Kno-arts voorwaardelijke taakstraf wegens valsheid in geschrifte

Commentaar SIN-NL:
Weer wordt een nb duidelijk criminele arts beschermd door rechters-vriendjes:
Eerst door rechters van de de meervoudige kamer voor strafzaken- bij vonnis van 24 november 2016 de medeverdachte [naam medeverdachte] door  een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand te veroordelen wegens het gebruik van vervalste verwijskaarten.
En nu veroordeelt de politierechter  hem  tot een voorwaardelijke taakstraf:
mr. E.M. Havik, politierechter.
Deze verdient een plaats op zwartelijstrechters.org.


De politierechter heeft een kno-arts veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf vanwege valsheid in geschrifte. De arts maakte, waarschijnlijk op verzoek van een collega, valse verwijskaarten voor patiënten die al waren behandeld.

De veroordeelde kno-arts deed dit niet onder zijn eigen naam, maar gebruikte naamstempels van twee collega’s die van niets wisten. Daarbij gebruikte hij valse parafen, zo blijkt uit de uitspraak van de rechtbank in Rotterdam. Volgens de arts deed hij dit niet uit persoonlijk financieel gewin. De politierechter vermoedt dat hij de valse verwijzingen achteraf, op verzoek van een collega-kno-arts, maakte. Dit zou zijn gebeurd nadat zorgverzekeraars bij deze collega hadden aangedrongen op onderbouwing van zijn declaraties. Deze collega werd in een eerdere strafzaak veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf vanwege het gebruik van vervalste verwijskaarten.

Volgens de politierechter heeft de verdachte kno-arts afbreuk gedaan aan het vertrouwen dat artsen, patiënten en verzekeraars mogen stellen in de authenticiteit van verwijskaarten. De verschillende betrokkenen moeten erop kunnen vertrouwen dat de arts wiens naam erop staat, de verwijzing noodzakelijk vindt. Ook schaadde de kno-arts volgens de politierechter het vertrouwen van zijn twee collega’s wier naamstempels hij gebruikte. Zij werden in de eerdere strafzaak als verdachten aangemerkt.

Mede vanwege arbeidsongeschiktheid door hartklachten, hoeft de veroordeelde kno-arts de taakstraf niet uit te voeren, tenzij hij in zijn proeftijd van twee jaar alsnog in de fout gaat. De politierechter vindt het vooral van belang dat zowel de verdachte als de beroepsgroep zich goed realiseert dat de buitenwereld erop moet kunnen vertrouwen dat de informatie op een verwijskaart- of brief overeenkomt met de werkelijkheid.

Lees ook:

  • Taakstraf geëist tegen arts/opiatendief

    30 november 2016
    —————–
    bron: www.rechtspraak.nl

    ECLI:NL:RBROT:2017:2816

    Instantie
    Rechtbank Rotterdam
    Datum uitspraak
    13-04-2017
    Datum publicatie
    14-04-2017
    Zaaknummer
    10/993066-16
    Rechtsgebieden
    Strafrecht
    Bijzondere kenmerken
    Eerste aanleg – enkelvoudig
    Inhoudsindicatie

    KNO-arts veroordeeld voor valsheid in geschrift: het valselijk maken van verwijskaarten met daarop de naamstempels van twee collega’s, vergezeld van een (gefingeerde) paraaf.

    Een verwijskaart is bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, ook los van artikel 14, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet: de verwijskaart dient tot bewijs van het oordeel van de verwijzende arts dat specialistische zorg noodzakelijk was. Dat de collega’s het er mee eens waren dat hun naamstempels werden gebruikt, is niet gebleken.

    Vanwege de straf die aan een medeverdachte is opgelegd en de gezondheidstoestand van de verdachte is volstaan met een voorwaardelijke taakstraf. De politierechter vindt het vooral van belang dat zowel de verdachte als de beroepsgroep zich goed realiseert dat de buitenwereld er op moet kunnen vertrouwen dat de informatie op een verwijskaart of –brief overeenkomt met de werkelijkheid.

    Vindplaatsen
    Rechtspraak.nl

    Uitspraak

    Rechtbank Rotterdam

    Team Straf 1

    Parketnummer: 10/993066-16

    Datum uitspraak: 13 april 2017

    Tegenspraak

    VONNIS

    van de economische politierechter in de RECHTBANK ROTTERDAM, in de zaak tegen de verdachte:

    [naam verdachte] ,

    geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

    wonende te [woonplaats verdachte] , [adres verdachte] ,

    raadsman mr. D.J. van der Kolk, advocaat te Rotterdam.

    ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

    Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2017.

    TENLASTELEGGING

    Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De officier van justitie heeft gevorderd dat de tenlastelegging zal worden gewijzigd zoals omschreven in de door haar op schrift gestelde vordering, die aan de politierechter is overgelegd. De politierechter heeft deze vordering toegewezen. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

    EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

    De officier van justitie mr. L.L.H. Roebroek heeft gerequireerd tot:

    – bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

    – veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 120 uur subsidiair 60 dagen hechtenis.

    GEDEELTELIJKE VRIJSPRAAK

    Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen wat de verwijskaarten op naam van [naam benadeelde 1] (DOC-001-02) en [naam benadeelde 2] (DOC-001-09) betreft. De verdachte zal in zoverre zonder nadere motivering worden vrijgesproken.

    BEWIJSOVERWEGINGEN

    Namens de verdachte is aangevoerd dat de verwijskaarten die in de tenlastelegging zijn genoemd – in ieder geval voor zover verwijzing geen voorwaarde was voor specialistische zorg – niet bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen.

    Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet, in werking getreden op 1 januari 2006, zijn de zorgverzekeraars verplicht om in hun modelovereenkomsten op te nemen dat specialistische geneeskundige zorg als de onderhavige slechts toegankelijk is na verwijzing door in die overeenkomst aangewezen categorieën zorgaanbieders, waaronder in ieder geval de huisarts.

    Gelet op deze bepaling stelt de politierechter vast dat de verwijskaarten, genoemd in de tenlastelegging, gedurende de gehele periode, genoemd in de tenlastelegging, dienden als ‘toegangskaart’ tot de specialistische zorg zoals medeverdachte [naam medeverdachte] die leverde. Zelfs als – zoals door de verdediging betoogd – tot 1 januari 2012 feitelijk geen verwijskaart nodig was voor de declaratie van een medische verrichting, dan nog diende de verwijskaart tot bewijs van enig feit, namelijk tot bewijs van het oordeel van de verwijzende arts dat specialistische zorg noodzakelijk was. Overigens antwoordt KNO-arts [naam arts 1] , een (voormalige) collega van de verdachte, tegenover de Inspectie SZW op de vraag of hij ook cliënten behandelde zonder doorverwijzing: “sinds ongeveer 2003 of 2005 moesten patiënten een verwijskaart hebben.”1 Dit is in tegenspraak met de stelling van de verdediging dat tot 1 januari 2012 geen verwijskaart nodig was.

    Vervolgens heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte met het uitschrijven van de verwijskaarten niet tot doel had om zorgverzekeraars te misleiden of te bewegen om betalingen te doen. Dat medeverdachte [naam medeverdachte] in de periode 2015 / 2016 de verwijskaarten heeft gebruikt om zijn werkzaamheden te onderbouwen en te declareren, regardeert de verdachte niet. Volgens de verdediging had de verdachte alleen maar medische doelen voor ogen toen hij de verwijskaarten maakte: het ging er om het medische dossier op orde te hebben. De verdediging benadrukt dat de verdachte alleen verwijskaarten heeft uitgeschreven nadat hij met zijn expertise het audiogram van de betreffende patiënt had gezien en intercollegiaal overleg met de behandelend arts (medeverdachte [naam medeverdachte] ) had gepleegd. In gevallen waarin de verdachte de betrokken patiënt eerder zelf had gezien, zette de verdachte zijn eigen naamstempel op de verwijskaart. In gevallen waarin één van zijn collega’s de patiënt eerder had gezien, gebruikte de verdachte het naamstempel van die collega. Dit was volgens de verdachte een gebruikelijke gang van zaken.

    De politierechter stelt vast dat op de verwijskaarten die in de tenlastelegging zijn genoemd (voor zover zij geen onderwerp zijn van de gedeeltelijke vrijspraak) naamstempels zijn gebruikt van de KNO-artsen [naam arts 1] en [naam arts 2] , (voormalige) collega’s van de verdachte. Door de naam [naam arts 1] is een soort ‘krulletje’ geplaatst, door de naam [naam arts 2] een soort ‘vinkje’. De verwijskaarten zijn ongedateerd.

