Arrest Hof Arnhem: meineed schouwarts R. Dekker mbt dood weduwe Tillema Zwolle

ECLI:NL:GHARL:2020:8453

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-10-2020
Datum publicatie
20-10-2020
Zaaknummer
21-006428-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:4509
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meineed door schouwarts. Mede gelet op het tijdsverloop en de ingrijpende persoonlijke gevolgen van deze strafzaak wordt verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006428-16

Uitspraak d.d.: 20 oktober 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 17 november 2016 met parketnummer 08-770126-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 31 augustus 2018, 21 november 2018 en 6 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal gehouden bij aanvullend requisitoir op 6 oktober 2020, strekkende tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde en veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J. Anker, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij het hierboven genoemde vonnis is de verdachte ter zake het ten laste gelegde feit – kort gezegd inhoudende: meineed – veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 maart 2014 te Zwolle ter terechtzitting van de Meervoudige Kamer voor strafzaken in de Rechtbank Overijssel, als deskundige in de zaak tegen [G.K.] (parketnummer 08/950828-13), nadat hij in handen van [naam rechter] op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, in elk geval een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, geheel of ten dele in strijd met de waarheid – zakelijk weergeven – (onder meer) heeft verklaard:

“Aan de benen zie ik letsel en daarom heb ik ter plekke met de huisarts gebeld. Ik hoor dat ze valneigingen heeft en dat verklaart het letsel aan de scheenbenen (blad 5 proces-verbaal terechtzitting)” en/of

“Ik heb met de huisarts gebeld die ochtend en medische informatie gekregen en daarmee heb ik het plaatje ingekleurd (blad 7 proces-verbaal ter terechtzitting)”.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt als volgt.

De kern van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt is dat hij, als deskundige en onder ede (belofte), ter terechtzitting van de rechtbank in Zwolle op 13 maart 2014 opzettelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij op 9 juli 2013, in de woning van de overleden [slachtoffer] , contact heeft gehad met de huisarts van de vrouw en daarbij medische informatie over haar heeft gekregen.

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meineed zijn de context van de verklaring van verdachte en de voorgeschiedenis van de zitting van 13 maart 2014 van belang. Vastgesteld dient immers te worden dat verdachte op de ochtend van 9 juli 2013 geen telefonisch contact met (medewerkers van) de huisartsenpraktijk en derhalve ook geen medische informatie heeft ontvangen.

Uit het dossier blijkt dat verdachte op 9 juli 2013 in zijn hoedanigheid van gemeentelijk lijkschouwer/GGD-arts aanwezig is geweest in de woning van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). [slachtoffer] was die ochtend aangetroffen onderaan de trap in haar woning en bleek te zijn overleden. Verdachte was in de woning aanwezig tussen – ongeveer – 10.00 en 12.00 uur1. De eveneens aanwezige hulpofficier van justitie [naam hovj] heeft met betrekking tot de verrichtingen ter plaatse in zijn proces-verbaal2 gerelateerd dat de GGD-arts (verdachte) het lichaam van [slachtoffer] heeft geschouwd en als conclusie aan [naam hovj] heeft meegedeeld dat: “de vrouw was overleden aan de gevolgen van een schedelbasisfractuur. Verder werden er geen sporen van eventueel ander aangewend geweld aangetroffen”. In het schriftelijke ‘Verslag gemeentelijke lijkschouwer (art. 10)’3, gericht aan de officier van justitie d.d. 9 juli 2013 en ondertekend door verdachte, staat als conclusie van verdachte genoteerd: “Niet-natuurlijke dood t.g.v. val van de trap, fractuur schedel. Geen verdenking van invloed derden”.

[naam hovj] heeft omstreeks 11.30 uur contact gelegd met de officier van justitie, heeft haar de tot dan toe bekende feiten meegedeeld, waarna de officier van justitie – uiterlijk om 12.00 uur – het lichaam van [slachtoffer] heeft vrijgegeven.

