Raad van State: publicatie tuchtmaatregel tegen arts E. Kuyken in BIG-register blijft gehandhaafd

De Raad van State oordeelde op 10 oktober 2018 dat de publicatie van de berisping in het BIG-register opgelegd aan arts E. Kuyken, door het Centraal Tuchtcollege 7 juli 2016 gehandhaafd blijft.

Volgens de Raad van State is in navolging van het terechte oordeel van de rechtbank Den Haag 9 nov. 2017 AWB 17-440 de minister niet bevoegd om de tuchtrechtelijke uitspraak inhoudelijk te beoordelen en zo nodig de categorieomschrijving op andere wijze in het BIG-register aan te tekenen dan het CTG heeft vermeld.
De minister is op grond van artikel 9 van de Wet BIG gehouden om de opgelegde maatregel en de aard van het vergrijp dat tot de aantekening heeft geleid in het register aan te tekenen zoals het CTG dat aan de minister heeft gemeld.
De publicatie van de berisping van arts E. Kuyken in het BIG-register blijft ongewijzigd gehandhaafd.

Toelichting SIN-NL
Op 7 juli 2016 besliste het Centraal Tuchtcollege (CT) dat aan arts E. Th Kuyken, werkzaam als adviserend geneeskundige bij de GGD Haaglanden een berisping werd opgelegd.

In 2013 vroeg een patient (1971) sinds 1995 getroffen door een dwarslaesie en volledig rolstoelgebonden bij de Gemeente vergoeding van extra bewassings- en slijtagekosten van kleding en beddengoed en extra stookkosten.
Kuyken vroeg geen nadere specifieke informatie op bij de behandelend revalidatie- arts en week desalniettemin af van het advies van de revalidatiearts.
Kuyken adviseerde tot afwijzing van het verzoek van vergoeding.
Naar het oordeel van het CT onterecht:
“Nu de arts dit heeft nagelaten, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de arts een onvoldoende diepgaand en zelfstandig onderzoek heeft verricht en ten onrechte heeft beargumenteerd waarom hij niet de mate van incontinentie zoals gesteld door revalidatiearts I. onverkort heeft overgenomen”.
Er volgde een berisping en publicatie in het BIG-register.

Arts Kuyken probeerde bij de Minister de publicatie te laten verwijderen, tevergeefs.
Kuyken probeerde via de rechtbank Den Haag om de publicatie te laten verwijderen, tevergeefs.
Kuyken probeerde de Raad van State om de publicatie te laten verwijderen, tevergeefs.

Al met al toont arts Kuyken een enorm gebrek aan zelfreflectie en een enorme gedrevenheid om zijn gelijk te halen.
Wat dreef hem om aan een patiënt met een dwarslaesie een relatief geringe vergoeding van extra bewassings- en slijtagekosten van kleding en beddengoed en extra stookkosten, zo onterecht te weigeren?
De berisping, publicatie in het BIG-register en publicatie op zwartelijstartsen.nl zijn volkomen rechtmatig.

BIG-register

Naam: 
Kuyken Erik Theodoor
Geslacht
: Man
BIG-nummer
19022311201
Beroepsgroep
 Artsen
Plaats 
Den Haag
Aantekening
Bij de inschrijving in het register van artsen is per 7 juli 2016 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: onjuiste behandeling en/of verkeerde diagnose.

Zie hieronder:
tekst uitspraak Raad van State 10 oktober 2018 publicatie berisping blijft gehandhaafd
tekst uitspraak Centraal Tuchtcollege 7 juli 2016 berisping
Nog niet beschikbaar
-Tuchtcollege te Den Haag 16 december 2014, 2013-305 afwijzing van klacht door patient.
-Rechtbank Den Haag 9 nov. 2017 AWB 17-440 ECLI:NL:RBDHA:2017:12994 publicatie berisping blijft gehandhaafd

Uitspraak Raad van State  201709811/1/A2 Datum uitspraak: 10 oktober 2018

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 november 2017 in zaak nr. 17/440 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister voor Medische Zorg.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2016 heeft de minister de aan [appellant] door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: CTG) opgelegde berisping per 7 juli 2016 aangetekend in het BIG-register.

