Bruin, Cees W. de – orthopeed Waterlandziekenhuis Purmerend

1. samenvatting rapport inzake het onderzoek naar het functioneren van de heer C.W. de Bruin als orthopedisch chirurg in het Waterlandziekenhuis te Purmerend, 8 juli 2010
samenvatting rapport
Onderzoeksopdracht en conclusies

Inleiding
De raad van bestuur van het Waterlandziekenhuis te Purmerend heeft besloten een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de organisatie en de kwaliteit van de door de heer C.W. de Bruin als orthopedisch chirurg in het Waterlandziekenhuis verleende zorg. Aanleiding voor dit besluit waren twee uitspraken van het Regionaal Tuchtcollege Amsterdam van 9 maart 2010 waarin aan de heer De Bruin in beide gevallen de maatregel van ‘berisping’ is opgelegd en signalen vanuit zowel binnen het ziekenhuis als daarbuiten die vragen hebben opgeroepen ten aanzien van de door de heer De Bruin verleende zorg.
Het Regionaal Tuchtcollege plaatst in zijn uitspraken ten aanzien van de beide aan dit College voorgelegde gevallen kanttekeningen bij de wijze van informatieverstrekking aan betrokken patiënten, geeft als zijn oordeel dat de heer De Bruin in de post operatievezorg is “te kort geschoten”, en kwalificeert diens dossiervorming als “ver onder de maat”. In dit verband is relevant dat de heer De Bruin in het verleden (**) van het Regionaal Tuchtcollege ook al een ‘waarschuwing’ heeft gehad.

De raad van bestuur heeft de onderzoekscommissie als volgt samengesteld.
Tot voorzitter is benoemd prof. dr. J.W. Zwemmer, emeritus hoogleraar belastingrecht aan de Universiteit van Amsterdam(*).
Namens de Nederlandse Orthopaedische Vereniging (NOV) zijn in de commissie benoemd prof. dr. B.J. van Royen, hoogleraar orthopedie aan het VUMC te Amsterdam en de heer D. M. Werkman, voormalig orthopedisch chirurg te Deventer.
De raad van bestuur van het ziekenhuis heeft de commissie gevraagd het functioneren van de heer De Bruin als orthopedisch chirurg zowel in kaart te brengen als te beoordelen, waarbij het onderzoek zich met name dient te richten op navolgende vier punten:

  1. Het medisch inhoudelijk handelen van de heer De Bruin binnen het Waterlandziekenhuis inclusief het Rugcentrum, waarbij vanwege de uitspraken van het Regionaal Tuchtcollege en door de raad van bestuur ontvangen signalen, bijzondere aandacht gevraagd wordt voor de indicatiestelling voor, de voorbereiding van de rugingrepen, de gehanteerde Dynesys-ingreep zelf, en het post operatieve handelen.
    Onderwerp van onderzoek is tevens de vaardigheid van de heer De Bruin met deze specifieke en nog niet alom in de wervelkolomchirurgie gehanteerde behandelmethode alsmede de wijze waarop hij op het gebruik van deze behandelmethode technisch-inhoudelijk getoetst wordt / kan worden door collegaorthopeden.
    Ook de (wijze van) verslaglegging dient in het onderzoek te worden betrokken.
  2. De wijze van communicatie met patiënten teneinde een effectieve behandelrelatie op te bouwen en hen toereikend en helder te informeren zodat zij een weloverwogen beslissing kunnen nemen op grond van een reëel geschetst beeld van de voor- en nadelen van de desbetreffende rugingrepen of het achterwege laten daarvan en de daaraan verbonden risico’s, alsmede de vastlegging daarvan.
  3. De samenwerking met de directe collega-orthopeden, met de medewerkers van het Rugcentrum en de polikliniek orthopedie, de overige collega medisch specialisten met wie regelmatig wordt samengewerkt (o.a. neurochirurgen, radiologen en neurologen) en met de fysiotherapeuten.
  4. De wijze waarop betrokken collega-medisch specialisten, verpleegkundigen, fysiotherapeuten en overige medewerkers worden geïnstrueerd, opgeleid en begeleid door de heer De Bruin teneinde hem op adequate wijze te kunnen assisteren c.q. ondersteunen bij de rugbehandelingen.
    Conclusies

Toegespitst op de vier onderdelen van de taakopdracht zijn de conclusies als volgt:

  1. De indicatiestelling voor rugingrepen en de voorbereiding daarvan zijn beneden de maat. De behandeling draagt in veel gevallen het karakter van een experiment waarbij onduidelijk is of een beoogd effect kan worden bereikt. De Dynesys-methode zelf is omstreden, maar wordt niettemin herhaaldelijk toegepast. De vaardigheid van de heer De Bruin met deze methode is gezien de resultaten van de behandeling kwestieus.
    De röntgenfoto’s bevestigen het beeld van onzorgvuldig uitgevoerde operaties.
    De wijze van verslaggeving is veel te summier en ver beneden de maat.
  2. De wijze van communicatie met patiënten, zoals die uit de statussen blijkt, is beneden de maat. De heer De Bruin is een harde werker, maar hij gunt zich te weinig tijd zijn patiënten adequaat voor te lichten. Ook uit de gesprekken met de huisartsen bleek dat patiënten van de heer De Bruin in een aantal gevallen valse hoop geboden is met als gevolg dat deze patiënten van de behandeling door de heer De Bruin eerder slechter dan beter geworden zijn.
  3. De samenwerking met de directe collega-orthopeden strekt zich niet uit tot de wervelkolomchirurgie. Met de medewerkers van het Rugcentrum is de samenwerking goed. Hetzelfde geldt voor de samenwerking met de overige collega medisch specialisten, waarbij een rol speelt dat de heer De Bruin in het ziekenhuis verreweg het langst werkzaam is en daaraan een zeker overwicht ontleent.
    De samenwerking met de fysiotherapeuten laat te wensen over. Zij beklagen zich over een gebrek aan communicatie.
  4. De solistische werkwijze van de heer De Bruin heeft tot gevolg dat van opleiding en begeleiding van collega medisch specialisten weinig is gebleken.
    Hij gaat zijn eigen gang en laat zich niet aanspreken op mogelijk verkeerde gevolgen van de behandeling.

Eindconclusie van de commissie is dat de heer De Bruin met zijn wijze van praktijkvoering en de beperkte verslaglegging in de status een risico vormt voor het ziekenhuis. Te verwachten valt dat het aantal klachten over reeds verrichte behandelingen zal toenemen en dat een substantieel aantal daarvan gegrond zal worden verklaard.
Purmerend, 8 juli 2010 J.W. Zwemmer, B.J. van Royen en D.M. Werkman.
(*) Prof.Zwemmer was lid van de Raad van Toezicht van het AMC en meermalen voorzitter van onderzoekscommisssies in de gezondheidszorg.
(**) Oktober 2008