Tuchtcollege berispt voormalig topchirurg ZGT Serdjan Rakic

Lees: SIN-NL doofpotdossier Rakic

—–

Tuchtcollege berispt voormalig topchirurg ZGT

Het medisch tuchtcollege heeft voormalig chirurg Serdjan Rakic (65) van Ziekenhuisgroep Twente (ZGT) berispt voor een fout verlopen galblaasoperatie. Van vermeende medische fouten bij twee andere patiënten sprak het college hem vrij, zo meldt dagblad Tubantia.

De tuchtzaak tegen Rakic was nu door de IGZ aangespannen. Het ging om drie buikoperaties in 2014 die slecht afliepen. Twee van de drie patiënten overleden, beiden drie dagen na de ingreep. De inspectie vindt dat Rakic’ operatievaardigheden ‘niet voldoen aan wat redelijkerwijs van een chirurg mag worden verwacht’. Het tuchtcollege in Amsterdam ging in dit oordeel echter niet mee.

Rakic werkt niet meer in het ZGT en heeft bij het college verklaard ook niet meer als chirurg aan het werk te gaan. De arts werkte sinds 1995 in het ZGT. Hij genoot volgens Tubantia groot aanzien, met name op het vlak van gecompliceerde slokdarm- en buikoperaties. Sinds 2010 kwamen er klachten van patiënten.

Zelf erkende Rakic bij het tuchtcollege zijn fout. Hij typeerde zichzelf als een spookrijder die niet doorheeft dat hij de verkeerde weg volgt, aldus Tubantia.


tubantia.nl

Serdjan Rakic

Serdjan Rakic © ZGT

Voormalig topchirurg ZGT sluit carrière af met berisping

ALMELO/AMSTERDAM – Het medisch tuchtcollege heeft voormalig ZGT-chirurg Serdjan Rakic (65) berispt voor een fout verlopen galblaasoperatie, maar verwerpt het oordeel van de inspectie dat hij niet meer voor zijn vak geschikt zou zijn.

Serdjan Rakic is volgens het medisch tuchtcollege in Amsterdam niet de ‘risicovolle operateur’ waarvoor de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) hem houdt. Een berisping is de op een na lichtste maatregel die het college kan opleggen. Die kreeg de voormalige topchirurg van ZGT voor een fout verlopen galblaasoperatie. Van vermeende medische fouten bij twee andere patiënten sprak het college hem vrij.

Gevolgen

De berisping heeft feitelijk weinig gevolgen. Rakic werkt niet meer in het ZGT en heeft bij het college verklaard ook niet meer als chirurg aan het werk te gaan. Rakic meldde zich in 2014 ziek vanwege de commotie rond de drie omstreden operaties. Na een jaar ziekte werd in 2015 zijn contract met ZGT ontbonden. De arts werkte daar sinds 1995. Hij genoot groot aanzien, met name op het vlak van gecompliceerde slokdarm- en buikoperaties. Sinds 2010 werd hij echter achtervolgd door een reeks klachten van patiënten.

IGZ

De tuchtzaak tegen Rakic was nu ook door de IGZ aangespannen. Het ging om drie buikoperaties in 2014 met een slechte afloop. De eerste patiënte overleefde die, maar heeft een lange revalidatie moeten ondergaan. De twee andere patiënten overleden, beiden drie dagen na de ingreep van Rakic.

De IGZ meent dat zijn operatievaardigheden ‘niet voldoen aan wat redelijkerwijs van een chirurg mag worden verwacht’. Het harde oordeel werd gebaseerd op video-opnames van de drie operaties. Deskundigen, die de beelden bekeken, spraken van ‘ruw en minder secuur werken’ en van ‘een slechte techniek’.

Galblaasoperatie

Het tuchtcollege verwerpt zoals gesteld de klacht dat Rakic ‘onvoldoende operatievaardigheden’ heeft. Zeker bij zijn handelen bij de twee overleden patiënten.