Bij besluit van 7 december 2016 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 november 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2018, waar [appellant], vergezeld van [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A.H. Gatzen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is als arts werkzaam bij de GGD Haaglanden, waar hij vooral een medisch adviserende taak heeft. Tegen hem is een tuchtklacht ingediend. Het CTG heeft de klacht in hoger beroep bij uitspraak van 7 juli 2016 (ECLI:NL:TGZCTG:2016:240) gegrond verklaard en aan hem de maatregel van berisping opgelegd. Daarbij heeft het CTG in het begeleidend formulier aanbieding beslissing aan BIG-register de categorieomschrijving ‘onjuiste behandeling/verkeerde diagnose’ en ‘afgifte van een onjuiste verklaring of rapport’ vermeld als aard van het vergrijp die tot de maatregel van berisping heeft geleid.

2. Bij besluit van 11 juli 2016, gehandhaafd bij besluit van 7 december 2016, heeft de minister op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) de aan [appellant] door het CTG opgelegde berisping per 7 juli 2016 aangetekend bij zijn inschrijving in het BIG-register. Aan die besluitvorming heeft de minister ten grondslag gelegd dat hij op grond van de Wet BIG en het Registratiebesluit BIG, als aan de daarin vermelde voorwaarden is voldaan, is gehouden om de maatregel aan te tekenen in het BIG-register. De minister heeft zich bij de aantekening van de berisping in het BIG-register gebaseerd op de door het CTG vermelde categorieomschrijvingen van de aard van het vergrijp waarvoor aan [appellant] een maatregel is opgelegd. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat deze categorieomschrijvingen aansluiten bij de inhoud van de tuchtrechtelijke uitspraak. Daarmee zijn volgens de minister de categorieomschrijvingen niet evident onjuist gekwalificeerd en bestaat geen ruimte om daarvan af te wijken.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de categorieomschrijvingen niet evident onjuist zijn gekwalificeerd. Er is volgens [appellant] voldoende reden om in zijn specifieke geval de categorieomschrijving ‘afgifte van een onjuiste verklaring of rapport’ te schrappen. Het oordeel van het CTG weerspiegelt niet hetgeen volgens hem in werkelijkheid aan de hand is geweest. Hij stelt een zeer overzichtelijk en degelijk beargumenteerd advies te hebben uitgebracht. Daarom is de door het CTG gegeven categorieomschrijving een evident onjuiste kwalificatie, zodat de minister hiervan had moeten afwijken. Door de categorieomschrijving ‘afgifte van een onjuiste verklaring of rapport’, die de minister na zijn bezwaar aan het BIG-register heeft toegevoegd, is hij in een veel ongunstiger positie komen te verkeren. En dat terwijl het voor de minister toentertijd ook al duidelijk moet zijn geweest dat de beide categorieën zijn feitelijke handelen helemaal niet weergaven. Daarbij komt dat een bij de GGD werkzame arts in het algemeen adviserend werkzaam is en zijn verklaringen en rapportages betrouwbaar en geloofwaardig dienen te zijn. De vermelding van beide categorieën in het BIG-register ondermijnen de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van zijn werkzaamheden in ernstige mate, waardoor de daarop gebaseerde besluitvorming ook kan worden aangetast. Bovendien bestaat, gelet op de omstandigheid dat hij nogal eens onwelgevallig voor cliënten die onterecht voorzieningen claimen adviseert, een grote kans dat meer klachten zullen worden ingediend waardoor hij verder in zijn werkzaamheden zal worden belemmerd. Overigens is ook de categorieomschrijving ‘onjuiste behandeling en/of verkeerde diagnose’ ten onrechte opgenomen en dient de maatregel van berisping ook niet in het BIG-register te worden aangetekend, omdat het oordeel van het CTG volgens hem niet is gebaseerd op de werkelijkheid en hij geen berisping verdient.