Niet gesteld of gebleken is dat verdachte in de middag van 9 juli 2013 nog enige bemoeienis heeft gehad met (inbeslagname en vrijgave zoals dat die middag plaatsvond van) het lichaam van [slachtoffer] .

Nadien, op 16 juli 2013, bleken er alsnog aanwijzingen te zijn dat [slachtoffer] door een misdrijf om het leven was gekomen en is een strafrechtelijk onderzoek opgestart. Het lichaam van [slachtoffer] was toen echter al gecremeerd, waardoor een sectie niet meer mogelijk was.4

Het strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot het overlijden van [slachtoffer] heeft geleid tot een strafvervolging van G.K. Verdachte is in dat kader op 5 september 2013 door de politie als getuige gehoord5. Vervolgens is verdachte – eveneens in het kader van de behandeling van die strafzaak tegen G.K. – voor de zitting van 13 maart 2014 bij de rechtbank in Zwolle als deskundige opgeroepen. Op 13 maart 2014 heeft verdachte ten overstaan van de voorzitter op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte afgelegd dat hij als deskundige naar waarheid en zijn geweten zal verklaren.6

Uit het proces-verbaal van de zitting van 13 maart 2014 komt naar voren dat verdachte werd geconfronteerd met verklaringen van uitvaartverzorgers en met het onderzoek en de conclusies van forensisch arts [deskundige] . Op de zitting van 13 maart 2014 heeft [deskundige] zich in (zeer) kritische zin uitgelaten over het onderzoek dat verdachte op 9 juli 2013 als schouwarts had verricht, als ook over de verslaglegging en de conclusies van verdachte, namelijk dat de bevindingen pasten bij een val van de trap.

Op een vraag van de voorzitter7 of verdachte alleen aan de hand van foto’s het letsel heeft beschreven of het letsel ook zelf heeft onderzocht heeft verdachte geantwoord, zakelijk weergegeven: “Ik heb een lijst gezien van de medicatie die ze (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) gebruikt. Ik kan aan de buitenkant zien dat ze diabetes heeft. Aan de benen zie ik letsel en daarom heb ik ter plekke met de huisarts gebeld. Ik hoor dat ze valneigingen heeft en dat verklaart het letsel aan de scheenbenen. Het past niet bij geweld door derden. (…) U vraagt mij naar de verkleuring op de enkel. Op de linkerenkel zat een blauwe plek aan de bovenzijde. (…) Ze is op 20 juni 2013 bij de huisarts geweest en toen had ze nog geen plek op haar enkel. De plek is van voor de veronderstelde val van de trap.

Op een vraag van de oudste rechter8 hoe verdachte nog zo stellig kon zijn dat het om een val van de trap ging terwijl na 9 juli 2013 omstandigheden waren gebleken die voor medici aanleiding waren voor twijfel, heeft verdachte als volgt geantwoord, zakelijk weergegeven:

Ik heb met de huisarts gebeld die ochtend en medische informatie gekregen en daarmee het plaatje ingekleurd. (…) Het slachtoffer is in november 2012 opgenomen op de afdeling neurologie, ze heeft toen Ascal-Persatin gekregen (…), omdat zij een CVA heeft gehad. In de ontslagbrief staat dat het gaat om een vrouw met valneigingen. Het slachtoffer lijdt al jaren aan diabetes en spuit drie keer per dag insuline. Een 76-jarige mevrouw met een verhaal. Ze heeft polyneuropathie. De zenuwuiteinden in de voeten houden ermee op. (…) De hersenen krijgen de benodigde informatie niet meer over het evenwicht. Zij moet kijken waar zij haar voeten neerzet. Het letsel op het scheenbeen en de blauwe enkel passen daarbij. Ik heb daar geen twijfel over, dit past bij een val van de trap.

