Gerechtshof Arnhem: Meineed door schouwarts Reinier Dekker bij dood weduwe Tillema Zwolle

De politie onderwierp de woning van weduwe Tillema in Zwolle in 2013 aan een grondig onderzoek, toen duidelijk werd dat ze geen natuurlijke dood is gestorven. Daar ging de politie aanvankelijk wel van uit, mede door een valse verklaring van schouwarts Reinier D.

De politie onderwierp de woning van weduwe Tillema in Zwolle in 2013 aan een grondig onderzoek, toen duidelijk werd dat ze geen natuurlijke dood is gestorven. Daar ging de politie aanvankelijk wel van uit, mede door een valse verklaring van schouwarts Reinier D. © Frans Paalman

Lagere straf voor schouwarts die in Zwolle meineed pleegde na gewelddadige dood weduwe

Voormalig GGD-schouwarts Reinier D. (66) uit Nunspeet is in hoger beroep opnieuw veroordeeld voor meineed. D. zou na de doodslag op Ruth Tillema in Zwolle in 2013 hebben verzonnen dat hij haar huisarts belde. Dat bemoeilijkte het onderzoek: de schouwarts ging ten onrechte uit van een noodlottige val.

‘Gevallen’

De arts constateerde een schedelbasisfractuur. Omdat hij zag welke medicatie Tillema gebruikte en aan haar lichaam kon zien dat ze diabetespatiënt was, ging D. ervan uit dat ze was gevallen. Hij verklaarde dat een telefoontje met Tillema’s huisartsenpraktijk dat beeld bevestigde.

‘Geen verdenking van invloed derden’, noteerde D. in zijn verslag. Dus werd het lichaam van de weduwe vrijgegeven. Na een week bleek uit nieuwe sporen dat mogelijk toch sprake was van een misdrijf. Toen was de Zwolse dame al gecremeerd, dus kon geen sectie meer op haar lichaam worden verricht.

Altijd ontkend

Reinier D. heeft in rechtszittingen en politieverklaringen altijd volgehouden dat hij wel degelijk met de huisartsenpraktijk heeft gebeld. Hij zou zowel een assistente als een van de huisartsen aan de lijn hebben gehad op die noodlottige dag. Uit telefoongegevens blijkt dit echter niet en ook de huisartsen zelf hebben meermaals verklaard van niets te weten.

Daarom veroordeelde de rechtbank D. in 2016 al tot een werkstraf van 180 uur vanwege zijn valse verklaring onder ede. D. ging in hoger beroep en verklaarde een paar weken geleden voor het Gerechtshof opnieuw dat zijn eerdere verklaringen kloppen.

Lagere straf

Toch ziet ook het Hof voldoende bewijs dat duidt op meineed van de arts. Omdat de nasleep van de affaire D. zowel beroepsmatig als privé heeft beschadigd en omdat de zaak pas nu, jaren later is behandeld, wil het Hof geen onvoorwaardelijke taakstraf meer opleggen. Daarom is D. veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 60 uur, met een proeftijd van een jaar.

Computermannetje

Gerrit K. is zowel door de rechtbank als later in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaar voor de dood van weduwe Tillema. K. was haar ‘computermannetje’ en heeft haar volgens de rechters met veel kracht tegen het hoofd geschopt of geslagen, terwijl ze al op de grond lag.

Wat zich precies in de woning heeft afgespeeld, is nooit duidelijk geworden. K. heeft altijd ontkend er te zijn geweest, maar werd gezien op camerabeelden bij Tillema’s huis. Ook was vanaf haar computer een groot geldbedrag overgemaakt naar K. rond het tijdstip van haar dood.

———————-
Meineed door schouwarts

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8453 zie tekst complete arrest hier
geplaatst op 6 nov. 2020 bron: www.bijzonderstrafrecht.nl 

De kern van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt is dat hij, als deskundige en onder ede (belofte), ter terechtzitting van de rechtbank in Zwolle op 13 maart 2014 opzettelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij op 9 juli 2013, in de woning van de overleden slachtoffer, contact heeft gehad met de huisarts van de vrouw en daarbij medische informatie over haar heeft gekregen.

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meineed zijn de context van de verklaring van verdachte en de voorgeschiedenis van de zitting van 13 maart 2014 van belang. Vastgesteld dient immers te worden dat verdachte op de ochtend van 9 juli 2013 geen telefonisch contact met (medewerkers van) de huisartsenpraktijk en derhalve ook geen medische informatie heeft ontvangen.

