegkundig protocol). Hij  maakte  ook nog eens misbruik van de mogelijkheden voor een Koninklijke onderscheiding. Hij weet dat iemand van onberispelijk gedrag moet zijn om een onderscheiding te ontvangen. Dat liet hem verder koud en decorum was belangrijker. Hij werkte, in het volle bewustzijn, mee met een arts die een compleet fout scenario in petto had voor de patiënten die hun bijdrage wilde leveren aan een nieuw medicijn wat de hiv behandeling alleen maar ten goede zou komen. Hij liet me wel de I.C. tekenen die niet deugden. Dan ben je medeplichtig.

Voor mij   en vele anderen was van der Ende het tegenovergestelde van een expert van goede hiv zorg. Ze bedroog patiënten, manipuleerde collegae, had vat op  de tuchtrechters en misleidde de civiele rechter en het Hof. Ze nam geen enkele verantwoordelijkheid voor het misbruik van patiënten en de schade die ze hen toebracht. Mevr. M. Blondeau sprak onlangs over de ethiek van de arts. Elke patiënt moet zich veilig voelen bij  de arts in  welke omstandigheid dan ook. Zij  wist dat van der Ende zich schuldig had gemaakt door deze veiligheid geweld aan te doen. Ze passen de ethiek toe wanneer hen dat zo uitkomt. Mevr. Blondeau was hard in het  verweerschrift van v.d. Ende  waarvan ze wist dat het niet de waarheid  bevatte. Ze bleek er geen moeite mee te hebben een klager met  leugens nog meer te beschadigen. Als zij  werkelijk haar ethiek had toegepast was zij naar het Bestuur gegaan en geëist  dat  de aangeklaagde arts  alleen de waarheid  vertellen moet en  de patiënt nog kon helpen om  deze ernstige aandoening  te verwerken in plaats te liegen over een medische maatschappelijk werkster.

In de loop der jaren waren er veel klachten over van der Ende en zijn er veel patiënten over gestapt naar een ander ziekenhuis. De redenen waren divers. Patiënten vertrokken  na trials die ook niet goed verlopen waren ( 2008 en 2010).  Het ErasmusMC wist hoe  van der Ende met trials omging maar stelde geen schaduw arts aan om  controle op de uitvoering te houden . Patiënten werden lange tijd in onzekerheid gehouden . Ook daarin had van der Ende de voorschriften en de eisen van de trial niet gevolgd. De schaduw arts had ook interviews kunnen afnemen aan de trialdeelnemers of de trial naar alle duidelijkheid verloopt.

Wegens wantrouwen omdat van der Ende slecht communiceerde, niet luisterde en patiënten niet aankeek. Omdat ze zeer afwachtend reageerde op bijwerkingen. Pas wanneer een patiënt met  klachten  met een sterk argument kwam was ze bereid een recept aan te passen. Een zeer kwetsbare patiënt kreeg hulp van Humanitas om een andere internist te zoeken omdat hij zich miskend voelde.  De term niet menselijk kwam veelvuldig voorbij. In die jaren had het ErasmusMC het monopolie als hiv-centrum.  Goed gebekte patiënten waren snel bij haar weg. Bron Hiv forum 2006-2012. De hiv vereniging afd. Rotterdam  had in 2006 een onderhoud met van der Ende over een bundeling van klachten. Haar werd met reden gevraagd zich meer te betrekken  bij haar doelgroep. Dat bleek enige tijd te helpen maar er kwam weer een terugval waarop door de hiv  vereniging niet meer gereageerd werd. Alle klachten zijn gearchiveerd. De medisch adviseur van de landelijke Hiv Vereniging heeft in een aantal gevallen bemiddeld. Nadat ik met hem contact had gezocht schreef hij  dat het een schandaal was  dat van der Ende zo laat begon met medicatie en dan ook nog in een trial en dat hij al in 1999 in Hiv nieuws het causaal verband stavudine en lipoatrofie had beschreven.
Hij was zelfs zo open dat hij eraan toevoegde dat velen van der Ende haten en sommigen haar op handen dragen.

Er bestond zelfs een circuit in Rotterdam die er voor zorgde dat hiv-patiënten niet bij  van der Ende onder behandeling kwamen. Dat was uit solidariteit  en compassie die nog steeds leeft.
Helaas was ik  te laat gewaarschuwd.

In 2008 werd de claim van de schade door de trial door de verzekering van BMS vanwege een deskundigenrapport van de heer Strien afgewezen. Volgens deze deskundige was het vooral de protease remmer die de lipoatrofie had veroorzaakt en daar had ik  voor getekend. Dat was volgens van der Ende de oorzaak zo schreef hij. Pas veel later was bekend dat stavudine ook wel eens een rol  zou kunnen spelen. Wellicht heeft  van der Ende hierin ook een rol gespeeld. Ook van deze kant mocht niets van schuld naar van der Ende wijzen.