Het proces-verbaal van de rechtbank van 13 maart 2014 bevat een zakelijke – geen letterlijke – weergave van hetgeen verdachte daar heeft verklaard. Gelet op de hierboven beschreven context kan de verklaring van verdachte echter niet anders worden begrepen dan dat verdachte ten overstaan van de rechtbank heeft verklaard de relevante medische informatie te hebben gekregen vóórdat het lichaam van [slachtoffer] om uiterlijk 12.00 uur werd vrijgegeven. Immers, de medische informatie paste bij het letsel aan de benen en daarmee ook bij de conclusie dat sprake moest zijn geweest van een val van de trap. Deze conclusie was ter plaatse in de woning getrokken, gedeeld met de hulpofficier van justitie die het op zijn beurt heeft besproken met de officier van justitie. Het hof merkt in dit verband – volledigheidshalve – op dat eventuele contacten van verdachte met de huisartsenpost ná 12.00 uur die dag daarom niet relevant zijn.

Uit het proces-verbaal van de politie9 blijkt dat na afloop van de zitting van 13 maart 2014 door familieleden van [slachtoffer] aan de officier van justitie is meegedeeld dat er waarschijnlijk geen contact was geweest tussen de GGD-arts (verdachte) en de huisarts op 9 juli 2013.

Verdachte ontkent – ook in hoger beroep – dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan meineed. Eenduidig zijn de verklaringen van verdachte over zijn contacten met de huisarts(enpraktijk) op 9 juli 2013 echter niet.

Zo heeft verdachte op 17 november 2015 bij de politie verklaard10:

“V: Klopt de weergave in het proces-verbaal (het hof begrijpt: het proces-verbaal van de rechtbank in Zwolle d.d. 13 maart 2014) volgens u?

A: Ik heb onderzoek gedaan. Ik heb een aantal witte vlekken in de puzzel. Ik heb met [naam hovj] in zijn functie als hovj overleg gehad en met een zoon en een dochter. Daarna heb ik met de huisartsenpraktijk gebeld.

V: Kunt u verklaren welke huisarts u op dat moment gesproken heeft en welke informatie hij/zij u precies gegeven heeft?

A: Ik heb de assistente aan de lijn gekregen. De huisartswaarnemer was op dat moment niet beschikbaar en met hem heb ik later die ochtend contact gehad.

V: Welke informatie heeft die assistent verstrekt?

A: Het ging om een blauwe plek op haar enkel. Ik wilde weten of zij kort tevoren met een enkelkneuzing in de praktijk was geweest. Later die dag heb ik met de waarnemend huisarts telefonisch contact hierover. Ik kreeg toen de rest van de medische informatie. Ik was toen al weg uit de woning. [naam hovj] stond er wel bij toen ik de huisartsen praktijk belde.

(…) Ik heb op 9 juli 2013 met een assistente gesproken en met de waarnemend huisarts. Zijn naam weet ik niet meer. Ik heb er geen twijfel over. Ik heb de huisartsenpraktijk gebeld.

Bij de rechtbank Overijssel op de zitting van 3 november 2016 verklaarde verdachte in zijn eigen strafzaak11:

Ik heb die ochtend vanuit de woning van [slachtoffer] gebeld met de huisartsenpraktijk aan de [adres] en heb toen een assistent aan de lijn gekregen. Later op die dag, in de voormiddag, heb ik nog contact gehad met de waarnemend arts, maar dat was buiten de woning aan de [adres] . (…). Ik heb de papieren ingevuld, een artikel 10-bericht voor de officier gemaakt en de foto’s geupload en vervolgens ben ik teruggebeld door een arts. (…) De doktersassistente heeft verteld dat [slachtoffer] bekend was bij de internist en de neuroloog, maar medisch inhoudelijk kon ze niets vertellen. Ik zou daarover worden teruggebeld. (…) U vraagt mij of ik nou bij het eerste of het tweede telefoontje medische informatie heb gekregen. Dat loopt eigenlijk in elkaar over, want als je de huisartsenpraktijk belt, krijg je de informatie dat ze daar patiënt is en dat ze bij de neuroloog en de internist bekend is. Ook wordt gezegd dat je zult worden teruggebeld. Dan weet je dat er dus meer is, want anders hoeven ze niet terug te bellen. Die informatie heeft geen rol gespeeld bij het vaststellen van de doodsoorzaak, want de oorzaak was de zwaartekracht. Daar kunnen valneigingen achter zitten.

