NRC interview Simon Boerboom ex-psychiater ivm doorhaling in BIG-register

Commentaar SIN-NL
Weer publiceert NRC een groot interview met een falende arts dit keer de ex-psychiater Simon Boerboom. Falend neuroloog Jansen Steur ging hem voor evenals falend (vaat)chirurg Muller.
Het interview is geschreven door Jannetje Koelewijn de partner van Cees Tulleken, gepensioneerd neurochirug UMCU die uit de school klapte over de medische situatie van Friso.
NRC geeft deze falende artsen een podium om hun eigen apologie-verdedigingstoespraak- in de openbaarheid te brengen. Waar blijft het  wederhoor, het tegengeluid, bv de ouders van de overleden jongeman?

———————

‘Ze hebben me zijn dood in de schoenen geschoven’

Simon Boerboom (61) werd psychiater, terwijl het in zijn eigen hoofd een chaos was. Toen een patiënt overleed, moest hij zijn praktijk sluiten. ‘Wat me heeft genekt, is mijn gebrek aan besef hoe het systeem werkt.’

Simon Boerboom, ex-psychiater: „Vanochtend wilde ik om tien uur de deur uitgaan, ruim op tijd voor onze afspraak. Kon ik het T-shirt dat ik wilde aantrekken nergens vinden. Mijn medicijnen – ook nergens vinden. Shit. Zoeken, zoeken, zoeken. Oké, gevonden. Ik om kwart over tien de deur uit. Heb ik mijn telefoon niet bij me. En geen geld. De etiquette schrijft voor dat jij onze lunch betaalt, maar je weet maar nooit, dus ik naar een automaat. Negatief saldo. Stap ik in de tram, heb ik de verkeerde ov-chipkaart bij me.

„Zo gaat het nou altijd. Gelukkig was ik hier toch nog een kwartier te vroeg, anders had jij gedacht: wat een arrogante man. Hij komt te laat, hij is chaotisch, hij kijkt om zich heen, wil hij dit gesprek wel? Ja, dat wil ik, al zal het pijnlijk worden. Maar hou er rekening mee dat er een ADHD’er tegenover je zit.

„Waar zullen we beginnen. Ik ben van 1954. Geboren in Amsterdam, op de Vrijheidslaan, destijds de Stalinlaan. Een stille, rustige jongen. Mijn vader was fysicus, mijn moeder huisvrouw. Eén oudere broer. Een warm gezin, niet streng. Niets werd opgelegd, alles werd uitgelegd.

„Toen ik de diagnose ADHD kreeg, op mijn vijftigste, dacht ik: dat ik als kind geen drop-out was, komt doordat ik niet in een stramien werd geduwd. Op de lagere school kreeg ik de ruimte. Op het Barlaeus Gymnasium daarna kon ook veel. Het waren de jaren zestig. Als je zei: ik snap de regels niet, zei iedereen: wij ook niet. Er is een stroming die zegt dat kinderen juist door te weinig structuur ADHD krijgen. Maar het is andersom. ADHD komt tot uiting als er te veel structuur is. Je wordt geboren als ADHD’er. Je hebt een ander brein. Vroeger ging je het leger in, de zee op. Nu moet je je aanpassen en hoe meer je gedwongen wordt, hoe meer gedragsproblemen.

„Na het Barlaeus wilde ik geneeskunde studeren. Uitgeloot. Daar had ik totaal niet op gerekend. Toen ben ik Zweeds gaan doen, met Fins als bijvak. Na een jaar: weer uitgeloot. Ik heb mijn geld van de bank gehaald en ben naar Helsinki gegaan, zonder plan. Typisch ADHD. Impulsief. Mijn gedachten schieten door, en mijn emoties ook. Ik kan als een kind zo blij zijn, maar als jij iets naars tegen me zegt, val ik keihard omlaag. Daarom krijgen ADHD’ers ook wel de diagnose manisch-depressief. Maar dan heb je een stoornis van het gevoel. Je bent vrolijk terwijl er niets is om vrolijk over te zijn. Als ik vrolijk ben, is daar een goede reden voor. Voordat ik amfetamine ging slikken, kon ik ook heel moeilijk mijn mond houden. Kwam de raad van bestuur zeggen dat we harder moesten werken. Zei ik: ‘als jullie ons niet waren komen storen, hadden we nu gewerkt’. Moet je niet doen, hè.

„Na drie jaar werd ik ingeloot. Dat was in 1976. Vijftien jaar later heb ik mijn artsexamen gedaan, om je dood te schamen. Alles was leuker dan studeren. Hele dagen heb ik kletsend en koffiedrinkend in de kantine doorgebracht. Ik demonstreerde tegen kruisrakketen. Ik was actief in de PSP. Mijn vader bleef me betalen, godzijdank. Als ik zei dat ik beter kon stoppen, zei hij: ga maar door.

„Goed, toen was ik dus basisarts. Ik woonde samen, ik was net vader geworden, en ik kon gaan werken op het consultatiebureau voor alcohol en drugs in Alkmaar. Fantastisch. Heel veel ADHD’ers daar, al noemden we ze anders. ADHD was een diagnose voor kinderen. Ik had toen nog niet het idee dat ik zelf ook een stoornis had, maar ik merkte wel dat dingen raar liepen. Ik heb geen hiërarchisch besef. Dat is een voordeel als je met drugsgebruikers, moordenaars en tbs’ers werkt. Mijn patiënten konden het wel waarderen. Maar met hogergeplaatsten kwam ik in conflict. Moest ik formulieren invullen waar ik het nut niet van inzag. ‘Ja, het moet toch.’ Hoezo moet dat?

