Hoger beroep: Celstraf plus geldboete voor oncoloog G. Stoter Erasmus MC

Commentaar SIN-NL
De vraag is of  de vergoedingen van 1986 tot 2005  van farmaceutische bedrijven voor het testen van nieuwe medicijnen aan deze arts niet ten goede hadden moeten komen aan de ziekenhuizen waar hij toen werkte.
De vergoeding kan wellicht gezien worden als omkoping. Hiertoe zouden de exacte feiten bekend moeten worden gemaakt.
Prof. dr. Stoter heeft zo blijkt erg goed verdiend en vond dit blijkbaar nog niet genoeg…….Het betalen van de boete moet voor hem geen probleem zijn, want zijn rekeningen zijn niet geconfisceerd.
We zijn benieuwd of hij zijn celstraf daadwerkelijk moet uitzitten, of dat hij door cellentekort er alsnog onderuitkomt.
Lees de volledige uitspraak onderaan.

—————-

Lagere celstraf plus geldboete voor witwassende oncoloog

Een voormalig oncoloog moet vijftien maanden gevangenisstraf uitzitten en een boete van 500.000 euro betalen. Dat heeft het gerechtshof Amsterdam besloten in hoger beroep.

In november 2015 veroordeelde de rechtbank de nu 71-jarige oncoloog tot achttien maanden celstraf voor belastingontduiking en witwassen. De arts had van 1986 tot 2005 vergoedingen van farmaceutische bedrijven ontvangen voor het testen van nieuwe medicijnen. Hij gaf deze betalingen niet op aan de belastingdienst. Hij zette het geld op rekeningen bij Luxemburgse banken en stak het in beleggingen. Toen het Luxemburgse bankgeheim zou worden opgeheven, vervoerde de arts het geld in contacten per auto naar Nederland en borg een bedrag van bijna 8 ton op in een ruimte van de mechanische ventilatie in zijn woning. Ook gaf hij bedragen aan zijn kinderen.

Zowel de arts als het Openbaar Ministerie gingen tegen de rechtbankuitspraak in hoger beroep. Die beroepsgang heeft dus tot een lagere celstraf geleid dan de rechtbank oplegde, maar wel tot een bijkomende geldstraf. Die boete kan ook worden omgezet in één jaar celstraf.

Het hooggerechtshof Amsterdam vindt dat bewezen is dat de man van witwassen een gewoonte had gemaakt en dat hij zo ruim 3 miljoen euro verborgen heeft proberen te houden. Ook wordt bewezen geacht dat hij twaalf jaar zijn inkomsten opzettelijk niet goed heeft opgegeven aan de belastingdienst. De rechter neemt het de man kwalijk dat hij ‘welbewust zijn frauduleuze handelingen jaar na jaar’ voortzette, en niet gebruikmaakte van een inkeerregeling.

De verdediging had voor strafvermindering gepleit omdat de zaak media-aandacht had gekregen, wat de arts had geschaad. De rechter is van mening dat de arts ‘een zekere sociale positie’ genoot, waardoor publiciteit niet ‘misplaatst’ was. Vanwege de ‘vergevorderde leeftijd’ van de arts is de celstraf toch enigszins omlaag gebracht.

De advocaat-generaal van het hof had als aanklager een lagere geldboete in gedachten, maar wilde daarnaast dat twee bankrekeningen van de arts, waarop in totaal bijna 1,8 miljoen euro staat, verbeurd zouden worden verklaard. De rechter ziet van die verbeurdverklaring af, waardoor de arts over dat geld kan beschikken, maar verlangt dus wel dat hij een boete van 500.000 euro betaalt.

De arts was in de jaren tachtig en negentig als hoogleraar en afdelingshoofd interne oncologie verbonden aan de Daniel den Hoed-kliniek en het huidige Erasmus Medisch Centrum.

Lees ook:

  • OM wil oncoloog in cel voor belastingfraude

    12 november 2015


    ECLI:NL:GHAMS:2017:3948

    Instantie
    Gerechtshof Amsterdam
    Datum uitspraak
    28-09-2017
    Datum publicatie
    04-10-2017
    Zaaknummer
    23-004929-15
    Rechtsgebieden
    Strafrecht
    Bijzondere kenmerken
    Hoger beroep
    Inhoudsindicatie

    Veroordeling tot gevangenisstraf en geldboete in verband met jarenlange onjuiste aangiften belastingen en witwassen. Verwerping van verweer gebaseerd op 359a Sv.