(…) Toen ik belde vanuit de hal, waren [naam hovj] en [verbalisant 1] ook in de hal aanwezig. (…) Ik ben toen gaan zoeken naar wie de huisarts was en naar het telefoonnummer. [verbalisant 1] zei toen dat ze wist wie de huisarts was en wat het nummer was.

In hoger beroep12 is verdachte bij zijn standpunt gebleven dat hij op de ochtend van 9 juli 2013 heeft gebeld met een assistente van de huisartsenpraktijk, dat zij geen antwoord kon geven op medische vragen en dat verdachte later die dag is teruggebeld door een (waarnemend) huisarts. Verdachte verklaarde ter terechtzitting van het hof op 21 november 2018 onder meer, zakelijk weergegeven: “Op de vraag of het letsel aan het been bekend was kon de assistente geen antwoord geven. Ik werd teruggebeld door de huisarts. (…) Ik heb net gezegd dat ik de doktersassistente aan de telefoon heb gehad. Ik weet niet of zij het EPD heeft geopend. Van die middag weet ik het zeker. Er is informatie gegeven over de patiënt.(…) Het blijft evident dat het EPD is gelezen. Ik leid dat af uit het feit dat aan mij medische informatie is gegeven.

Uit de verklaringen van verdachte in zijn eigen strafzaak kan derhalve reeds worden opgemaakt dat hij – anders dan hij op 13 maart 2014 ter terechtzitting van de rechtbank verklaarde – op de ochtend van 9 juli 2013 géén relevante medische informatie had gekregen waar hij zijn conclusie dat sprake was geweest van een val van de trap op kan hebben gebaseerd. Verdachte heeft op dit punt derhalve niet naar waarheid verklaard.

Echter ook de stellige bewering van verdachte dat hij op de ochtend van 9 juli 2013 (en later die dag) contact heeft gehad met iemand van de huisartsenpraktijk is onjuist gebleken.

Op eerdergenoemde zitting van de rechtbank van 3 november 201613 is de door verdachte genoemde [verbalisant 1] , agent van politie, als getuige onder ede verhoord. Zij verklaarde dat zij zich de ochtend van 9 juli 2013 nog goed kon herinneren, dat zij bij de schouw aanwezig is geweest en dat zij verdachte niet heeft zien bellen. Zij verklaarde: “Hij heeft zich niet tot mij gewend met een vraag naar het telefoonnummer van de huisartsenpraktijk. Ik heb niets opgezocht of iets dergelijks. Ik heb het nummer ook niet via de meldkamer gekregen. (…) Ik weet zeker dat ik niemand heb gebeld of een nummer heb opgezocht.

Eerder had [verbalisant 1] al telefonisch aan verbalisant [verbalisant 2] laten weten dat het opzoeken van een telefoonnummer op haar diensttelefoon ook niet had gekund, omdat zij een Nokia toestel had zonder internet verbinding14.

Medio/eind 2015 heeft de politie – op verzoek van de officier van justitie – navraag gedaan bij de medewerkers van de huisartsenpraktijk aan de [adres] in [plaats]15. De huisartsen die in 2013 bij deze praktijk werkzaam waren ( [huisarts 1] , [huisarts 2] , [huisarts 3] en [huisarts 4] ) hebben allen een verklaring ondertekend dat zij op 9 juli 2013 geen medische informatie hebben verstrekt over [slachtoffer] . De huisartsen [huisarts 2] en [huisarts 3] hebben hun verklaring nadien, op 5 januari 2016, nogmaals bevestigd.16 De doktersassistente [doktersassistent 1] heeft op 18 november 2015 bij de politie verklaard17 dat zij aan de registraties in het Elektronisch Patiënten Dossier (EPD) van [slachtoffer] kon zien dat zij op 9 juli 2013 om 9.28 uur een telefoontje kreeg van de ambulancedienst waarin werd doorgegeven dat op het adres van [slachtoffer] een vrouw dood onderaan de trap was aangetroffen en dat de politie ter plaatse ging. Op de vraag of dat ook een telefoontje van een GGD-arts kon zijn geweest heeft [doktersassistent 1] geantwoord echt wel het verschil te weten tussen de ambulancedienst en een GGD-arts, ook omdat ze zich op een andere manier voorstellen.