In 2012, nu  ik alle feiten op een rij had, was er  opnieuw een claim bij  de verzekeraar van BMS  ingediend. Ik had bij voorbaat deze zaak laten stuiten en was  nog niet verjaard. Binnen twee weken kreeg ik bericht dat de claim, zonder verdere verantwoordelijkheid van BMS, was toegekend. Om een civiele procedure te voorkomen, want de bewijzen waren hard, hadden ze gekozen voor een snelle afhandeling.. Openbaarheid zou BMS geen goed doen. Die vergoeding betrof de behandelkosten en een deel voor de advocaat. Daar hebben we het bijgelaten.

Van der Ende had op  de officiële BIG zwarte lijst van de gezondheidszorg moeten staan wegens zeer nalatig handelen in een medicijnenonderzoek, voor het  misbruik van patiënten en het meewerken aan een experiment ( verborgen agenda) binnen de trial.

Voldoende reden waarom ik van der Ende op  de zwarte lijst van SIN-NL had laten plaatsen en dit verslag erbij  hoort. Mijn motivatie is ook dat ik daarna juist zeer gewaardeerde artsen op mijn pad heb gekregen wat ik zie als tegengif voor het wantrouwen dat ik had opgebouwd. De bokken van de schapen weten te scheiden. Dat het tuchtrecht daarin verzaakt had was een miskenning  voor artsen die wel  hun taken uitvoeren  zoals men van een bekwaam arts verwacht mag  worden en hun eed eerbiedigen.

Ik neem volledig de verantwoordelijkheid voor dit verslag.

P. L.

 

Literatuur

Aids Congres San Fransisco February 1st 2001

Results of a phase 2 Clinical trial at 48 weeks (A1424-007): A dose Ranging, Safety ans Efficacy comperative trial of Atzanavir ( BMS 232632) at three doses in combination with Didanosine
( Videx) and Stavudine in antiretroviaral- naive patiënts. http://journals.lww.com/jaids/fulltext/2003/01010/results_of_a_phase_2_clinical_trial_at_48_weeks.4.aspx.

Het Athenacohort: gegevens opvraagbaar bij Hiv Monitoring. Volledige beschrijving Hiv behandeling in Nederland 1996- 2000. Uitgave 2003. hiv-monitoring.nl

Brinkman, K., Reiss, Hofstede, P. Smeitink, J. en Romein, J.A..Mithocondriale toxiteit en lipoatrophy Publicatie dec. 1999. The Lancet. http://reaids.com/aliveandwellsf.org/articles/brinkman_lypodystrophy_mitochondria1999.pdf

Brinkman, K. OLVG Amsterdam. Andrew Carr. Mithochondrial Toxcity and Hiv Disease Meeting report June 5-6 2000 Washington DCTop of Form Bottom of Form 1. http://hivforumannals.org/index.php/annals/article/download/52/84

Brinkman, K. En Sven Danner sept. 2000 Four fatal cases. Stavudine oorzaak van dodelijke lactaatacidose. http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10997508lactaat

Carr A, Miller J, Cooper DA San Diego 2000 Carr et al. Aids 2000, 14: F25-F52.

LIPOCO study Saint Marcet al. AIDS 2000: 37-49

Cohort studies-Sydney, Australië

Mallal et al. Australië 1999

Boufassa et al. France 1999

Galli et al. Italy       1999

Polo et al.   Spain     2000

Hops Cohort America 2000 Durban.

Carr, A and others. Feb. 2000. A syndrome of lipoatrophy, lactic acidaemia and liver dysfunction associated with HIV nucleoside analogue therapy: contribution to protease inhibitor-related lipodystrophy syndrome. http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10716495Publicatie

Carr, A The Lancet 21 October 2000 Adverse effects of antiretroviral therapy. Bijwerkingen van alle hiv medicatie anno 2000. Alleen stavudine veroorzaakt lipoatrofie in hoge mate. De nucleoside analogen Abacavir 1998 en epivir 1996 niet. Deze waren een goede vervanging voor stavudine en videx. Inclusief foto’s lipoatrofie. http://www.infectologia.org.br/pdf/Adverse-effects.pdf

Carr, A. and others. July 2002. Abacavir substitution for nucleoside analogs in patients with HIV lipoatrophy: a randomized trial. http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12095385

J.P. Dieleman Studie Athena cohort 1996-1999. Nederland. Conclusion: Stavudine are associated with an increased risk for lipoatrophy. Niet gedigitaliseerd. Bibliotheek ErasmusMC.