3.1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage is onderdeel van deze uitspraak.

3.2. Het betoog van [appellant] komt er hoofdzakelijk op neer dat hij het niet eens is met de uitspraak van het CTG en de gang van zaken in die procedure. Die uitspraak is echter in hoogste tuchtrechterlijke instantie gewezen. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, is de minister niet bevoegd om de tuchtrechtelijke uitspraak inhoudelijk te beoordelen en zo nodig de categorieomschrijving op andere wijze in het BIG-register aan te tekenen dan het CTG heeft vermeld.
 De minister is op grond van artikel 9 van de Wet BIG gehouden om de opgelegde maatregel en de aard van het vergrijp dat tot de aantekening heeft geleid in het register aan te tekenen zoals het CTG dat aan de minister heeft gemeld. Daarmee heeft de minister ook niet de vrijheid om rekening te houden met de gevolgen die een aantekening van een maatregel en/of vermelding van de aard van het vergrijp in het BIG-register met zich brengen.

Voor zover de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat hij het bestendig beleid hanteert om bij het overnemen van de aard van het vergrijp altijd te toetsen of de categorieomschrijving niet evident onjuist is gekwalificeerd, impliceert dit niet dat de minister, zoals [appellant] wel lijkt voor te staan, een inhoudelijk oordeel geeft over die kwalificatie. Het beleid voorziet enkel in een controle op hoofdlijnen of de categorieomschrijvingen overeenstemmen met hetgeen in de uitspraak van het CTG is overwogen met als doel om te voorkomen dat evidente verschrijvingen op het formulier aanbieding beslissing CTG aan BIG-register in het register worden overgenomen. Dat betekent dat de minister niet zelf bevoegd is om een andere categorieomschrijving van de aard van het vergrijp in het BIG-register te vermelden. Nu in dit geval de categorieomschrijvingen van de aard van het vergrijp hun grondslag vinden in de uitspraak van het CTG, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van evident onjuiste categorieomschrijvingen als vorenbedoeld geen sprake is.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Rijsdijk
lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2018

705.

BIJLAGE – Wettelijk kader

Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg

Artikel 9

1. In het register wordt, indien zulks voortvloeit uit een op grond van deze wet genomen maatregel of besluit, een aantekening geplaatst van:

[…]

b. een aan de ingeschrevene opgelegde berisping;

[…]

5. De in het eerste lid, onderdeel a tot en met j, en de in het tweede lid bedoelde aantekening wordt gedurende een bij algemene maatregel van bestuur bepaalde termijn in het register vermeld en daarbij wordt indien bekend de aard van het vergrijp vermeld dat tot de aantekening heeft geleid.

Artikel 10

1. Iedere inschrijving, aantekening of doorhaling in een register geschiedt op grond van een daartoe strekkende gedagtekende beschikking.

[…]

Artikel 11

1. Onze minister draagt zorg voor openbare kennisgeving van:

a. hetgeen op grond van artikel 9 in het register is aangetekend en vermeld, met dien verstande dat van de aan een ingeschrevene opgelegde voorwaarden uitsluitend wordt kennisgegeven in de bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen;

[…]

2. In de openbare kennisgeving worden de naam en de woonplaats van de betrokkene vermeld. De openbare kennisgeving geschiedt op bij algemene maatregel van bestuur te regelen wijze en voor de daarbij vast te stellen duur, met dien verstande dat de kennisgeving in ieder geval in de Staatscourant geschiedt.