Uit de dagstaat van registraties in het EPD van [slachtoffer] , in hoger beroep aan het dossier toegevoegd18, blijkt dat het EPD op 9 juli 2013 meerdere keren is geopend door meerdere assistentes van de huisartsenpraktijk en dat er een notitie/memo aan is toegevoegd. Op de dagstaat is geen registratie te zien van een telefoontje van een GGD-arts dat betrekking zou kunnen hebben op medische informatie die aan hem is verstrekt – hetzij door een doktersassistente, hetzij door een huisarts. In hoger beroep is getracht duidelijkheid te verkrijgen omtrent de inhoud en nauwkeurigheid van die registraties in het EPD. Gebleken is dat de huisartsenpraktijk inmiddels is overgegaan op een ander softwaresysteem voor registraties in het EPD. Huisarts [huisarts 1] heeft om die reden de registratiegegevens in het EPD van het vorige systeem overgezet op een aparte computer en aan de hand daarvan de aan hem gestelde vragen zoveel mogelijk beantwoord. De oorspronkelijke registraties waren echter niet meer te achterhalen. De drie doktersassistentes ( [doktersassistent 2] , [doktersassistent 3] en [doktersassistent 1] ) die op 9 november 2018 door de raadsheer-commissaris als getuigen zijn gehoord konden uit eigen herinnering geen uitsluitsel meer geven over de redenen van en de nauwkeurigheid waarmee zij destijds de registraties in het EPD van [slachtoffer] hebben uitgevoerd. Het hof ziet in hetgeen thans aan informatie voorhanden is over de registraties in het EPD redenen om aan de accuraatheid hiervan te twijfelen maar ziet echter, mede gelet op hetgeen hierover door de drie doktersassistentes is verklaard, geen aanleiding om te veronderstellen dat – welbewust of uit slordigheid – een registratie van een contact met de GGD-arts op 9 juli 2013 tot tweemaal toe buiten het EPD is gehouden.

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof gewezen op het ‘registratieformulier lijkschouw’, dat als bijlage is gevoegd achter zijn verklaring bij de politie op 5 september 201319. Het formulier is met de hand ingevuld en gedateerd op 9 juli 2013. Op dit formulier staat achter de voorgedrukte vraag of de huisarts is geïnformeerd het vakje met “ja” aangekruist.

Anders dan verdachte heeft bepleit ziet het hof hierin geen steun voor de stelling van verdachte dat – alvorens het lichaam door de officier van justitie werd vrijgegeven – verdachte zelf contact heeft gehad met de huisarts(enpraktijk) en medische informatie had ontvangen. Dat de huisartsenpraktijk die ochtend over het overlijden van [slachtoffer] was geïnformeerd klopt op zichzelf overigens wel. Uit de verklaring van de medewerkster van de meldkamer20 blijkt immers dat zij op 9 juli 2013 omstreeks 09.27 uur de huisarts van [slachtoffer] heeft geïnformeerd. Dat is ook zichtbaar op de eerder genoemde dagstaat uit het EPD.

Ook uit de ‘checklist overleden patiënten”21 van de huisartsenpraktijk is bemoeienis van verdachte op geen enkele wijze op te maken.