Uit het dossier blijkt dat verdachte op 9 juli 2013 in zijn hoedanigheid van gemeentelijk lijkschouwer/GGD-arts aanwezig is geweest in de woning van slachtoffer (hierna: slachtoffer). Slachtoffer was die ochtend aangetroffen onderaan de trap in haar woning en bleek te zijn overleden. Verdachte was in de woning aanwezig tussen – ongeveer – 10.00 en 12.00 uur. De eveneens aanwezige hulpofficier van justitie naam hovj heeft met betrekking tot de verrichtingen ter plaatse in zijn proces-verbaal gerelateerd dat de GGD-arts (verdachte) het lichaam van slachtoffer heeft geschouwd en als conclusie aan naam hovj heeft meegedeeld dat: “de vrouw was overleden aan de gevolgen van een schedelbasisfractuur. Verder werden er geen sporen van eventueel ander aangewend geweld aangetroffen”. In het schriftelijke ‘Verslag gemeentelijke lijkschouwer (art. 10)’, gericht aan de officier van justitie d.d. 9 juli 2013 en ondertekend door verdachte, staat als conclusie van verdachte genoteerd: “Niet-natuurlijke dood t.g.v. val van de trap, fractuur schedel. Geen verdenking van invloed derden”.

Naam hovj heeft omstreeks 11.30 uur contact gelegd met de officier van justitie, heeft haar de tot dan toe bekende feiten meegedeeld, waarna de officier van justitie – uiterlijk om 12.00 uur – het lichaam van slachtoffer heeft vrijgegeven.

Niet gesteld of gebleken is dat verdachte in de middag van 9 juli 2013 nog enige bemoeienis heeft gehad met (inbeslagname en vrijgave zoals dat die middag plaatsvond van) het lichaam van slachtoffer.

Nadien, op 16 juli 2013, bleken er alsnog aanwijzingen te zijn dat slachtoffer door een misdrijf om het leven was gekomen en is een strafrechtelijk onderzoek opgestart. Het lichaam van slachtoffer was toen echter al gecremeerd, waardoor een sectie niet meer mogelijk was.

Het strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot het overlijden van slachtoffer heeft geleid tot een strafvervolging van G.K. Verdachte is in dat kader op 5 september 2013 door de politie als getuige gehoord. Vervolgens is verdachte – eveneens in het kader van de behandeling van die strafzaak tegen G.K. – voor de zitting van 13 maart 2014 bij de rechtbank in Zwolle als deskundige opgeroepen. Op 13 maart 2014 heeft verdachte ten overstaan van de voorzitter op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte afgelegd dat hij als deskundige naar waarheid en zijn geweten zal verklaren.

Uit het proces-verbaal van de zitting van 13 maart 2014 komt naar voren dat verdachte werd geconfronteerd met verklaringen van uitvaartverzorgers en met het onderzoek en de conclusies van forensisch arts deskundige. Op de zitting van 13 maart 2014 heeft deskundige zich in (zeer) kritische zin uitgelaten over het onderzoek dat verdachte op 9 juli 2013 als schouwarts had verricht, als ook over de verslaglegging en de conclusies van verdachte, namelijk dat de bevindingen pasten bij een val van de trap.

Op een vraag van de voorzitter of verdachte alleen aan de hand van foto’s het letsel heeft beschreven of het letsel ook zelf heeft onderzocht heeft verdachte geantwoord, zakelijk weergegeven: “Ik heb een lijst gezien van de medicatie die ze (het hof begrijpt: slachtoffer) gebruikt. Ik kan aan de buitenkant zien dat ze diabetes heeft. Aan de benen zie ik letsel en daarom heb ik ter plekke met de huisarts gebeld. Ik hoor dat ze valneigingen heeft en dat verklaart het letsel aan de scheenbenen. Het past niet bij geweld door derden. (…) U vraagt mij naar de verkleuring op de enkel. Op de linkerenkel zat een blauwe plek aan de bovenzijde. (…) Ze is op 20 juni 2013 bij de huisarts geweest en toen had ze nog geen plek op haar enkel. De plek is van voor de veronderstelde val van de trap.

