De huisartsenpraktijk als afvoerputje

Marktwerking in de zorg
Huisartsen slaan alarm: door marktwerking zijn kwetsbare patiënten vaak niet door te verwijzen. Huisartsenpraktijk Confucius heeft de handen vol aan deze groep complexe cliënten

De Marokkaans-Nederlandse Hassan geeft een hand, met zijn andere hand op zijn hart. Folkert Hoekstra (62), huisarts in Amsterdam-West, zet zijn bril af en kijkt zijn patiënt doordringend aan „Hoe gaat het met je?” „Slecht”, zegt Hassan. „Ik voel me altijd moe. Als ik ga liggen. Ik voel me dan zwaar.”

„Ik denk dat het te maken heeft met je depressieve klachten”, zegt Hoekstra.

Hoekstra heeft Hassan vanwege suïcidale gedachten naar een crisisdienst binnen de psychiatrie verwezen. Sinds april wacht de man op een vervolgtraject bij een psycholoog. Daar is eind juni pas plek. „Er moet straks echt een tolk bij”, zegt Hassan. „Sommige woorden begrijp ik niet.”

Hoekstra houdt een vinger aan de pols tot Hassan de afspraak heeft. „Vóór en na je vakantie naar Marokko mag je langskomen, als je daar behoefte aan hebt. Dubbele afspraak. Zeg dat maar bij de balie.”

Deze week verscheen een pamflet van huisartsenactiecomité Het Roer Moet Om. Het is een noodkreet: marktwerking, vinden de huisartsen, is doorgeslagen. Concurrentie- en productiegericht denken staat samenwerking in de weg. Voor kwetsbare ouderen, psychiatrisch patiënten en chronisch zieken met complexe problemen is weinig plek in zorginstellingen; huisartsen die hen willen doorverwijzen kunnen vaak geen kant op.

Trauma’s en verslavingen

Huisartsenpraktijk Confucius is vernoemd naar het gelijknamige plein, in de achterstandswijk Slotermeer. Rijen lage jaren-50-flats omringen de praktijk. Hoekstra werkt er bijna dertig jaar. Van zijn eerste patiënten ziet hij nu de kleinkinderen.

In zijn spreekkamer trekken cadeaus op de vensterbanken de aandacht. Een miniatuur mandoline, goudkleurige pennen, een sneeuwbol met de Kaäba, het centrale heiligdom in bedevaartstad Mekka. „Het is maar een fractie hoor”, zegt Hoekstra, naar de spullen knikkend. „Ik heb voor het meeste geen plek.”

Deze ochtend komt er één ‘eenvoudige’ patiënt langs met een nare hoest. Anderen noemen wel lichamelijke kwaaltjes, maar kampen bijvoorbeeld ook met trauma’s, zijn laagbegaafd of verslaafd.

Na Hassan komt een 76-jarige vrouw met kort, donker haar bij Hoekstra. Met twee handen houdt ze envelop vast waar ze haar lichamelijke klachten op heeft geschreven, als op een boodschappenlijstje. Ze heeft vooral last van stemmingswisselingen, zegt ze. „Mijn dochter is boos op mij omdat ik haar niet met emoties en knuffels heb opgevoed. Ik ben er doodziek van geworden.” Ze wil een recept voor de krachtige, maar ook verslavende pijnstiller Oxycodon, voor „nu en dan”. „Nu en dan vind ik goed, maar vaker niet”, zegt Hoekstra. „Als deze klachten blijven, dan is dit niet de oplossing. U bent niet weer gaan drinken, hè? Een of twee glazen, daar houdt u het bij?”

Hoekstra stuurt de vrouw naar de ggz-praktijkondersteuner, waar ze binnen een paar dagen terecht kan. „Ik zou deze mevrouw naar de basis-ggz kunnen verwijzen”, zegt Hoekstra na het consult. „Maar de wachttijden zijn enorm. Bovendien kan het interen op haar eigen risico.”

Lees ook: Minister, laat de huisarts uw rommel niet opruimen! Een ggz-praktijkondersteuner bij een huisarts hoeft officieel geen psycholoog te zijn, en is bedoeld voor lichte problematiek. Maar door wachttijden binnen de geestelijke gezondheidszorg heeft deze praktijkondersteuner ook te maken met gezinnen met verwaarloosde kinderen of huiselijk geweld.

De praktijk voelt voor huisartsen, ongeacht de liefde voor hun vak en de buurt, soms als afvoerputje van de maatschappij. In tegenstelling tot psychiatrische instellingen, ziekenhuizen, thuiszorgorganisaties en verpleeghuizen kan de huisarts patiënten niet vragen pas over een paar maanden terug te komen. De drempel hoort laag te zijn. Maar een consult van tien minuten is kort als patiënten ingewikkeld zijn. Mensen nemen bijvoorbeeld belastingformulieren mee die ze niet begrijpen.

„Dokter, ik heb zo’n raar gevoel hier”, zegt een 79-jarige vrouw tegen Hoekstra, terwijl ze naar haar ribben wijst. „Ik moet steeds uithijgen tegen een muur aan. Dat is niet fijn. Ik woon ook alleen tussen allemaal buitenlanders.” De vrouw is onder behandeling bij een cardioloog. In augustus is er pas tijd voor een nieuwe afspraak.

„Ik ga de cardioloog bellen of ze u eerder kan zien”, zegt Hoekstra. „De boel verstopt”, zegt hij later. „Wachten op poli-afspraken duurt maanden. Ziekenhuizen zijn steeds groter: we kennen de specialisten niet meer persoonlijk.”

Wachtmuziek

De laatste patiënt van de ochtend is gehuld in een zwart T-shirt en trainingsbroek. De veertiger is laagbegaafd en heeft een verslavingsverleden. Hij zegt dat hij last heeft van zijn stoma en wil Oxycodon. „Paracetamol is te zwak, dokter.”

„Welke thuiszorgorganisatie komt bij jou?”, vraagt Hoekstra. De patiënt noemt een naam. „Ze zijn er niet goed in. Sommige meisjes hebben van mij geleerd hoe ze de stoma moeten schoonmaken.”

Als de man de deur uit is, probeert Hoekstra de thuiszorgorganisatie te bereiken. Hij heeft er nog nooit van gehoord. „Voor intercollegiaal overleg: toets 4”, zegt een computerstem. „Ik werk het liefst met thuiszorgorganisaties die ik ken, waar ik een 06-nummer van heb”, zegt Hoekstra tijdens wachtmuziek. „Vaak blijken organisaties niet alles te kunnen, zoals katheters plaatsen of vier keer per dag langskomen. Het zou fijn zijn als we met veel minder instellingen te maken hadden.”

„Ik moet eerlijk zeggen dat ik hem niet eerder heb gehoord over pijn bij zijn stoma”, zegt de wijkverpleegkundige van de thuiszorgorganisatie, als Hoekstra haar te pakken krijgt. „Misschien is het een manier om Oxycodon te krijgen?”