Op grond van al het bovenstaande concludeert het hof dat verdachte op 13 maart 2014 als beëdigd deskundige in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij op de ochtend van 9 juli 2013, in de woning van de overleden [slachtoffer] , contact heeft gehad met de huisarts(enpraktijk) van [slachtoffer] en daarbij op dat moment medische informatie over haar heeft gekregen.

Opzet

Evenals de rechtbank overweegt het hof dat het enkele feit dat de verdachte een onjuiste verklaring heeft afgelegd, niet zonder meer betekent dat sprake is van meineed. Daarvoor is ook vereist dat wordt bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het afleggen van een – onjuiste – verklaring. Van belang daarbij is dat het in het algemeen denkbaar is dat iemand niet willens en wetens in strijd met de waarheid verklaart, maar dat hij zich vergist. Van opzet is dan geen sprake.

Met de rechtbank overweegt het hof dat verdachte in het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar de dood van [slachtoffer] op 5 september 2013 als getuige is gehoord.22 Daarbij is uitvoerig ingegaan op de schouw. In dat verhoor heeft verdachte niets verklaard over telefonisch contact met een huisarts of de huisartsenpraktijk op 9 juli 2013. Gelet op de vragen in dat verhoor die – onder meer – betrekking hadden op het letsel aan de benen had dit echter zeker voor de hand gelegen. Verdachte verklaarde in dit verband: “Bij oudere mensen kijk je vaak of ze eerder gevallen zijn. Er waren op het scheenbeen plekken zichtbaar die zouden kunnen zijn ontstaan door eerdere vallen. Ik denk dus (accentuering door hof) dat de vrouw al evenwichtsproblemen had. De linkerenkel was blauw. Het leek een soort van verzwikking. Dit moet recent letsel zijn. (…) Het is heel moeilijk om te bepalen hoe oud een blauwe plek is. Het verschil tussen een plek van een maand oud en een dag oud is wel te zien.

Wat verder opvalt is dat verdachte bij de rechtbank ter zitting van 3 november 2016 heeft verklaard dat hij op de bewuste ochtend telefonisch contact met de huisartsenpraktijk heeft gezocht omdat dat het protocol was en dat dat dus slechts ging om het mededelen van het overlijden van [slachtoffer] . Dit in tegenstelling tot de verklaring die verdachte – als deskundige – ter terechtzitting van 13 maart 2014 heeft afgelegd. Toen heeft verdachte immers verklaard dat hij ter plekke met de huisarts zou hebben gebeld omdat hij letsel aan de benen constateerde.

Het gaat in dit geval om een actieve handeling van verdachte (het plegen van een telefoontje) op de bewuste ochtend. In beginsel mag worden verondersteld dat een normaal mens, zo ook verdachte, zich bewust is van wat hij op een bepaald moment wel of niet heeft gedaan. Verdachte heeft ruim twee weken voorafgaand aan de zitting van 13 maart 2014 contact gehad met de huisarts van [slachtoffer] , [huisarts 1] , op 26 februari 2014. Bij die gelegenheid heeft verdachte uitgebreide medische informatie gekregen om zich – naar eigen zeggen – voor te bereiden op de zitting. Gelet op die korte periode van iets meer dan twee weken kan er naar het oordeel van het hof geen sprake zijn van bij vergissing verklaren dat de medische informatie van de huisarts al op 9 juli 2013, in de woning van de overledene, was verkregen. Naar het oordeel van het hof moet de verdachte zich er ten tijde van zijn verklaring op 13 maart 2014 ten volle bewust van zijn geweest dat hij op 9 juli 2013 geen telefonisch contact met de huisarts(enpraktijk) heeft gehad voor het inwinnen van medische informatie. Door onder ede te verklaren dat hij die ochtend dat contact wél heeft gehad, heeft verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid verklaard. Gelet op het feit dat verdachte al jarenlang in zijn functie van schouwarts als deskundige heeft opgetreden moet hij zich ook ten volle bewust zijn geweest van de implicaties hiervan.