Op een vraag van de oudste rechter hoe verdachte nog zo stellig kon zijn dat het om een val van de trap ging terwijl na 9 juli 2013 omstandigheden waren gebleken die voor medici aanleiding waren voor twijfel, heeft verdachte als volgt geantwoord, zakelijk weergegeven:

Ik heb met de huisarts gebeld die ochtend en medische informatie gekregen en daarmee het plaatje ingekleurd. (…) Het slachtoffer is in november 2012 opgenomen op de afdeling neurologie, ze heeft toen Ascal-Persatin gekregen (…), omdat zij een CVA heeft gehad. In de ontslagbrief staat dat het gaat om een vrouw met valneigingen. Het slachtoffer lijdt al jaren aan diabetes en spuit drie keer per dag insuline. Een 76-jarige mevrouw met een verhaal. Ze heeft polyneuropathie. De zenuwuiteinden in de voeten houden ermee op. (…) De hersenen krijgen de benodigde informatie niet meer over het evenwicht. Zij moet kijken waar zij haar voeten neerzet. Het letsel op het scheenbeen en de blauwe enkel passen daarbij. Ik heb daar geen twijfel over, dit past bij een val van de trap.

Het proces-verbaal van de rechtbank van 13 maart 2014 bevat een zakelijke – geen letterlijke – weergave van hetgeen verdachte daar heeft verklaard. Gelet op de hierboven beschreven context kan de verklaring van verdachte echter niet anders worden begrepen dan dat verdachte ten overstaan van de rechtbank heeft verklaard de relevante medische informatie te hebben gekregen vóórdat het lichaam van slachtoffer om uiterlijk 12.00 uur werd vrijgegeven. Immers, de medische informatie paste bij het letsel aan de benen en daarmee ook bij de conclusie dat sprake moest zijn geweest van een val van de trap. Deze conclusie was ter plaatse in de woning getrokken, gedeeld met de hulpofficier van justitie die het op zijn beurt heeft besproken met de officier van justitie. Het hof merkt in dit verband – volledigheidshalve – op dat eventuele contacten van verdachte met de huisartsenpost ná 12.00 uur die dag daarom niet relevant zijn.

Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat na afloop van de zitting van 13 maart 2014 door familieleden van slachtoffer aan de officier van justitie is meegedeeld dat er waarschijnlijk geen contact was geweest tussen de GGD-arts (verdachte) en de huisarts op 9 juli 2013.

Verdachte ontkent – ook in hoger beroep – dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan meineed. Eenduidig zijn de verklaringen van verdachte over zijn contacten met de huisarts(enpraktijk) op 9 juli 2013 echter niet.

Zo heeft verdachte op 17 november 2015 bij de politie verklaard:

“V: Klopt de weergave in het proces-verbaal (het hof begrijpt: het proces-verbaal van de rechtbank in Zwolle d.d. 13 maart 2014) volgens u?

A: Ik heb onderzoek gedaan. Ik heb een aantal witte vlekken in de puzzel. Ik heb met naam hovj in zijn functie als hovj overleg gehad en met een zoon en een dochter. Daarna heb ik met de huisartsenpraktijk gebeld.

V: Kunt u verklaren welke huisarts u op dat moment gesproken heeft en welke informatie hij/zij u precies gegeven heeft?

A: Ik heb de assistente aan de lijn gekregen. De huisartswaarnemer was op dat moment niet beschikbaar en met hem heb ik later die ochtend contact gehad.

V: Welke informatie heeft die assistent verstrekt?

A: Het ging om een blauwe plek op haar enkel. Ik wilde weten of zij kort tevoren met een enkelkneuzing in de praktijk was geweest. Later die dag heb ik met de waarnemend huisarts telefonisch contact hierover. Ik kreeg toen de rest van de medische informatie. Ik was toen al weg uit de woning. naam hovj stond er wel bij toen ik de huisartsen praktijk belde.

(…) Ik heb op 9 juli 2013 met een assistente gesproken en met de waarnemend huisarts. Zijn naam weet ik niet meer. Ik heb er geen twijfel over. Ik heb de huisartsenpraktijk gebeld.