Artikel 47

1. Degene die in een der in het tweede lid vermelde hoedanigheden in een register ingeschreven staat, is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van:

a. enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij in die hoedanigheid behoort te betrachten ten opzichte van:

1˚. degene, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand hij bijstand verleent of zijn bijstand is ingeroepen;

2˚. degene die, in nood verkerende, bijstand met betrekking tot zijn gezondheidstoestand behoeft;

3˚. de naaste betrekkingen van de onder 1˚ en 2˚ bedoelde personen;

b. enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg.

2. De in het eerste lid bedoelde hoedanigheden zijn die van:

arts,

[…].

3. De tuchtrechtspraak wordt in eerste aanleg uitgeoefend door regionale tuchtcolleges en in beroep door een centraal tuchtcollege.

[…].

Artikel 48

1. Het berechtende college kan ten aanzien van een aan de tuchtrechtspraak onderworpen persoon een van de volgende tuchtrechtelijke maatregelen opleggen:

[…]

b. berisping;

[…].

Registratiebesluit BIG

Artikel 5

[…]

2. Van de gegevens, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet, de gegevens omtrent alle voorwaarden daaronder begrepen, wordt openbaar kennis gegeven:

a. door middel van publicatie in een of meer dag- of weekbladen die worden verspreid in het gebied waarin de betrokkene zijn beroep uitoefent, en

b. door middel van publicatie op daartoe bestemde websites op internet.

3. Voor de openbare kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, onder b, en de aantekening in het BIG-register, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet, geldt dat deze raadpleegbaar zijn voor:

[…]

b. een berisping: gedurende 5 jaar;

———————
https://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI_NL_TGZCTG_2016_240