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte geen enkel motief zou hebben om in strijd met de waarheid te verklaren en er daarom geen sprake kan zijn van opzet. Het hof ziet echter in de kritische ondervraging ter zitting bij de rechtbank door leden van de rechtbank alsook de kritische opmerkingen van forensisch arts [deskundige] , een medisch collega, voldoende motief aanwezig om te verklaren dat er die ochtend van 9 juli 2013 medische informatie was verkregen om zodoende aan te geven dat de conclusies die er plekke door verdachte zijn getrokken wel degelijk deugdelijk waren, en acht opzet aanwezig zoals hierboven omschreven.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 maart 2014 te Zwolle ter terechtzitting van de Meervoudige Kamer voor strafzaken in de Rechtbank Overijssel, als deskundige in de zaak tegen [G.K.] (parketnummer 08/950828-13), nadat hij in handen van [naam rechter] op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, zijnde een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, in strijd met de waarheid – zakelijk weergeven – heeft verklaard:

“Aan de benen zie ik letsel en daarom heb ik ter plekke met de huisarts gebeld. Ik hoor dat ze valneigingen heeft en dat verklaart het letsel aan de scheenbenen.” en

“Ik heb met de huisarts gebeld die ochtend en medische informatie gekregen en daarmee heb ik het plaatje ingekleurd.”.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

in de gevallen, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meineed, door als beëdigd deskundige opzettelijk onder ede een valse verklaring af te leggen ten overstaan van de rechtbank. Het afleggen van de eed of belofte dient er toe om de betrouwbaarheid van een verklaring te waarborgen. Door opzettelijk in strijd met de waarheid te verklaren heeft de verdachte de waarheidsvinding ondermijnd. Hierdoor wordt het algemeen belang bij een deugdelijke rechtspleging direct en in ernstige mate geraakt. Het betreft een ernstig strafbaar feit. Met name in het onderhavige geval waarin de verdachte als deskundige is gehoord.

Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 september 2020 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor dergelijke strafbare feiten. Op zijn documentatie staat alleen dat de verdachte recent een strafbeschikking heeft gekregen voor een verkeersovertreding.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf overweegt het hof enerzijds dat de door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke taakstraf van 180 uren op zichzelf een passende straf is. Anderzijds heeft het hof oog voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder met name ook de grote gevolgen die de onderhavige strafzaak voor verdachte heeft gehad, zowel beroepsmatig als privé.

Daarnaast heeft het hof geconstateerd dat de behandeling van de zaak zeer lang heeft geduurd en niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn acht het hof het thans niet langer passend om een onvoorwaardelijke straf op te leggen.

Alles afwegende acht het hof een voorwaardelijke taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van 1 jaar een passende straf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 207 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. E.M.J. Brink, voorzitter,

mr. A.J. Rietveld en mr. L.J. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Dörholt, griffier,

en op 20 oktober 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 17 november 2015, procesverbaalnummer 2013069241, als bijlage gevoegd achter het proces-verbaal relaas onderzoek [naam] , opgemaakt door [verbalisant 2] , inspecteur van politie d.d. 13 januari 2016 met proces-verbaalnummer ON1RO15051.

2 proces-verbaal bevindingen d.d. 10 februari 2016, opgemaakt door [naam hovj] , inspecteur van politie, met als bijlage een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt in juli 2013, van verrichtingen ter plaatse, als bijlage gevoegd achter het proces-verbaal relaas onderzoek [naam] , opgemaakt door [verbalisant 2] , inspecteur van politie, d.d. 13 juli 2016 met proces-verbaalnummer ON1RO15051.

3 gevoegd als bijlage achter het proces-verbaal relaas onderzoek [naam] , opgemaakt door [verbalisant 2] , inspecteur van politie, d.d. 13 juli 2016 met proces-verbaalnummer ON1RO15051.

4 zie het hiervoor onder noot 2 genoemde proces-verbaal.