Rakic krijgt de berisping wel voor een galblaasoperatie, die helemaal verkeerd werd uitgevoerd. Hij had de galweg helemaal doorgesneden, zonder dat zelf te zien. Gal liep zo de buikholte in, wat fataal kan zijn. Bij het tuchtcollege erkende Rakic zijn fout. Hij typeerde zichzelf toen als een spookrijder die niet doorheeft dat hij de verkeerde weg volgt.


https://www.medischcontact.nl/nieuws/laatste-nieuws/artikel/ziekenhuis-gebruikt-opnames-niet-netjes.htm 26 okt 2017

Uitspraak tuchtcollege

Ziekenhuis gebruikt opnames niet netjes

Gegrond: berispinG

Inleidend

In vrij korte tijd krijgen drie patiënten van een ervaren gastro-enterologisch chirurg ernstige complicaties. Twee van hen overlijden, bij een derde staat buiten kijf dat de operateur een fout heeft gemaakt. In het ziekenhuis waar hij werkt, worden operaties standaard met video opgenomen.

Het ziekenhuis laat de video’s van de operaties waarna complicaties optraden, beoordelen door twee chirurgen uit een ander centrum. Anoniem. Die komen tot een vernietigend oordeel: het lijkt wel of hier een beginner aan het werk was. Je zult het maar te horen krijgen, als ervaren chirurg. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), die de opnames blijkbaar ook gewoon kreeg opgestuurd door het ziekenhuis, neemt het oordeel van de anonieme deskundigen over, en legt de zaken voor aan het regionaal tuchtcollege (RTG). Dat oordeelt dat de chirurg inderdaad verwijtbare fouten heeft gemaakt in één casus, en geeft hem een berisping. Dat zijn operatietechniek onvoldoende zou zijn, zoals de IGZ zegt, kan het RTG niet concluderen.

De tuchtrechter is terecht niet te spreken over hoe de IGZ en het ziekenhuis omgingen met de video-opnames. Alleen de ingrepen bekijken waarbij iets misging, ook nog eens zonder te weten wat er verder in de operatiekamer gebeurde, geeft geen eerlijk beeld. En deze door anonieme anderen laten bekijken, schept ook bepaald geen vertrouwen. Als je opnames maakt – en daar valt veel voor te zeggen – zorg dan vooraf voor duidelijke spelregels. En zorg dat degenen die figureren in de beelden het daarmee eens zijn.

Sophie Broersen, arts/journalist

Sjaak Nouwt, jurist KNMG

De uitspraak

Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam d.d. 18 april 2017

Beslissing naar aanleiding van de op 29 juli 2016 binnengekomen klacht van:

INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG,

kantoorhoudende te Utrecht,

k l a a g s t e r,

verder te noemen: IGZ,

vertegenwoordigd door:

drs. P.M. Sleeuwenhoek, coördinerend/specialistisch senior inspecteur,

mr. M.E. Oosting, senior adviseur juridische zaken,

tegen

A, chirurg, destijds werkzaam te B,

v e r w e e r d e r ,

gemachtigde: mr. M.J.J. de Ridder, advocaat te Utrecht.

 

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

–                     het klaagschrift met de bijlagen;

–                     het verweerschrift met de bijlagen;

–                     de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

–                     de op 17 februari 2017 binnengekomen brief van IGZ met CD-roms met daarop video-opnamen van drie operaties;

–                     de op 20 februari 2017 binnengekomen brief van de gemachtigde van verweerder met bijlage.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

De klacht is op een openbare zitting behandeld.

Partijen waren aanwezig.

Klager werd bijgestaan door zijn raadsman en IGZ werd vertegenwoordigd door genoemde medewerkers alsmede door drs. M.B. van Elst. Zijdens IGZ is een toelichting gegeven aan de hand van pleitaantekeningen die aan het college en de wederpartij zijn overgelegd.