    Toen de verdachte ter zitting als getuige werd gehoord in de strafzaak tegen medeverdachte [naam medeverdachte] , verklaarde hij over zijn werkwijze als volgt:

    “Ik heb al deze verwijzingen zelf gemaakt, ook die op naam van [naam arts 1] en [naam arts 2] . Ik gebruikte hun naamstempel omdat het hun patiënten waren. Ik zette op de verwijskaarten van patiënten van [naam arts 1] de stempel van [naam arts 1] en plaatste er een krulletje bij. Bij patiënten van [naam arts 2] plaatste ik op de verwijzing de stempel van [naam arts 2] met een vinkje erbij. Er waren voorgedrukte formulieren. Alleen ik beoordeelde de audiogrammen die [naam medeverdachte] in het overleg inbracht. [naam arts 1] en [naam arts 2] waren daar niet bij.”

    Medeverdachte [naam medeverdachte] heeft hierover tijdens de zitting in zijn eigen strafzaak verklaard:

    “De verwijzingen worden altijd achteraf gemaakt. Dat kan ook niet anders want als je het

    gehoor opmeet en er is een gehoorprobleem dan zet de audicien ze pas op mijn spreekuur.

    De patiënt wordt daarna in het maatschapoverleg besproken. Dat is na het openen van een

    DBC. Het DBC moet je openen op het moment dat je de patiënt ziet. Naar aanleiding van

    het maatschapoverleg maakt [naam verdachte] de verwijskaart die ik dan van hem mee krijg.

    [naam verdachte] ziet het audiogram en stelt de medische indicatie. Hij heeft de formulieren bij zich,

    ik de naam- en adresgegevens van de patiënt. Die geef ik aan [naam verdachte] . Hij brengt het aan

    op zijn verwijskaart en ondertekent dat. Dat gebeurt in het maatschapoverleg. Soms kan het

    weken zijn tussen het zien van de patiënt en afgeven van de verwijskaart in het

    maatschapoverleg. Dat hangt van de drukte af. Aan het einde van het jaar is het druk en kan

    het overleg wekelijks zijn, in de zomer is het stil en doe je niet zo veel. Dat wisselt heel erg.

    In het maatschapoverleg worden de audiogrammen van de audicien besproken. [naam verdachte] is

    mijn klankbord en tijdens het overleg worden de verwijzingen gemaakt. Verwijzen gaat op

    basis van het audiogram. Alle verwijzingen van patiënten zijn gemaakt door [naam verdachte] in het

    overleg op basis van de audiogrammen.

    De verwijskaarten die op de naam van [naam arts 1] zijn gemaakt zijn gemaakt door [naam verdachte] . Hij

    maakte de verwijzing op naam van [naam arts 1] op omdat [naam arts 1] die patiënt al kende. Het klopt dat

    [naam verdachte] de handtekeningen van [naam arts 1] en [naam arts 2] zette.

    Ik kreeg de verwijzingen van [naam verdachte] meteen mee. Ook de verwijzingen op naam van [naam arts 1]

    en [naam arts 2] . Die waren al gestempeld en er zat een sticker op. Ik had daar mijn gedachten bij,

    maar heb er niets van gezegd. Ik heb ze geaccepteerd.”

    De KNO-artsen [naam arts 1] en [naam arts 2] zijn door de Inspectie SZW als verdachten gehoord.

    [naam arts 2] bevestigt de lezing van de verdachte in zoverre dat zij de verwijskaarten waarop haar naamstempel staat, niet herkent en niet gemaakt heeft2. Zij verklaart verder3:

    Ik wil graag nog twee dingen zeggen over de mij getoonde verwijsbrieven, ik wil zeggen dat ik het vreselijk vind dat ik hier zit. Ik wil zeggen dat ik ontken dat ik deze verwijsbrieven heb gemaakt. Het is wel mijn stempel maar ik heb deze brieven niet gemaakt en ik weet niet van wie die krul, krabbel of handtekening is. Ik weet ook niet wie deze verwijsbrieven dan wel heeft gemaakt.”

    [naam arts 1] verklaart hierover4:

    Ik parafeer niet ik zet altijd een handtekening (…). Als ik het zo zie dan denk ik dat het kopieën van elkaar zijn. De paraaf en stempel staan keurig netjes op dezelfde plaats op de verschillende documenten. Ik heb alle verwijsbrieven die mij getoond zijn nog nooit gezien en de term vakgroep KNO hebben wij nooit gebruikt binnen het ziekenhuis, al die verwijsbrieven zeggen mij helemaal niets, ik heb nog nooit zoiets gezien. Ik vraag me af hoe iemand aan dit stempel komt, waarmee de brieven zijn ondertekend.

    (…)

    Ik denk dat dit oplichterij is, ik ken deze verwijsbrieven niet, dit is niet mijn handtekening en alle brieven die geprint worden binnen het [naam ziekenhuis] komen op voorgedrukt briefpapier met een logo van het [naam ziekenhuis] in kleuren.