Ende, M.E. van der en Danner, Sven. Experience with neviparine in privously treated Hiv- 1 infected individuals. May 1997 till April 1998. Mede onderzoeker. Beschrijving van totale behandeling Hiv, hantering CDC 3 protocol en doden door laag cd4. http://www.intmedpress.com/serveFile.cfm?sUID=bed77275-06a5-44e0-ac13-f745c67e052a

Ende, M.E. van der en Dieleman, J.P., 30 dec. 1998
Lipodystrophy and ‘buffalo hump’ during treatment with HIV protease inhibitors. Beschrijving van lipoatrofie bij drie patiënten op stavudine, videx en protease remmer.
https://www.ntvg.nl/artikelen/lipodystrofie-en-buffalo-hump-bij-de-behandeling-met-hiv-proteaseremmers/volledig

Ende, Ineke van der en Danner, Sven: interview. Aidspatiënten kwamen voor zichzelf op. Dagblad Trouw 2 juni 2007. http://www.trouw.nl/tr/nl/4324/Nieuws/archief/article/detail/1657974/2007/06/02/Aidspatienten-kwamen-voor-zichzelf-op.dhtml

Ende, M.E. van der ErasmusMC en anders auteurs 8 april 2013. Late diagnose van Hiv-patiënten in Rotterdam Nederlands tijdschrift voor de Geneeskunde. http://www.ntvg.nl/publicatie/late-diagnose-van-hiv-pati%C3%ABnten-rotterdam

H. Folmer 1999. Beschrijving van de stadia van gordelroos. http://download.nhg.org/FTP_NHG/standaarden/FTR/Herpes_Zoster_text.html

Hiv Monitoring 25 juni 2013 Koninklijke onderscheiding voor Ineke van der Ende Interview. http://www.hiv-monitoring.nl/nederlands/nieuws/enieuwsbrief/25-juni-2013/koninklijke-onderscheiding-voor-ineke-van-der-ende/

Mallal S.A. Aids July 2000. Contribution of nucleoside analogue reverse transcriptase inhibitors to subcutaneous fat wasting in patients with HIV infection. http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10930144

Padmos, Iman en Zonneveld, Laura: Combinatie therapie tegen Hiv. Herziene uitgave juli 2011. Blok bijwerkingen: Lipoatrofie komt niet meer voor. De medicijnen die dit veroorzaken werden alleen in de jaren 90 voorgeschreven. http://hiv.venvn.nl/

Power, R, Tate, H. McGill, S. and C. Taylor 2003. A qualitative study of study of the pschosocial implications of lipodystrophy syndrome on Hiv positive individuals. Beschrijving van de beleving van lipoatrofie bij hiv patiënten. http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC1744634/

Saint-Marc, T. Partisani M, Poizot-Martin I, Bruno F, Rouviere O, Lang JM, Gastaut JA, Touraine JL sept. 1999. A syndrome of peripheral fat wasting (lipodystrophy) in patients receiving long-term nucleoside analogue therapy. http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10509567

Saint-Marc, T 22 Oct 1999 The effects of discontinuing stavudine therapy on clinical and metabolic abnormalities in patients suffering from lipodystrophy. http://journals.lww.com/aidsonline/fulltext/1999/10220/the_effects_of_discontinuing_stavudine_therapy_on.35.aspx.

Valk, M. van der: The Prometheus study Prevalence of lipoatrophy and mithochondrial DNA content of blood and subcutaneous fat in Hiv infected patients randomly allocated to ziodovine- or stavudine-based therapy. Aids Congres Toronto Sept. 2000 May 2001 Aidsjournal. http://www.intmedpress.com/serveFile.cfm?sUID=70b8c58d-55c9-4c23-be39-1dd870d7a3f1

Valk et al, medeonderzoeker M.E. van der Ende, H.G. Sprenger en S. Danner. Nederland. Prometheus study Aids; 2001 15-847-55

Youle, Mike Lipo overview Director of HIV Research Royal Free Centre for HIV Medicine Current perspectives on Lipodystrophy. London Geen datum publicatie http://i-base.info/i-basemeetings/lipo/lipo%20overview_youle.ppt

Verzamelstaat publicaties over lipoatrofie door stavudine van 1999- tot 2001: Conclusion of all studies: Stavudine is strongly associated with Lipoatrophy

Wet Medisch-wetenschappelijk Onderzoek bij de mens. http://wetten.overheid.nl/BWBR0009408/geldigheidsdatum_15-06-2014