Voorts werd prof. dr. C. chirurg, als deskundige gehoord.

2.         De feiten

2.1       Verweerder is werkzaam geweest als algemeen chirurg in ziekenhuisgroep D (verder: het ziekenhuis). Hij maakt deel uit van het deelcluster GE-chirurgie en is in 2013 als zodanig geregistreerd en gecertificeerd. Verweerder verrichtte ongeveer vijftig laparoscopische galblaasoperaties en 70-80 laparoscopische navel- en littekenbreuken per jaar.  Verweerder heeft sinds 14 mei 2014 geen werkzaamheden meer verricht als arts/chirurg wegens ziekteverlof. Als gevolg van ziekte van verweerder gedurende één jaar is het maatschapscontract en de toelatingsovereenkomst met het ziekenhuis ontbonden.

2.2       IGZ heeft drie meldingen over verweerder ontvangen, naar aanleiding waarvan IGZ een onderzoek heeft ingesteld. De van dat onderzoek opgestelde rapportage bevindt zich bij de stukken (productie 3a t/m 3c bij klaagschrift). Op 9 juli 2015 heeft IGZ een gesprek met verweerder gevoerd, waarvan een verslag is opgemaakt. Op verzoek van de Raad van bestuur van het ziekenhuis is door een calamiteitencommissie een onderzoek inzake de drie meldingen verricht, resulterend in een rapport per melding d.d. 23 oktober 2014, die bij het klaagschrift zijn overgelegd (productie 6a, 6b, 6c).

2.3       De eerste melding is afkomstig van mevrouw K geboren op oktober 1988. Zij was wegens symptomatisch galsteenlijden verwezen naar de polikliniek chirurgie van het ziekenhuis. Op 10 januari 2014 heeft verweerder bij K een laparoscopische cholecystectomie uitgevoerd. Volgens het operatieverslag verliep de ingreep ongecompliceerd. De galblaas bleek fors ontstoken. Na de operatie had K veel pijn en bewegingsdrang en was regelmatige pijnstilling noodzakelijk. K is de volgende dag om 13.15 uur uit het ziekenhuis ontslagen. Zij is de dag erna, op 12 januari 2014, wegens toenemende pijnklachten gezien op de SEH van het ziekenhuis en is, na overleg met verweerder die dienst had, ter observatie opgenomen. 2.4  Verweerder was vanaf 13 januari 2014 op vakantie. Hij heeft K vanaf zijn vakantieadres in het EPD gevolgd. In de decursus heeft verweerder geschreven: “Veel sneller actie nodig!!!! Pt. Is verdacht voor gallekkage of andere complicatie van cholecystectomie inclusief letsel (…)”.

2.5       Na onderzoek bleek op 15 januari 2014 sprake van iatrogeen galwegletsel van de ductus choledochus (hoofdgalgang) met gallekkage. Er bestond geen verbinding meer tussen het proximale en distale deel van de ductus choledochus waardoor gal in de buikholte is gelekt. K is overgedragen aan een ander ziekenhuis voor re-operatie. Daarbij bleek dat niet alle clips op de ductus cysticus waren geplaatst; de onderste clip is op de choledochus terecht gekomen. Meerdere operaties zijn gevolgd met een lange opname- en herstelperiode.

Op 28 maart 2014 is de behandeling van K beëindigd. Zij is goed hersteld.