    Vindplaatsen
    Rechtspraak.nl

    Uitspraak

    afdeling strafrecht

    parketnummer: 23-004924-15

    datum uitspraak: 28 september 2017

    TEGENSPRAAK

    Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2015 in de strafzaak onder parketnummer
    13-993500-14 tegen

    [verdachte] ,

    geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,

    adres: [adres 1] .

    Onderzoek van de zaak

    Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
    31 augustus 2017 en 14 september 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

    Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

    Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

    Tenlastelegging

    Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

    1:
    hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 10 juni 2002 tot en met heden, in Amsterdam en/of elders in Nederland, en/of in Luxemburg en/of elders in het Groothertogdom Luxemburg,

    tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

    van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

    hierin bestaande dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

    (telkens) krachtens die gewoonte, van een of meer geldbedrag(en),

    (tot een totaalbedrag van ongeveer

    – EUR 5.280.000 (maximumpositie), of

    – EUR 3.267.000 (minimumpositie),)

    (sub a) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad;

    en/of

    (sub b) verworven en/of voorhanden gehad en/of overdragen en/of omgezet en/of van voornoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt, door toen en daar (telkens) opzettelijk,

    a. a) een of meer geldbedrag(en) te (laten) storten op een of meer (Luxemburgse) rekeningen die te naam waren gesteld van [verdachte] en/of Fondation BION; en/of

    b) een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) te beleggen in een of meer beleggingsproduct(en); en/of

    c) een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) om te zetten in een of meer charta(a)l(e) geldbedrag(en); en/of d) een of meer charta(a)l(e) geldbedrag(en) in een auto en op de plek waar het reservewiel wordt bewaard te (laten) vervoeren van het Groothertogdom Luxemburg naar Nederland; en/of

    e) een of meer charta(a)l(e) geldbedrag(en) te verstoppen (AMB-003), althans te bewaren in een mechanisch ventilatiesysteem in een woning gelegen aan de [adres 1] ; en/of

    f) een of meer charta(a)l(e) geldbedrag(en) te (laten) storten op een of meer (Nederlandse) rekeningen die te naam waren gesteld van [verdachte] en/of [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] ; en/of

    g) een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) te (laten) overboeken van een of meer (Nederlandse) rekeningen die te naam waren gesteld van [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] naar een of meer (Nederlandse) rekeningen die te naam waren gesteld van [verdachte] met als omschrijving huur en/of bekend en/of lening en/of een omschrijving die aan beleggen te relateren is; en/of

    h) een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) te (laten) overboeken van en naar een of meer (Nederlandse) rekeningen die te naam waren gesteld van [verdachte] met als omschrijving rangeren; en/of

    i. i) een of meer gira(a)l(e) en/of charta(a)l(e) geldbedrag(en) (op moeilijk traceerbare wijze) aan te (laten) wenden ten behoeve van zichzelf, verdachte, en/of een of meer ander(en);

    terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en) – althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden – dat dit/deze geldbedrag(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig(e) misdrij(f)(ven);

    2:
    hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 14 maart 2014, in Amsterdam en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland,

    tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

    als belastingplichtige in de zin van de wet inkomstenbelasting 2001, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2002; en/of

    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2003; en/of

    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2004; en/of

    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2005; en/of

    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2006; en/of

    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2007; en/of

    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2008; en/of

    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2009; en/of

    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2010; en/of

    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2011; en/of

    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2012; en/of

    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2013

    onjuist of onvolledig heeft gedaan en/of door een ander heeft laten doen, terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe strekte(n), dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan dat in die aangifte(n) (telkens)

    – een te laag bedrag aan Nederlands en/of niet-Nederlands belastbaar inkomen (uit aanmerkelijk belang) werd aangegeven, en/of

    – een te laag bedrag aan vermogen in een ander land dan Nederland werd aangegeven; en/of

    – een te laag bedrag aan voordeel uit sparen en beleggen werd aangegeven; en/of (daardoor)

    – een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting werd aangegeven.

    Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

    Aan de verdachte is als feit 1 ten laste gelegd dat hij dit feit heeft begaan ‘in of omstreeks de periode van 10 juni 2002 tot en met heden’. Het hof begrijpt de aanduiding ‘heden’ aldus dat hiermee de datum wordt aangeduid waarop de inleidende dagvaarding is uitgebracht. Op de dagvaarding is een datum niet vermeld. Het hof verbindt echter aan de datum waarop door de officier van justitie aan de raadsman een afschrift van de dagvaarding is toegezonden, te weten 28 september 2015, de conclusie dat dit de datum is waarop de dagvaarding is uitgebracht en met ‘heden’ dus is bedoeld: 28 september 2015.

    Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel bewijsuitsluiting.

    Door de verdediging is, aan de hand van de overgelegde pleitnota, aangevoerd dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te verklaren in de strafvervolging, dan wel dat het hof dient te komen tot uitsluiting van het tegen de verdachte vergaarde bewijs en op grond daarvan de verdachte dient vrij te spreken van het hem ten laste gelegde. Daartoe heeft de verdediging, kort gezegd, gesteld dat aan de onderhavige strafvervolging een onderzoek op grond van artikel 53 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) ten grondslag ligt, dat op onrechtmatige wijze is uitgevoerd door de Belastingdienst. Het door de Belastingdienst in samenwerking met de FIOD en het openbaar ministerie opgezette project Debet Credit is onrechtmatig omdat controlebevoegdheden zijn gebruikt voor een ander doel dan waarvoor ze bedoeld zijn, te weten voor de opsporing. In dit verband is door de verdediging de nadere stelling betrokken dat de toepassing van de controlebevoegdheden is aan te merken als een (onrechtmatige) ‘fishing expedition’ en het artikel 53 Awr-onderzoek (ten onrechte) niet beperkt is gebleven tot een onderzoek naar zogeheten ‘basisgegevens’ van ‘administratieplichtigen’ in de zin van artikel 53 Awr. De verdediging heeft in dit verband nog gesteld dat van een verstrengeling tussen controle en opsporing blijkt uit media-uitlatingen van het openbaar ministerie en uit het document van het ‘project-debet-en-creditcards’ waaruit blijkt van afstemming tussen het openbaar ministerie, de FIOD en het Functioneel Parket. Voorts is door de verdediging aangevoerd dat artikel 53 Awr geen deugdelijke grondslag biedt voor de privacy-schendingen die hebben plaatsgevonden en dat het openbaar ministerie (mede) verantwoordelijk is te houden voor deze onrechtmatigheden.

    Door de advocaat-generaal is geconcludeerd tot verwerping van de op dit punt gevoerde verweren. De advocaat-generaal heeft daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het openbaar ministerie geen rol heeft vervuld bij het inzetten van de bevoegdheid van artikel 53 Awr door de Belastingdienst, terwijl voorts de (brede) toepassing van de bevoegdheid van art 53 Awr in vergelijkbare gevallen door de rechter is getoetst en de privacy-inbreuk die van deze toepassing het gevolg is geweest, als gerechtvaardigd moet worden aangemerkt.

    Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

    Door de verdediging is een beroep gedaan op artikel 359a Sv, waarin is bepaald dat, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, de rechter kan bepalen dat de officier van justitie in de strafvervolging niet ontvankelijk is, bewijsuitsluiting kan volgen dan wel de straf kan worden verminderd. Ook kan de rechter het laten bij een enkele constatering van het verzuim. Bij de beoordeling van het gevoerde verweer is dan ook in de eerste plaats van belang of de gestelde schendingen hebben plaatsgevonden in een ‘voorbereidend onderzoek’ als bedoeld in artikel 359a Sv. Wat een voorbereidend onderzoek is, is neergelegd in artikel 132 Sv: het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. In dit verband is voorts van belang dat op grond van art. 132a Sv onder opsporing moet worden verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.

    Ingevolge vaste rechtspraak heeft het ‘voorbereidend onderzoek’ in art. 359a Sv betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in art. 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Art. 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek.