Bij de rechtbank Overijssel op de zitting van 3 november 2016 verklaarde verdachte in zijn eigen strafzaak:

Ik heb die ochtend vanuit de woning van slachtoffer gebeld met de huisartsenpraktijk aan de adres en heb toen een assistent aan de lijn gekregen. Later op die dag, in de voormiddag, heb ik nog contact gehad met de waarnemend arts, maar dat was buiten de woning aan de adres. (…). Ik heb de papieren ingevuld, een artikel 10-bericht voor de officier gemaakt en de foto’s geupload en vervolgens ben ik teruggebeld door een arts. (…) De doktersassistente heeft verteld dat slachtoffer bekend was bij de internist en de neuroloog, maar medisch inhoudelijk kon ze niets vertellen. Ik zou daarover worden teruggebeld. (…) U vraagt mij of ik nou bij het eerste of het tweede telefoontje medische informatie heb gekregen. Dat loopt eigenlijk in elkaar over, want als je de huisartsenpraktijk belt, krijg je de informatie dat ze daar patiënt is en dat ze bij de neuroloog en de internist bekend is. Ook wordt gezegd dat je zult worden teruggebeld. Dan weet je dat er dus meer is, want anders hoeven ze niet terug te bellen. Die informatie heeft geen rol gespeeld bij het vaststellen van de doodsoorzaak, want de oorzaak was de zwaartekracht. Daar kunnen valneigingen achter zitten.

(…) Toen ik belde vanuit de hal, waren naam hovj en verbalisant 1 ook in de hal aanwezig. (…) Ik ben toen gaan zoeken naar wie de huisarts was en naar het telefoonnummer. verbalisant 1 zei toen dat ze wist wie de huisarts was en wat het nummer was.

In hoger beroep is verdachte bij zijn standpunt gebleven dat hij op de ochtend van 9 juli 2013 heeft gebeld met een assistente van de huisartsenpraktijk, dat zij geen antwoord kon geven op medische vragen en dat verdachte later die dag is teruggebeld door een (waarnemend) huisarts. Verdachte verklaarde ter terechtzitting van het hof op 21 november 2018 onder meer, zakelijk weergegeven: “Op de vraag of het letsel aan het been bekend was kon de assistente geen antwoord geven. Ik werd teruggebeld door de huisarts. (…) Ik heb net gezegd dat ik de doktersassistente aan de telefoon heb gehad. Ik weet niet of zij het EPD heeft geopend. Van die middag weet ik het zeker. Er is informatie gegeven over de patiënt. (…) Het blijft evident dat het EPD is gelezen. Ik leid dat af uit het feit dat aan mij medische informatie is gegeven.

Uit de verklaringen van verdachte in zijn eigen strafzaak kan derhalve reeds worden opgemaakt dat hij – anders dan hij op 13 maart 2014 ter terechtzitting van de rechtbank verklaarde – op de ochtend van 9 juli 2013 géén relevante medische informatie had gekregen waar hij zijn conclusie dat sprake was geweest van een val van de trap op kan hebben gebaseerd. Verdachte heeft op dit punt derhalve niet naar waarheid verklaard.

Echter ook de stellige bewering van verdachte dat hij op de ochtend van 9 juli 2013 (en later die dag) contact heeft gehad met iemand van de huisartsenpraktijk is onjuist gebleken.

Op eerdergenoemde zitting van de rechtbank van 3 november 2016 is de door verdachte genoemde verbalisant 1, agent van politie, als getuige onder ede verhoord. Zij verklaarde dat zij zich de ochtend van 9 juli 2013 nog goed kon herinneren, dat zij bij de schouw aanwezig is geweest en dat zij verdachte niet heeft zien bellen. Zij verklaarde: “Hij heeft zich niet tot mij gewend met een vraag naar het telefoonnummer van de huisartsenpraktijk. Ik heb niets opgezocht of iets dergelijks. Ik heb het nummer ook niet via de meldkamer gekregen. (…) Ik weet zeker dat ik niemand heb gebeld of een nummer heb opgezocht.

Eerder had verbalisant 1 al telefonisch aan verbalisant 2 laten weten dat het opzoeken van een telefoonnummer op haar diensttelefoon ook niet had gekund, omdat zij een Nokia toestel had zonder internet verbinding.