2.6       Na zijn vakantie is verweerder over de complicatie bij K geïnformeerd. Verweerder heeft op 21 februari 2014 bij de Raad van Bestuur melding gemaakt van een potentiële calamiteit. Op 5 maart 2014 heeft verweerder met K over de complicatie gesproken. Verweerder heeft een tekening getoond met een hapje uit de hoofgalweg en noteerde over dat gesprek in het medisch dossier: “Uitleg over informed consent, operatie (volgens mij “probleemloos verlopen”, begrijpen moeilijk dat zo iets mogelijk is…), letsel en postop.beloop. Herkenning van complicatie en mogelijk chir. fout duidelijk gegeven. Ook info dat deze complicatie NIET PER SE “chirurgische fout” beteknt (…) Na veel vragen, antwoord op alle vragen dat ik kon geven werd gegeven. Info dat OK-film bestaat Info over mogelijkheden ontevredenheid/klacht te presenteren: van klachtencommissie via schadeclaim t/m tuchtcollege. Na goede gesprek geen extra-vragenToch met beter gevoel naar huis. Voor alle nieuwe vragen mag altijd retour.

2.7       De tweede melding is op 13 mei 2014 gedaan door het ziekenhuis en betreft de zorgverlening aan de heer T.J. K, geboren op oktober 1939. T.J. K had een belaste medische voorgeschiedenis en was onder meer bekend met chronische lymfatische leukemie, atriumfibrillatie met een licht verminderde ventrikelfunctie, een geringe aortaklepstenose en mitralisklepinsufficiëntie. In december 2013 had patiënt een biliaire cholangitis doorgemaakt, gepaard gaande met ernstige sepsis. Tussen december 2013 en april 2014 is patiënt een aantal malen gezien door een cardioloog voor medicamenteuze behandeling van een hoge en onregelmatige hartfrequentie. Patiënt is voor poliklinische intake op 8 januari 2014 bij verweerder geweest, waarbij de risico’s van de operatie zijn besproken. Bij patiënt was sprake van comorbiditeit. Op 7 maart 2014 bezocht patiënt opnieuw de polikliniek waarbij operatie en kans op complicaties, waaronder nabloeding, werden besproken. Tevens werd besproken de antistolling te stoppen.

2.8       Op 18 april 2014 heeft verweerder bij T.J. K een laparoscopische cholecystectomie verricht. Vrij snel na de start van de operatie ontstonden problemen met de stabiliteit van de hartfrequentie en de bloeddruk. Een tweede chirurg is door verweerder gevraagd mee te kijken naar de route in verband met een brede choledochus. Verweerder heeft patiënt die middag met de anesthesioloog op de Recovery bezocht en constateerde een haemodynamische stabiele situatie. Verweerder is daarna niet meer bij de zorg voor patiënt betrokken geweest. In de avond was sprake van een forse Hb daling. In verband met een postoperatief aanhoudende hoge hartfrequentie is patiënt door de anesthesioloog van de Recovery overgeplaatst naar de CCU-afdeling. Op 19 april 2014 is een intra-abdominale bloeding geconstateerd en aan het begin van de avond is patiënt opnieuw geopereerd. Hij bleef daarna hemodynamisch en respiratoir instabiel. De dag erna is een myocardinfarct vastgesteld. T.J. K is op 21 april 2014 overleden.

2.9       De calamiteitencommissie van het ziekenhuis is tot de conclusie gekomen dat bij T.J. K sprake was van een gecompliceerd ziektebeloop. Als gevolg van een doorgemaakte ontsteking was sprake van een lastigere dan gemiddelde laparoscopische cholecystectomie. De galblaas bleek erg verbakken met omliggende structuren en was lastig vrij te prepareren. Diverse factoren in combinatie met elkaar hebben bijgedragen tot de verslechtering van de conditie van patiënt, wat uiteindelijk heeft geresulteerd in een groot myocardinfarct dat patiënt fataal is geworden. Dat een causaal verband bestaat tussen de wijze van opereren en de ontstane nabloeding, heeft de commissie niet kunnen vaststellen.