    Voorts dienen volgens die rechtspraak onder de vormverzuimen, begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte met name die vormverzuimen te worden begrepen die normschendingen bij de opsporing vormen (HR 18 april 2017, ECLI:HR:2017:706).

    In de onderhavige zaak blijkt dat de door de verdediging aan de orde gestelde, in de visie van de verdediging als onrechtmatig aan te merken, handelingen zijn uitgevoerd door de belastingdienst. De controlebevoegdheid van artikel 53 Awr is door de Belastingdienst gebruikt in het ‘project debet-creditcards’, welk project was gericht op het identificeren van belastingplichtige houders van creditcards van buitenlandse bankrekeningen teneinde de juistheid of volledigheid van de belastingaangiften van deze personen te controleren. Pas nadat aan de hand van de (niet op een specifieke belastingplichtige gerichte) inzet door de Belastingdienst bleek van vermoedens van strafbare feiten, specifiek ten opzichte van de verdachte, is door het openbaar ministerie een opsporingsonderzoek tegen de verdachte gestart. De omstandigheid dat sprake is geweest van coördinatie van werkzaamheden tussen de Belastingdienst, de FIOD en het Functioneel Parket, leidt niet tot de vaststelling dat bij de uitoefening van de controlebevoegdheden door de Belastingdienst sprake was van een opsporingsonderzoek, nu er daarbij niet sprake was van een onderzoek in verband met strafbare feiten, onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Er is dan ook, wat er overigens ook zij van de stellingen van de verdediging ten aanzien van de uitoefening van de bevoegdheden door de Belastingdienst, niet sprake van een verzuim van vormen in het voorbereidend onderzoek, als bedoeld in artikel 359a Sv.

    Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat het verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging, dan wel tot bewijsuitsluiting, wegens verzuim van vormen wordt verworpen

    Ook overigens leidt het door de verdediging aangevoerde niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie dan wel tot uitsluiting van het vergaarde bewijs. Daarbij heeft het hof nog in beschouwing genomen dat de door de Belastingdienst ontwikkelde activiteiten naar hun aard de strekking hadden de juistheid van de belastingheffing te controleren. Voorts leidt de door de verdediging gestelde inbreuk op de privacy van de verdachte die door het handelen van de Belastingdienst zou zijn aangebracht, niet tot het oordeel dat het gebruik van de vergaarde gegevens strijd met het in artikel 6 EVRM neergelegde recht van de verdachte op een eerlijk proces oplevert.

    Het hof verwerpt derhalve de verweren.

    Vonnis waarvan beroep

    Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

    Bespreking van ter terechtzitting gevoerde verweren / bewijsoverwegingen

    Feiten en omstandigheden

    Het hof gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Ten aanzien van deze feiten en omstandigheden neemt het hof de opsomming van de feiten door de rechtbank (in het vonnis weergegeven onder 4.1) over:

    De verdachte werkte in de jaren tachtig en negentig als hoogleraar en afdelingshoofd Interne Oncologie bij zowel de Daniel den Hoed Kliniek als het Academisch Ziekenhuis Rotterdam (thans Erasmus Medisch Centrum). Daarbij ontving hij in zijn hoedanigheid als afdelingshoofd betalingen van de farmaceutische industrie met wie hij contracten sloot om nieuwe medicijnen te testen. De hoogte van deze vergoeding verschilde per contract. Deze betalingen, die – bij gebrek aan contra-indicaties – als inkomsten kunnen worden aangemerkt, werden niet op een van de Nederlandse bankrekeningen van verdachte gestort, maar op Luxemburgse bankrekeningen. Verdachte heeft de saldi van deze Luxemburgse bankrekeningen – en dus het ontvangen inkomen en vermogen – nooit opgegeven in zijn aangiften inkomstenbelasting. De betalingen heeft hij ontvangen van 1986 tot 2005.

    Er zijn geen gegevens van de Luxemburgse bankrekeningen bekend van vóór 2002. Vast staat dat er op 31 december 2002 in totaal € 2.246.067, – op de Luxemburgse bankrekeningen van verdachte stond. Nu verdachte het in Luxemburg ontvangen geld deels heeft gebruikt om te beleggen, is niet meer nauwkeurig te achterhalen welk deel van dit geld rechtstreeks afkomstig is van betalingen door de farmaceutische industrie en welk deel het resultaat is van vermogensaanwas door rendement en beleggingen.