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2015.115 van:
A., wonende te B., gemeente C., appellant, klager in eerste aanleg, gemachtigde: mr. Y.H.G. van der Hut te Den Haag,
tegen
D., arts, werkzaam te E., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. C.M.H. van Vliet te Den Haag.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klager – heeft op 17 december 2013 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen D. – hierna de arts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 16 december 2014, onder nummer 2013-305 heeft dat College de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 2 juni 2016, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de arts, eveneens bijgestaan door zijn gemachtigde.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
2.1 Klager, geboren op 8 mei 1971, heeft sinds een auto-ongeluk in 1995 een dwarslaesie op niveau Th. 10, motorisch compleet, sensibel incompleet, en is als gevolg hiervan volledig rolstoelgebonden.
2.2 Verweerder is als adviserend geneeskundige werkzaam bij de F.,G., welke organisatie per 1 januari 2014 is opgegaan in F.,H.
2.3 Klager heeft bijzondere bijstand aangevraagd bij de gemeente C. (hierna te noemen: de gemeente) in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) voor extra bewassings- en slijtagekosten van kleding en beddengoed en extra stookkosten.
2.4 De gemeente heeft bij brief van 2 augustus 2013 in het kader hiervan verweerder verzocht een sociaal medisch advies bijzondere bijstand uit te brengen over klager voor extra bewassings- en slijtagekosten, alsmede extra energiekosten.
2.5 In verband hiermee heeft klager het spreekuur van verweerder bezocht op
11 september 2013 en heeft verweerder informatie opgevraagd bij de door klager opgegeven revalidatiearts. Uiteindelijk heeft verweerder op 12 november 2013 informatie ontvangen van een andere revalidatiearts, mevrouw I.
2.6 Op 15 november 2013 heeft verweerder ‘Advies bijzondere bijstand’ uitgebracht. Verweerder concludeert daarbij:
2.7 “(…) is het aannemelijk dat er regelmatig incontinentieproblematiek voorkomt. Echter belanghebbende is wel in staat te achten effectief/efficient met incontinentiemateriaal om te gaan, zodat extra kosten vanwege het vaker bewassen en de in meerdere mate optredende slijtage van kleding en beddengoed op hooguit incidentele basis, (…) zijn te vergoeden.”
2.8 Verweerder heeft herbeoordeling over twee jaar geadviseerd.
3. De klacht
Klager verwijt verweerder zakelijk weergegeven dat hij heeft geweigerd cruciale informatie op te vragen bij een behandelend arts. Verder heeft verweerder ten onrechte niet de mate van incontinentie zoals gesteld door revalidatiearts I. overgenomen.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 De gemeente beslist over de vraag of klager voor vergoeding van extra bewassings- en slijtagekosten in aanmerking komt. Het is de taak van de arts om een medisch advies uit te brengen, indien de gemeente dat in het kader van de uitvoering van de Wet werk en bijstand (Wwb) verzoekt. Anders dan verweerder betoogt heeft klager zijn klacht voldoende geformuleerd en met de beschikbare gegevens kan het College hierover een uitspraak doen. Klager is dan ook ontvankelijk in zijn klacht.
5.2 Uitgaande van de feiten en de overgelegde stukken stelt het College vast dat de door verweerder verrichte medische onderzoeken zijn uitgevoerd volgens de normen van de beroepsgroep. Voor het uitbrengen van de adviezen heeft verweerder gebruik gemaakt van een (standaard) formulier. De (werk)aantekeningen van verweerder van zijn onderzoeken hebben als grondslag hiervoor gediend.
In het kader van de beoordeling of een vergoeding van extra bewassings- en slijtagekosten medisch noodzakelijk is, heeft verweerder klager onderzocht en voorts gebruik gemaakt van informatie die hij heeft opgevraagd bij de revalidatiearts. Verweerder heeft zich daarbij zowel tot revalidatiearts J. als revalidatiearts I. gewend. Bij brief van 11 november 2013 heeft I. verweerder informatie verstrekt. Tevens heeft op 15 november 2013 telefonisch contact plaatsgehad tussen verweerder en I..
Het is het College niet gebleken dat verweerder onzorgvuldig onderzoek heeft verricht en de aandoeningen en beperkingen van klager onjuist heeft voorgesteld. Verweerder heeft – gelet op de door hem opgevraagde medische informatie en zijn eigen onderzoek – op goede gronden tot zijn advies kunnen komen.
5.3 De verklaring van J. van 6 mei 2013, waarnaar klager verwijst, doet aan het voorgaande niet af. Verweerder heeft zich bij het opvragen van informatie tot J. gewend. Deze verwees verweerder echter door naar I.. De daarop ontvangen brief van 11 november 2013 van I. is vervolgens van recentere datum dan de verklaring van J. van 6 mei 2013. Verweerder mocht en kon zich voor zijn advies dan ook baseren op de informatie van I..
5.4 Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1 Klager beoogt met zijn beroep zijn klacht in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert (impliciet) tot gegrond verklaring van het beroep.
4.2 De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van het beroep althans het beroep als kennelijk ongegrond niet verder in behandeling te nemen.