Medio/eind 2015 heeft de politie – op verzoek van de officier van justitie – navraag gedaan bij de medewerkers van de huisartsenpraktijk aan de adres in plaats. De huisartsen die in 2013 bij deze praktijk werkzaam waren (huisarts 1, huisarts 2, huisarts 3 en huisarts 4) hebben allen een verklaring ondertekend dat zij op 9 juli 2013 geen medische informatie hebben verstrekt over slachtoffer. De huisartsen huisarts 2 en huisarts 3 hebben hun verklaring nadien, op 5 januari 2016, nogmaals bevestigd. De doktersassistente doktersassistent 1 heeft op 18 november 2015 bij de politie verklaard17 dat zij aan de registraties in het Elektronisch Patiënten Dossier (EPD) van slachtoffer kon zien dat zij op 9 juli 2013 om 9.28 uur een telefoontje kreeg van de ambulancedienst waarin werd doorgegeven dat op het adres van slachtoffer een vrouw dood onderaan de trap was aangetroffen en dat de politie ter plaatse ging. Op de vraag of dat ook een telefoontje van een GGD-arts kon zijn geweest heeft Rijers geantwoord echt wel het verschil te weten tussen de ambulancedienst en een GGD-arts, ook omdat ze zich op een andere manier voorstellen.

Uit de dagstaat van registraties in het EPD van slachtoffer, in hoger beroep aan het dossier toegevoegd, blijkt dat het EPD op 9 juli 2013 meerdere keren is geopend door meerdere assistentes van de huisartsenpraktijk en dat er een notitie/memo aan is toegevoegd. Op de dagstaat is geen registratie te zien van een telefoontje van een GGD-arts dat betrekking zou kunnen hebben op medische informatie die aan hem is verstrekt – hetzij door een doktersassistente, hetzij door een huisarts. In hoger beroep is getracht duidelijkheid te verkrijgen omtrent de inhoud en nauwkeurigheid van die registraties in het EPD. Gebleken is dat de huisartsenpraktijk inmiddels is overgegaan op een ander softwaresysteem voor registraties in het EPD. Huisarts 1 heeft om die reden de registratiegegevens in het EPD van het vorige systeem overgezet op een aparte computer en aan de hand daarvan de aan hem gestelde vragen zoveel mogelijk beantwoord. De oorspronkelijke registraties waren echter niet meer te achterhalen. De drie doktersassistentes (doktersassistent 2, doktersassistent 3 en doktersassistent 1) die op 9 november 2018 door de raadsheer-commissaris als getuigen zijn gehoord konden uit eigen herinnering geen uitsluitsel meer geven over de redenen van en de nauwkeurigheid waarmee zij destijds de registraties in het EPD van slachtoffer hebben uitgevoerd. Het hof ziet in hetgeen thans aan informatie voorhanden is over de registraties in het EPD redenen om aan de accuraatheid hiervan te twijfelen maar ziet echter, mede gelet op hetgeen hierover door de drie doktersassistentes is verklaard, geen aanleiding om te veronderstellen dat – welbewust of uit slordigheid – een registratie van een contact met de GGD-arts op 9 juli 2013 tot tweemaal toe buiten het EPD is gehouden.

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof gewezen op het ‘registratieformulier lijkschouw’, dat als bijlage is gevoegd achter zijn verklaring bij de politie op 5 september 2013. Het formulier is met de hand ingevuld en gedateerd op 9 juli 2013. Op dit formulier staat achter de voorgedrukte vraag of de huisarts is geïnformeerd het vakje met “ja” aangekruist.

Anders dan verdachte heeft bepleit ziet het hof hierin geen steun voor de stelling van verdachte dat – alvorens het lichaam door de officier van justitie werd vrijgegeven – verdachte zelf contact heeft gehad met de huisarts(enpraktijk) en medische informatie had ontvangen. Dat de huisartsenpraktijk die ochtend over het overlijden van slachtoffer was geïnformeerd klopt op zichzelf overigens wel. Uit de verklaring van de medewerkster van de meldkamer blijkt immers dat zij op 9 juli 2013 omstreeks 09.27 uur de huisarts van slachtoffer heeft geïnformeerd. Dat is ook zichtbaar op de eerdergenoemde dagstaat uit het EPD.

Ook uit de ‘checklist overleden patiënten” van de huisartsenpraktijk is bemoeienis van verdachte op geen enkele wijze op te maken.

Op grond van al het bovenstaande concludeert het hof dat verdachte op 13 maart 2014 als beëdigd deskundige in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij op de ochtend van 9 juli 2013, in de woning van de overleden slachtoffer, contact heeft gehad met de huisarts(enpraktijk) van slachtoffer en daarbij op dat moment medische informatie over haar heeft gekregen.