    In totaal heeft verdachte in de jaren 2003 tot en met 2013 € 2.209.750, – contant opgenomen van de Luxemburgse bankrekeningen en € 908.331,61 aan deze bankrekeningen onttrokken middels betalingen met zijn creditcard(s). In totaal heeft verdachte in de periode van 2003 tot en met 2013 dus € 3.118.081,61 onttrokken aan de Luxemburgse bankrekeningen. Verdachte heeft de Luxemburgse bankrekeningen in 2013 opgeheven, omdat hij begrepen had dat het Luxemburgse bankgeheim zou worden opgegeven. Daartoe heeft hij in 2013 drie keer contant geld opgehaald in Luxemburg en op de plek van het reservewiel (in de achterbak zijn auto) vervoerd naar Nederland. Een aanzienlijk deel van dit geld heeft hij bewaard in de ruimte van de mechanische ventilatie van zijn woning aan de [adres 1] .

    Verdachte heeft in deze periode contant geld gegeven aan zijn kinderen [naam 1] en
    [naam 2] om in hun levensonderhoud te voorzien. Van dat geld betaalden zij ook huur aan verdachte voor de woningen waarin zij verbleven en die aan verdachte toebehoorden. Daarnaast gaf verdachte ook contant geld aan [naam 4] , mede voor het doen van betalingen namens hem of het overmaken van geld naar zijn bankrekening(en). Ook [naam 2] heeft betalingen namens verdachte gedaan. In deze periode heeft verdachte geen geld van zijn Nederlandse bankrekeningen gebruikt voor het doen van boodschappen of het doen van aankopen in kledingwinkels en/of drogisterijen, geen geld van zijn Nederlandse bankrekeningen gebruikt voor het betalen in restaurants of hotels en heeft hij zijn Nederlandse bankrekeningen nauwelijks gebruikt voor het betalen van vaste lasten. Ten slotte heeft verdachte in deze periode ook in totaal € 26.250, – op zijn Rabobank-betaalrekening en € 118.350, – op zijn ABN AMRO-betaalrekening gestort.

    Tijdens een doorzoeking van de woning van verdachte op 10 juni 2014 is in totaal € 785.165, – in de woning van verdachte aangetroffen. Het merendeel van dit geld bevond zich in meergenoemde ruimte van het mechanische ventilatiesysteem van de woning. Daarnaast bevond zich ook een aanzienlijk geldbedrag in een envelop in een kastje.

    Feit 2 op de tenlastelegging

    De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde – de belastingfraude – bewezen kan worden verklaard. De verdediging heeft vrijspraak bepleit, onder verwijzing naar het aangevoerde verweer strekkende tot uitsluiting van het bewijs.

    Zoals hiervoor overwogen, verwerpt het hof het verweer, strekkende tot uitsluiting van het bewijs. Het hof stelt voorts vast dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft bekend. Het hof acht het ten laste gelegde als nader aan te geven, wettig en overtuigend bewezen.

    Feit 1 op de tenlastelegging

    De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de witwashandelingen die onder de letteraanduidingen a, b en h aan de verdachte zijn ten laste gelegd. De advocaat generaal heeft aangegeven in zoverre in het oordeel van de rechtbank te berusten. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank ten aanzien van deze onderdelen van het ten laste gelegde en zal de verdachte van deze onderdelen van het aan hem tenlastegelegde vrijspreken.

    De advocaat generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde feit – gewoontewitwassen – kan worden bewezen en heeft daartoe aansluiting gezocht bij de overwegingen en de bewezenverklaring van de rechtbank op de afzonderlijke handelingen die dit gewoontewitwassen constitueren.

    De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en wel op meerdere gronden. Allereerst kan het bestanddeel ‘uit misdrijf afkomstig’ slechts worden gebaseerd op de eigen verklaring van de verdachte, wat bij gebreke aan overig bewijs onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. Daarnaast ontbreekt het bewijs dat ‘de concrete witwasvoorwerpen’ (het hof begrijpt: zoals omschreven achter de respectievelijke met letters onderscheiden gedachtestreepjes in de tenlastelegging) geheel of gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig zijn.