2.10     Melding 3 is afkomstig van het ziekenhuis en betreft de zorgverlening aan mevrouw K-S, geboren op juli 1930. Patiënte had in maart 2014 een acute galblaasontsteking doorgemaakt, vermoedelijk veroorzaakt door galstenen, waarvoor een galdrain was ingebracht. K-S gebruikte daarna bloedverdunnende middelen. Door de MDL-arts werd patiënte naar verweerder verwezen voor een laparoscopische cholecystectomie, die op 7 mei 2014 heeft plaatsgevonden. De operatie verliep moeizaam, vanwege vele verklevingen. De galblaas en galdrain zijn verwijderd. Het postoperatieve herstel van K-S verliep moeizaam. Op

9 mei 2014 is een CT-scan gemaakt, waaruit veel vrij vocht en lucht in de buik bleek. Patiënte werd verdacht van een abdominale sepsis. Bij re-operatie werd een gallekkage met infectie vastgesteld, waarvoor drains zijn ingebracht en een stent is geplaatst. Postoperatief herstelde patiënte niet. T-K is op 10 mei 2014 in het ziekenhuis overleden als gevolg van multi-orgaanfalen door abdominale sepsis, veroorzaakt door geïnfecteerd gal in de buikholte als gevolg van gallekkage ontstaan bij de operatie, aldus de calamiteitencommissie.

2.11     In het ziekenhuis worden video-opnames gemaakt van alle laparoscopische operaties. Deze opnames zijn door het ziekenhuis gebruikt bij het interne onderzoek naar de drie meldingen. Twee gastro-intestinaal en oncologisch chirurgen uit een universitair medisch centrum hebben anoniem aan de hand van de beelden de technische uitvoering van de drie operaties beoordeeld. Samengevat is daarover het volgende gerapporteerd:

Melding 1 operatie K

“Deskundige 1: “Al van vrij vroeg in de operatie is het evident dat de operateur niet op de goede plaats zit, dicht bij de galblaas, maar iets te ver richting de choldochus.” (…) Deskundige 2: “Niet de goede techniek, gebruikt in combinatie met de matige handvaardigheid en niet herkennen ongebruikelijke zaken (…)

Deskundige 2 geeft de volgende beoordeling van het handelen door verweerder tijdens de operatie:

gaat onhandig,

 lijkt niet herkend te worden,

peritoneum wordt niet op de juiste plek geopend,

niet netjes op de galblaas geprepareerd, dus CBD blijkbaar niet herkend,

ruwe beweging waarmee bloeding ontstaat,

slechte techniek,

lompe en ruwe dissectie”.

Deskundigen zijn van mening dat de door verweerder gebezigde operatietechniek, ondanks jarenlange ervaring, wat ruwer is en minder secuur dan ze zelf gewend zijn. Dit geeft hen de indruk van “onervarenheid”.

Melding 2 operatie T.J. K

De deskundigen hebben de operatie als volgt beoordeeld:

De gebezigde techniek en volgorde van handelingen is conform de huidige inzichten. Er zijn geen ‘gevaarlijk’ technische handelingen gezien. Uit de soms wat haperende voortgang en enkele momenten van korte ‘besluiteloosheid’ lijkt er een chirurg aan het werk met weinig laparoscopische ervaring. Wat verder opvalt is dat deze chirurg wat ruwer met de weefsels omgaat dan de gemiddelde chirurg. Op een bepaald moment ontstaat een scheurtje in het leverkapsel door een minder gecontroleerde beweging met een instrument”.

Melding 3 operatie T-K

De deskundigen hebben over de operatie geoordeeld:

De gebezigde techniek en de volgorde van handelingen is globaal conform de huidige inzichten. Er zijn geen ‘gevaarlijk’ technische handelingen gezien. Uit de soms wat haperende voortgang en enkele momenten van korte ‘ besluiteloosheid’ lijkt er een chirurg aan het werk met weinig laparoscopische ervaring. Wat verder opvalt is dat deze chirurg wat ruwer met de weefsels omgaat dan de gemiddelde chirurg. Bij het clippen van de arterie is de beweging schokkerig, met afscheuren van weefsel tot gevolg. Dit resulteerde niet in een bloeding.”