Opzet

Evenals de rechtbank overweegt het hof dat het enkele feit dat de verdachte een onjuiste verklaring heeft afgelegd, niet zonder meer betekent dat sprake is van meineed. Daarvoor is ook vereist dat wordt bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het afleggen van een – onjuiste – verklaring. Van belang daarbij is dat het in het algemeen denkbaar is dat iemand niet willens en wetens in strijd met de waarheid verklaart, maar dat hij zich vergist. Van opzet is dan geen sprake.

Met de rechtbank overweegt het hof dat verdachte in het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar de dood van slachtoffer op 5 september 2013 als getuige is gehoord. Daarbij is uitvoerig ingegaan op de schouw. In dat verhoor heeft verdachte niets verklaard over telefonisch contact met een huisarts of de huisartsenpraktijk op 9 juli 2013. Gelet op de vragen in dat verhoor die – onder meer – betrekking hadden op het letsel aan de benen had dit echter zeker voor de hand gelegen. Verdachte verklaarde in dit verband: “Bij oudere mensen kijk je vaak of ze eerder gevallen zijn. Er waren op het scheenbeen plekken zichtbaar die zouden kunnen zijn ontstaan door eerdere vallen. Ik denk dus (accentuering door hof) dat de vrouw al evenwichtsproblemen had. De linkerenkel was blauw. Het leek een soort van verzwikking. Dit moet recent letsel zijn. (…) Het is heel moeilijk om te bepalen hoe oud een blauwe plek is. Het verschil tussen een plek van een maand oud en een dag oud is wel te zien.

Wat verder opvalt is dat verdachte bij de rechtbank ter zitting van 3 november 2016 heeft verklaard dat hij op de bewuste ochtend telefonisch contact met de huisartsenpraktijk heeft gezocht omdat dat het protocol was en dat dat dus slechts ging om het mededelen van het overlijden van slachtoffer. Dit in tegenstelling tot de verklaring die verdachte – als deskundige – ter terechtzitting van 13 maart 2014 heeft afgelegd. Toen heeft verdachte immers verklaard dat hij ter plekke met de huisarts zou hebben gebeld omdat hij letsel aan de benen constateerde.

Het gaat in dit geval om een actieve handeling van verdachte (het plegen van een telefoontje) op de bewuste ochtend. In beginsel mag worden verondersteld dat een normaal mens, zo ook verdachte, zich bewust is van wat hij op een bepaald moment wel of niet heeft gedaan. Verdachte heeft ruim twee weken voorafgaand aan de zitting van 13 maart 2014 contact gehad met de huisarts van slachtoffer, huisarts 1, op 26 februari 2014. Bij die gelegenheid heeft verdachte uitgebreide medische informatie gekregen om zich – naar eigen zeggen – voor te bereiden op de zitting. Gelet op die korte periode van iets meer dan twee weken kan er naar het oordeel van het hof geen sprake zijn van bij vergissing verklaren dat de medische informatie van de huisarts al op 9 juli 2013, in de woning van de overledene, was verkregen. Naar het oordeel van het hof moet de verdachte zich er ten tijde van zijn verklaring op 13 maart 2014 ten volle bewust van zijn geweest dat hij op 9 juli 2013 geen telefonisch contact met de huisarts(enpraktijk) heeft gehad voor het inwinnen van medische informatie. Door onder ede te verklaren dat hij die ochtend dat contact wél heeft gehad, heeft verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid verklaard. Gelet op het feit dat verdachte al jarenlang in zijn functie van schouwarts als deskundige heeft opgetreden moet hij zich ook ten volle bewust zijn geweest van de implicaties hiervan.

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte geen enkel motief zou hebben om in strijd met de waarheid te verklaren en er daarom geen sprake kan zijn van opzet. Het hof ziet echter in de kritische ondervraging ter zitting bij de rechtbank door leden van de rechtbank alsook de kritische opmerkingen van forensisch arts deskundige, een medisch collega, voldoende motief aanwezig om te verklaren dat er die ochtend van 9 juli 2013 medische informatie was verkregen om zodoende aan te geven dat de conclusies die er plekke door verdachte zijn getrokken wel degelijk deugdelijk waren, en acht opzet aanwezig zoals hierboven omschreven.

Bewezenverklaring

  • In de gevallen, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen.

Strafoplegging

Voorwaardelijke taakstraf van 60 uur met een proeftijd van 1 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.