4.3 Voor zover de arts ter zitting in beroep heeft betoogd dat klager zijn klacht in beroep heeft uitgebreid en dat hij daarom niet kan worden ontvangen in zijn beroep, overweegt het Centraal Tuchtcollege dat voldoende aannemelijk is dat klager in beroep uitsluitend heeft beoogd de grondslag van zijn klacht uit te breiden, zodat het Centraal Tuchtcollege aan deze stelling van de arts voorbijgaat.
4.4 Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel, waarin klager aanvoert dat de arts ten onrechte heeft geweigerd cruciale informatie op te vragen bij een behandelend revalidatiearts, overweegt het Centraal Tuchtcollege dat de behandeling van de zaak in beroep geen aanleiding geeft tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep op dit onderdeel moet worden verworpen.
4.5 In zijn tweede klachtonderdeel verwijt klager de arts dat hij in zijn advies inzake bijzondere bijstand van 15 november 2013 niet de mate van incontinentie, meer in het bijzonder de frequentie dat klager kleding of beddengoed moet verschonen in verband met zijn incontinentie (verder ook: ongelukjes), heeft overgenomen, zoals deze is vastgesteld door de behandeld revalidatiearts van klager, drs. I.
In het advies van 15 november 2013 van de arts is in dit kader het volgende te lezen:
“Met betrekking tot extra kosten vanwege bewassing en slijtage van kleding en beddengoed, is het aannemelijk dat er regelmatig incontinentieproblematiek voorkomt. Echter, belanghebbende is wel in staat te achten effectief/efficient met incontinentiemateriaal om te gaan, zodat extra kosten vanwege het vaker bewassen en de in meerdere mate optredende slijtage van kleding en beddengoed op hooguit incidentele basis, zie ook de tekst in uw aanvraag, zijn te vergoeden.”
4.6 Bij brief van 11 november 2013 heeft drs. I. aan de arts onder meer het volgende bericht:
“Incontinentie: bij patiënt is sprake van neurogenen blaas en darmstoornissen ten gevolge van de dwarslaesie waardoor er sprake is van stress en urge incontinentie op onverwachte momenten. Dit komt regelmatig voor.”
Daarbij is het Centraal Tuchtcollege uitgegaan van de tekst van deze brief zoals deze in eerste aanleg door klager als productie bij zijn klaagschrift is overgelegd en in beroep door de arts als productie 4 bij het verweerschrift, nu deze gelijkluidend zijn en afwijken van de in hoger beroep als productie 11 bij het beroepschrift overgelegde versie van deze brief.
4.7 In de handgeschreven aantekeningen van de arts naar aanleiding van het verrichte onderzoek op 11 september 2013 wordt ten aanzien van de frequentie van incontinentie niet of onvoldoende duidelijkheid geboden.
4.8 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat uit deze aantekeningen van de arts niet valt af te leiden met welke frequentie klager wordt geconfronteerd met ongelukjes. Desgevraagd heeft de arts ter zitting in beroep ook geen nadere toelichting kunnen geven over de betekenis van de door hem gemaakte aantekeningen. De arts heeft ter zitting voorts verklaard dat hij deze frequentie bij klager blijkbaar onvoldoende heeft uitgevraagd. Het Centraal Tuchtcollege is onder deze omstandigheden van oordeel dat de arts de frequentie en mate van ongelukjes van klager nader had moeten bevragen, alvorens hij tot een gefundeerd advies had kunnen komen. Het maakt immers nogal een verschil of incidenten dagelijks, wekelijks of met een mindere frequentie plaatsvinden, waarbij ook de mate van urine en ontlastingverlies van belang kan zijn. 
Nu de arts dit heeft nagelaten, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de arts een onvoldoende diepgaand en zelfstandig onderzoek heeft verricht en ten onrechte heeft beargumenteerd waarom hij niet de mate van incontinentie zoals gesteld door revalidatiearts I. onverkort heeft overgenomen. Voor zover de arts heeft willen betogen dat hij onder tijdsdruk heeft moeten handelen, omdat hij werd gemaand een advies uit te brengen, geldt dit in ieder geval niet voor het persoonlijke onderzoek dat hij op 11 september 2013 bij klager heeft verricht. Klachtonderdeel 2 is gelet op het voorgaande gegrond, zodat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege niet in stand kan blijven.
4.9 Ten aanzien van de zwaarte van de maatregel overweegt het Centraal Tuchtcollege dat de handelwijze van de arts zodanig verwijtbaar is dat niet kan worden volstaan met een waarschuwing. Het Centraal Tuchtcollege acht daarom de maatregel van berisping passend en geboden.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep;
en opnieuw rechtdoende: verklaart klachtonderdeel 2
alsnog gegrond;
legt aan de arts de maatregel van berisping op;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven door: mr. K.E. Mollema, voorzitter, mr. L.F. Gerretsen-Visser
en mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen, leden-juristen en drs. H.S. Boersma en
mr. drs. J.A.W. Dekker, leden-beroepsgenoten en mr. M. van Esveld, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2016.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.