    (…)

    Ik zie dit echt voor het eerst, ik heb de indruk dat ik wordt opgelicht ze hebben mijn stempel en mijn naam gebruikt en ze maken ene verwijskaart die totaal niet gangbaar is in de hele administratie van het [naam ziekenhuis] , zowel de hoofd locatie als de locatie in Berkel, ik zie dit voor het eerst. Ik zou ook nooit ondertekenen vanuit de vakgroep KNO, ik onderteken als ‘ [naam arts 1] KNO-arts’

    (…)

    Ik schaam me hiervoor dat ik mensen heb samengewerkt die dit doen, ik heb dit niet gedaan.”

    Uit deze verklaringen van degenen van wie de verdachte de naamstempels heeft gebruikt, blijkt duidelijk dat zij niet wisten dat de verdachte namens hen verwijskaarten op hun naam maakte en dat zij het daar ook bepaald niet mee eens waren. Dit is in tegenspraak met de bewering van [naam medeverdachte] dat de patiënten waarvoor de verdachte de verwijskaarten maakte, in het maatschapsoverleg waren besproken. Ook de stelling van de verdediging dat het gebruik van andermans naamstempels gebruikelijk was, wordt door de verklaringen van [naam arts 1] en [naam arts 2] weersproken.

    De politierechter trekt uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen de volgende conclusie over het handelen van de verdachte.

    De verdachte heeft zonder voorafgaand overleg met zijn collega’s [naam arts 2] en [naam arts 1] hun naamstempels op de verwijskaarten gezet. Hierdoor, en door de naamstempels te voorzien van een gefingeerde paraaf (een ‘krul’ of ‘vinkje’), heeft de verdachte in strijd met de waarheid de indruk gewekt dat respectievelijk [naam arts 2] en [naam arts 1] de verwijzing hadden gedaan. Hiermee is bewezen dat de verdachte de bewuste verwijskaarten opzettelijk heeft vervalst. Dat de verdachte dit – zoals namens hem is gesteld – niet heeft gedaan om er zelf financieel beter van te worden, doet daar niet aan af.

    De omstandigheid dat de verwijskaarten ongedateerd zijn, wekt bij de politierechter overigens het vermoeden dat de verdachte de verwijskaarten achteraf op verzoek van medeverdachte [naam medeverdachte] heeft gemaakt, nadat verzekeraars bij [naam medeverdachte] hadden aangedrongen op onderbouwing van zijn declaraties. In dit verband is opvallend dat [naam medeverdachte] tijdens de zitting in zijn eigen strafzaak verklaarde dat de verdachte hem ook verwijskaarten op naam van [naam arts 1] en [naam arts 2] mee gaf. Dat [naam medeverdachte] hierover verklaarde dat hij daar ‘zijn gedachten bij had’ duidt er op dat het – anders dan de verdediging stelt – geen usance was dat op een verwijskaart de naamstempel van een collega werd gebruikt, voorzien van een paraaf.

    BEWEZENVERKLARING

    In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

    hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2016 te Gouda en/of Rotterdam en/of Delft, althans in Nederland, opzettelijk, meermalen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt , met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, te weten:

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 1] BSN [sofinummer 1]

    (DOC-001-02)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 3] BSN [sofinummer 2] (DOC-001-05)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 4] BSN [sofinummer 3] (DOC-001-11)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 5] BSN [sofinummer 4] (DOC-001-12)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 6] BSN [sofinummer 5] (DOC-011-01)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 7] BSN [sofinummer 6] (DOC-011-02)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 8] BSN [sofinummer 7] (DOC-011-03)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 9] BSN [sofinummer 8] (DOC-011-06)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 10] BSN [sofinummer 9] (DOC-011-07)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 11] BSN [sofinummer 10]

    (DOC-011-08)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 12] BSN [sofinummer 11] (DOC-011-09)

    bestaande de valsheid telkens hierin dat op de verwijskaarten de naamstempels zijn gebruikt van een collega arts en dat de verwijskaarten zijn voorzien van een handgeschreven paraaf waardoor werd voorgewend dat deze verwijskaarten waren afgegeven door die collega arts;

    Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

    BEWIJSMOTIVERING

    De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

    STRAFBAARHEID FEIT

    Het bewezen feit levert op:

    Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

    Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

    Het feit is dus strafbaar.

    STRAFBAARHEID VERDACHTE

    De verdachte is strafbaar.