3.         De klacht en het standpunt van IGZ

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder bij de drie laparoscopische galblaasoperaties heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die redelijkerwijs van hem verwacht mag worden. IGZ verwijt verweerder dat:

1) zijn operatievaardigheden niet voldoen aan wat redelijkerwijs van een chirurg mag worden verwacht (de professionele standaard);

2) hij bij de operatie van K – melding 1 – niet de juiste operatietechniek heeft gehanteerd (operatieroute en werkwijze waardoor hij in plaats van de ductus cysticus de ductus choledochus heeft doorgesneden) en gebruikelijke aanwijzingen (bloeding en gallekkage) niet heeft herkend;

3) hij na de operatie van K onvoldoende transparantie heeft geboden. Verweerder heeft gezegd dat sprake was van een “hapje uit de galgang, maar dat dit niet perse betekende dat hij een chirurgische fout had gemaakt” . Hij heeft verzwegen dat hij abusievelijk de galgang had doorgenomen.

4.           Het standpunt van verweerder

Verweerder erkent bij de operatie van mevrouw K fouten te hebben gemaakt, de verkeerde route te hebben genomen en dat zijn interpretatie van de anatomie niet goed is geweest.

Voor het overige heeft verweerder de klacht bestreden.

Verweerder betreurt het dat op deze manier einde komt aan zijn carrière nu hij altijd zijn best heeft gedaan. Hij wil niet meer als arts/chirurg aan het werk en voelt zich publiekelijk aan de schandpaal genageld.

 

5.         De beoordeling

5.1.     Het college wijst er bij die inhoudelijke beoordeling allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2.      Met de klacht onder 1) ligt de vraag voor of de operatietechniek van verweerder ten aanzien van de drie meldingen al dan niet voldoet aan de professionele standaard. IGZ stelt, onder verwijzing naar de rapportage over de drie operaties, dat de door verweerder gehanteerde operatietechniek niet voldoet aan wat je van een chirurg mag verwachten. Het college is van oordeel dat dit niet kan worden vastgesteld ten aanzien van de meldingen 2 en 3. De overgelegde rapportage biedt daarvoor geen serieuze grondslag nu daarin over de beide operaties is genoteerd: “De gebezigde techniek en volgorde van handelingen is conform de huidige inzichten. Er zijn geen ‘gevaarlijk’ technische handelingen gezien.”

Ook de deskundige prof. dr. C heeft ter zitting verklaard dat de techniek van verweerder binnen de bandbreedte valt, zij het aan de onderkant, van wat op grond van de professionele standaard van een chirurg mag worden verwacht. De leden-chirurg van het college hebben de video-opnames van de operatie bekeken en kunnen zich vinden in wat door C ter zitting is verklaard. Opmerkelijk is dat bij het onderzoek door IGZ uitsluitend de beelden van de drie operaties zijn betrokken. Ook meent het college dat het moeilijk blijft om uitsluitend op beelden van de operatie een oordeel te vellen, zonder te weten wat er nog meer in de operatiekamer gebeurt. De analyse van de uitkomsten van verweerders laparoscopische cholecystectomieën over de jaren 2009-2014, die onderdeel uitmaakte van de rapportage van de calamiteitencommissie, laat complicatiepercentages zien conform de literatuur, zodat ook op grond van deze cijfers mag worden geconcludeerd dat verweerder heeft gehandeld binnen de bandbreedte van wat van een redelijk bekwaam beroepsbeoefenaar mag worden verwacht. Al met alkan naar het oordeel van het college niet worden vastgesteld dat de operatietechniek van verweerder (meer) risico’s voor de patiëntveiligheid geeft, dan in het algemeen van een chirurg wordt verwacht, zoals IGZ stelt. Tevens is het in zijn algemeenheid ongewenst dat de deskundigen in de rapportage anoniem worden vermeld. Op die wijze kan niet worden getoetst of en in hoeverre sprake is van “deskundigheid”.