5 proces-verbaal verhoor getuige [verdachte] , met bijlage, op 5 september 2013 op gemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , als bijlage gevoegd achter het proces-verbaal relaas onderzoek [naam] , opgemaakt door [verbalisant 2] , inspecteur van politie d.d. 13 januari 2016 met proces-verbaalnummer ON1RO15051.

6 proces-verbaal van de openbare terechtzitting d.d. 13 maart 2014 van de rechtbank Overijssel, zittinghoudende te Zwolle .

7 zie het onder noot 6 genoemde proces-verbaal, blz. 5.

8 zie het onder noot 6 genoemde proces-verbaal, blz. 7.

9 proces-verbaal relaas onderzoek [naam] , opgemaakt door [verbalisant 2] , inspecteur van politie d.d. 13 januari 2016 met proces-verbaalnummer ON1RO15051, pag. 2.

10 proces-verbaal verhoor verdachte met proces-verbaalnummer 2013059241, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 2] op 17 november 2015, als bijlage behorend bij het proces-verbaal relaas onderzoek [naam] met nummer ON1RO15051, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 2] op 13 januari 2016).

11 proces-verbaal terechtzitting van 3 november 2016 van de rechtbank Overijssel, pag. 2 en 3.

12 proces-verbaal van de zitting bij het hof op 21 november 2018, pag. 4 , 5 en 6.

13 zie noot 11, pag. 4.

14 proces-verbaal relaas onderzoek [naam] , opgemaakt door [verbalisant 2] , inspecteur van politie d.d. 13 juli 2016 met proces-verbaalnummer ON1RO15051, pag. 2.

15 processen-verbaal van verhoor getuige d.d. 15 oktober 2015 en 3 november 2015, beide met proces-verbaalnummer 2013059241 en opgemaakt door [verbalisant 2] , als bijlagen opgenomen achter het proces-verbaal relaas onderzoek [naam] , opgemaakt door [verbalisant 2] , inspecteur van politie d.d. 13 januari 2016 met proces-verbaalnummer ON1RO15051.

16 processen-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 januari 2016, beide met proces-verbaalnummer 2013059241 en opgemaakt door [verbalisant 2] , als bijlagen opgenomen achter het proces-verbaal relaas onderzoek [naam] , opgemaakt door [verbalisant 2] , inspecteur van politie d.d. 13 januari 2016 met proces-verbaalnummer ON1RO15051.

17 proces-verbaal verhoor getuige [doktersassistent 1] d.d. 18 november 2015 met proces-verbaalnummer 2013059241, opgemaakt op 19 november 2015 en opgenomen als bijlage achter het proces-verbaal relaas onderzoek [naam] , opgemaakt door [verbalisant 2] , inspecteur van politie d.d. 13 januari 2016 met proces-verbaalnummer ON1RO15051.

18 zie de bijlagen bij de “aanvullende motivering” van de raadsheer-commissaris van dit hof d.d. 21 mei 2018.

19 formulier opgenomen als bijlage bij het proces-verbaal verhoor getuige [verdachte] , d.d. 5 september 2013, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , en gevoegd bij het proces-verbaal relaas onderzoek [naam] , opgemaakt door [verbalisant 2] , inspecteur van politie d.d. 13 januari 2016 met proces-verbaalnummer ON1RO15051.

20 (proces-verbaal verhoor getuige [naam getuige] d.d. 19 november 2015, genummerd 2013059241 met als bijlage een mutatierapport d.d. 9 juli 2013 te 15.01 uur, registratienummer PL04ZC 2013056662-1, beide stukken als bijlagen behorend bij het proces-verbaal relaas onderzoek [naam] met nummer ON1RO15051, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 2] op 13 januari 2016).

21 formulier gevoegd achter het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van dit hof d.d. 23 september 2020.

22 proces-verbaal verhoor getuige [verdachte] , met bijlage, op 5 september 2013 op gemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , als bijlagen opgenomen behorend bij het proces-verbaal relaas onderzoek [naam] met nummer ON1RO15051, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 2] op 13 januari 2016).