    STRAFMOTIVERING

    De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

    Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

    Door opzettelijk en valselijk de naamstempels van zijn collega’s op verwijskaarten te zetten en daarbij te paraferen, heeft de verdachte afbreuk gedaan aan het vertrouwen dat artsen, patiënten en verzekeraars mogen stellen in de authenticiteit van die verwijskaarten. De verschillende betrokkenen moeten er op kunnen vertrouwen dat de arts wiens naam op de verwijskaart staat, de verwijzing noodzakelijk vindt. In deze zaak speelt dat belang des te meer, omdat de medeverdachte [naam medeverdachte] onderwerp was van een onderzoek naar onrechtmatige declaraties die hij bij zorgverzekeraars zou hebben ingediend. De verwijskaarten die de verdachte valselijk heeft opgemaakt, werden door de medeverdachte gebruikt om die declaraties te rechtvaardigen.

    De verdachte heeft ook het vertrouwen van zijn naaste collega’s ernstig geschaad. Zij hebben zich in hun verklaringen oprecht geschokt getoond toen zij als verdachten werden aangemerkt en werden geconfronteerd met verwijzingen die buiten hun medeweten op hun naam waren uitgeschreven.

    Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

    Namens de verdachte is ter zitting naar voren gebracht dat hij te kampen heeft met forse hartklachten en dat hij sinds januari 2017 volledig arbeidsongeschikt is.

    De politierechter stelt vast dat de meervoudige kamer voor strafzaken bij vonnis van 24 november 2016 de medeverdachte [naam medeverdachte] tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand heeft veroordeeld wegens het gebruik van vervalste verwijskaarten.

    Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en gezien de straf die aan de medeverdachte is opgelegd, lijkt een onvoorwaardelijke taakstraf zoals door de officier van justitie is geëist, de politierechter in deze zaak minder passend. De politierechter vindt het vooral van belang dat zowel de verdachte als de beroepsgroep zich goed realiseert dat de buitenwereld er op moet kunnen vertrouwen dat de informatie op een verwijskaart of –brief overeenkomt met de werkelijkheid. Een geheel voorwaardelijke taakstraf is een passend middel om die boodschap in te prenten.

    TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

    Gelet is op artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

    BESLISSING

    De politierechter:

    – verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

    – verklaart de verdachte strafbaar;

    – veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 uren;

    • beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;
    • bepaalt dat deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, de na te melden voorwaarden overtreedt;
    • stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken.

    Dit vonnis is gewezen door:

    mr. E.M. Havik, politierechter,

    in tegenwoordigheid van D.C. Carsten, griffier,

    en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de politierechter van deze rechtbank op 13 april 2017.

    De griffier is niet in staat het vonnis mede te ondertekenen.

    Bijlage I

    Tekst gewijzigde tenlastelegging

    Aan de verdachte wordt tenlastegelegd dat

    hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari

    2006 tot en met 31 maart 2016 te Gouda en/of Rotterdam en/of Delft, althans in

    Nederland,

    opzettelijk, meermalen, althans eenmaal,

    een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

    valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, met het oogmerk om het als

    echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, te weten:

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 1] BSN [sofinummer 1]

    (DOC-001-02)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 13] BSN [sofinummer 12] (DOC-001-03)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 14] BSN [sofinummer 2] (DOC-001-05)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 15] BSN [sofinummer 13] (DOC-001-09)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 4] BSN [sofinummer 3] (DOC-001-11)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 5] BSN [sofinummer 4] (DOC-001-12)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 6] BSN [sofinummer 5] (DOC-011-01)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 16] BSN [sofinummer 6]

    (DOC-011-02)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 8] BSN [sofinummer 7] (DOC-001-03)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 9] BSN [sofinummer 8] (DOC-011-06)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 10] BSN [sofinummer 9] (DOC-011-07)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 11] BSN [sofinummer 10]

    (DOC-011-08)

    – ( een) verwijskaart op naam van [naam benadeelde 12] BSN [sofinummer 11]

    (DOC-011-09)

    bestaande de valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat op de

    verwijskaart(en) de naamstempel(s) is/zijn gebruikt van een collega arts en

    voorzien van een handgeschreven paraaf en/of merktteken waardoor werd

    voorgewend dat deze verwijskaarten waren afgegeven door die collega arts;

    art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

    1 Zaaksdossier [dossiernaam] , blz. 120

    2 Zaaksdossier [dossiernaam] , blz. 118e

    3 Zaaksdossier [dossiernaam] , blz. 118g

    4 Zaaksdossier [dossiernaam] , blz. 124 / 125

Delen:Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Share on LinkedInEmail this to someone