„Na zes jaar was mijn belangstelling voor psychiatrische stoornissen zo groot geworden dat ik in opleiding tot psychiater wilde. Dat ging niet vanzelf, maar uiteindelijk durfden ze het in het AMC met me aan. Ik moest in leertherapie, fantastisch. Mijn therapeut was een klassiek freudiaanse analyticus en ik ben, zonder te weten wat het precies inhield, met Freud opgevoed. Het ging bij ons thuis altijd over het onderbewuste, het neurotisch conflict. Mijn vader was in analyse geweest bij professor Bastiaans, die mensen met een oorlogstrauma behandelde. Geniaal, en zeer omstreden vanwege zijn onorthodoxe methoden. Mijn vader had geweigerd de loyaliteitsverklaring te ondertekenen en was naar Duitsland afgevoerd.

‘ADHD was de diagnose. Mijn hele verleden kwam in een ander daglicht te staan. Ik was volkomen de weg kwijt’

„De leertherapie heeft me veel inzicht in mezelf gegeven, maar de ADHD kwam er niet uit, daar was mijn therapeut de man niet naar. Hij zei wel: ‘weet je, Simon…’ Of nee, hij zei: ‘weet u, meneer Boerboom, u doet me denken aan wijze baby’s, mensen die als kind al uitstralen dat ze niets meer hoeven te leren’.

„Ondertussen was het in mijn hoofd een chaos, zonder dat ik me ervan bewust was. Er was altijd wel iets onbegrijpelijks aan de hand. Werd ik bij de hoogleraar geroepen: Simon, psychiaters lopen niet op gympen. O, nou, deze psychiater wel. Later begreep ik: alleen als je heel veel strepen op je schouders hebt, kun je je eigenzinnig gedrag veroorloven. Aan het eind van het eerste jaar werd ik bijna uit de opleiding gezet. Op eigen verzoek ben ik verder gegaan in Mentrum, een psychiatrische instelling in Amsterdam. Uiteindelijk heb ik de hulp van een advocaat moeten inroepen om mijn eindbeoordeling te krijgen, op mijn tweeënvijftigste. Toen vroeg een van de psychiaters die me begeleidden of ik er wel eens aan gedacht had dat ik ADHD zou kunnen hebben. Nee! Het idee dat alles ook normaal had kunnen verlopen, dat ik op mijn tweeëndertigste al psychiater had kunnen zijn – onverdraaglijk.

„Ik ben naar mijn huisarts gegaan. Die verwees me naar een vrijgevestigde psychiater. Onderzoek, onderzoek. Ik ken de rijtjes ook, dus ik kon zijn gedachtegang volgen. Geen antisociale persoonlijkheidsstoornis, geen narcist, ADHD bleef over. Mijn hele verleden kwam in een ander daglicht te staan. Ik was volkomen de weg kwijt.

„Het conflict met de Inspectie voor de Gezondheidszorg begon vier jaar geleden. Jij zegt dat ze me misschien allang in de gaten hielden. Weet je dat? Oké, je denkt het. Hoe dan ook, een patiënt van mij was overleden na een val tegen een kastje. Een jongen die aan psychoses leed. Hij was nog naar boven gelopen en in zijn bed gaan liggen, en daar hebben ze hem gevonden. Waarschijnlijk een subduraal hematoom, een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies. Er kwam wat bloed uit zijn oor. Dat was op 13 januari 2012. Ik ging met vakantie en toen ik terugkwam, lag er een brief van de inspectie. Ze waren twee keer bij me aan de deur geweest. Het gesprek dat daarop volgde, duurde drieënhalf uur, en vier weken later kreeg ik het bericht dat ze voornemens waren mijn praktijk te sluiten. Ik kreeg drie dagen om te reageren, maar de dag erop werd ik al gebeld door een journalist van het AD. ‘Meneer Boerboom, wat is uw reactie?’ Stond het bevel tot sluiting al op internet. Ik zou die jongen verkeerde medicatie hebben gegeven, en in te grote hoeveelheden. Hè? Het was toch een hersenbloeding?

„Twee tuchtzaken zijn er geweest, ik heb ze allebei verloren. Ze bleven vasthouden aan de overdosering, waardoor die jongen gestruikeld zou zijn. Ik werd vergeleken met professor Bastiaans, en dat was niet als compliment bedoeld. Maar toen ik dat tegen mijn ouders zei, zeiden zij: o, wat leuk.

„Wat me heeft genekt, is mijn gebrek aan besef hoe het systeem werkt. Als ik zie dat de medicijnen die je volgens de richtlijn moet voorschrijven niet werken, schrijf ik andere medicijnen voor. Ik overlegde wel met collega’s, maar dat had ik veel duidelijker moeten doen. Ik had ook telkens in het dossier moeten aantekenen wat mijn afwegingen waren. Ik had erover moeten publiceren in wetenschappelijke tijdschriften. Dat heb ik niet gedaan. Als je geen strepen op je schouder hebt, moet je geen dingen buiten het protocol doen. Het was niet aan mij om onconventioneel en grensverleggend te zijn.

Nu hebben ze me de verantwoordelijkheid voor de dood van die jongen in de schoenen geschoven.

„Sinds drie jaar vecht ik voor herziening van mijn zaak. Ik werk er elke dag aan, om te voorkomen dat ik me een machteloos slachtoffer voel. De wetenschap dat ik ga winnen, houdt me op de been. Ik heb nu een praktijk voor mensen met een posttraumatische stressstoornis, ergens in het buitenland. Ik kan maar beter niet zeggen waar. Nee, ik schrijf geen medicijnen voor en ik presenteer me niet als arts. Ik ben nu coach.”

Delen:Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Share on LinkedInEmail this to someone