5.3.      Wat de klacht onder 2), de operatie van mevrouw K, betreft heeft verweerder van meet af aan erkend dat hij niet de goede operatieplaats heeft uitgekozen en een onjuiste werkwijze en operatieroute heeft toegepast. Verweerder heeft aanwijzingen voor het verkeerde vlak niet herkend, zoals herhaaldelijke gallekkage en bloeding. Het afprepareren van het peritoneum gebeurde niet op de galblaaswand. Het college stelt vast dat niet is gewerkt volgens de principes  van het verkrijgen van een critcal view of safety zoals vastgelegd in de best practice: De techniek van de laparoscopische cholecystectomie (Critical View of Safety)

De klacht onder 2) zal dan ook gegrond worden verklaard.

 

5.4     IGZ heeft de klacht onder 3) gebaseerd op schending door verweerder van de “Gedragscode Openheid medische incidenten: betere afwikkeling Medische Aansprakelijkheid (GOMA)”. De arts behoort een gemaakte foutteerkennen en de patient daarvoor verontschuldigingen aan te bieden, wat verweerder jegens mevrouw K heeft nagelaten, aldus IGZ.

5.5.      Het college is van oordeeldat de patiënt er recht op heeft om te weten wat er is gebeurd. De arts is verplicht de patiënt te informeren over de aard en feitelijke toedracht van een incident en heeft een “ophelderingsplicht’, zoals vervat in beginsel 7 van genoemde gedragscode.Openheid richting de patiënt en zijn familie over datgene wat gebeurd is en hoe de toedracht is onderzocht, is van essentieel belang om het vertrouwente herstellen. Ook helpt het de patiënt bij het verwerken van de gebeurtenissen. Dat verweerder daarin tuchtrechtelijk verwijtbaar is tekortgeschoten, kan het college niet vaststellen. Uit wat verweerder daarover in het medisch dossier heeft genoteerd en ter zitting heeft verklaard, blijkt dat hij patiënt uitgebreid heeft gesproken, heeft erkend dat sprake was van een chirurgische fout en heeft gewezen op de mogelijkheden om kennis te nemen van de video-opnames en de mogelijkheden om te klagen over zijn handelen. Niet uit te sluiten is dat verweerder er naar zijn zeggen op heeft willen wijzen dat er een verschil is tussen een medische (kunst)fout en aansprakelijkheid c.q. recht op schadevergoeding. Naar verweerder heeft verklaard had hij voor het gesprek van een collega begrepen dat de wand van de galgang was beschadigd (hapje uit de galgang). Pas later is hem duidelijk geworden dat de gehele galgang per abuis was doorgeknipt. De klacht onder 3) zal het college als ongegrond afwijzen.

5.6.      De conclusie van het voorgaande is dat de klacht deels gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg  jegens mevrouw K had behoren te betrachten.

5.7.      De oplegging van na te melden maatregel is daarvoor passend. Verweerder heeft bij de operatie van mevrouw K de techniek voor de laparoscopische cholesystectomie onjuist toegepast en heeft de principes van Critical View of Safety (CVS) genegeerd. Aldus is sprake van laakbaar en verwijtbaar handelen door verweerder, waarmee oplegging van de maatregel van berisping op zijn plaats is.

5.8.      Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

 

6. De beslissing

Het college:

–         verklaart de klacht onder 2) gegrond;

–         verklaart de klacht onder 1) en 3) ongegrond;

–         legt op de maatregel van berisping.

 

Bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG

in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften Medisch Contact en het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht ter bekendmaking zal worden aangeboden.

Aldus beslist door:

mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter,

dr. J.W.D. de Waard, dr. B. van Ramshorst en dr. G.A. Hoffland, leden-arts,

mr. A. van Maanen, lid-jurist,

bijgestaan door mr. J.M. Sodderland-Elzas, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken ter zitting van 18 april 2017 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

Delen:Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Share on LinkedInEmail this to someone