    Voorts heeft de verdediging vrijspraak bepleit ten aanzien van een aantal – onder de met letters onderscheiden gedachtestreepjes in de tenlastelegging aangeduide – witwashandelingen. Daartoe heeft de verdediging van aanzien van die handelingen gesteld dat die niet kunnen worden aangemerkt als gericht op het verhullen van de criminele herkomst van de betreffende geldbedragen. Daarnaast heeft de verdediging gesteld dat vrijspraak dient te volgen, voor zover het gaat om geldstortingen op naam van [naam 3] , nu laatstgenoemde zelf van witwassen is vrijgesproken.

    Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de (hiervoor bedoelde) voorwerpen van het witwassen bepaald dienen te worden tot maximaal de waarde van het fiscaal nadeel.

    Met betrekking tot de primair bepleite vrijspraak overweegt het hof als volgt.

    Ten aanzien van het verweer dat de eigen, bekennende, verklaring van de verdachte ontoereikend is voor een bewezenverklaring, overweegt het hof dat het verweer miskent dat het voorschrift van artikel 341, vierde lid, Sv – waar het verweer kennelijk op gegrond is – geldt ten aanzien van de gehele tenlastelegging en niet slechts een onderdeel. Voor het overige volstaat het hof met een verwijzing naar de bewijsmiddelen. Het verweer wordt verworpen.

    Voor zover dit verweer ziet op de stelling dat niet blijkt dat de in de tenlastelegging opgesomde voorwerpen die door de verdachte zouden zijn witgewassen, daadwerkelijk van misdrijf afkomstig zijn, overweegt het hof het volgende. Uit het ook door de verdediging aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 23 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN0578) volgt dat in het geval dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, het aldus vermengde vermogen kan worden aangemerkt als ‘mede’ of ‘deels’ uit misdrijf afkomstig. In de onderhavige zaak is dat aan de orde. Immers, de legale vermogensbestanddelen (de betalingen van de farmaceutische industrie) zijn vermengd met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen, te weten de bedragen die hadden moeten zijn afgedragen aan de belastingdienst doch door de verdachte als gevolg van door hem gepleegde belastingfraude zijn behouden.

    In zijn hierboven genoemde arrest van 23 november 2010 overweegt de Hoge Raad verder (overwegingen 3.6.2. en 3.6.3.) dat een terughoudende toepassing van de ‘vermengingsleer’ dient te worden betracht. Daarbij worden niet-limitatief enkele omstandigheden genoemd die ertoe kunnen leiden dat ook in geval van vermenging van legaal vermogen met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen geen sprake is van witwassen. In de onderhavige zaak heeft de verdachte meer dan tien jaren achtereen geen opgave aan de belastingdienst gedaan van zijn ‘Luxemburgse’ inkomsten en vermogen. Die periode strekt zich uit tot aan het moment waarop beslag is gelegd op het vermogen van de verdachte. De uit misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen betreffen een aanzienlijk deel van het totale vermogen. Immers, reeds het deel van de legale inkomsten dat op basis van inkomstenbelasting had moeten worden afgedragen bedroeg voor de verdachte ten minste 50%. De combinatie van de omvang van het aldus uit misdrijf verkregen vermogen, zowel in absolute maar vooral in relatieve zin, met de stelselmatigheid waarmee de verzwijging voor de belastingdienst gedurende een lange periode tot aan het moment van ingrijpen door de strafvorderlijke instanties heeft plaatsgevonden, maakt dat het hof het gehele vermogen van de verdachte aanmerkt als deels uit misdrijf afkomstig. Het hof verwerpt ook dit verweer.

    Ten aanzien van de verweren die zien op onderdelen van het ten laste gelegde gewoontewitwassen verwerpt het hof deze verweren en overweegt het hof het volgende.

    Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de ten laste gelegde afzonderlijke handelingen – behoudens voor zover onder a, b en h aan de verdachte verweten – in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd. Het betreft een combinatie van handelingen die er op waren gericht om aan het zicht van de autoriteiten te onttrekken dat de verdachte betalingen deed met illegaal vermogen en trachtte dat vermogen een legale titel te geven.

    Ten aanzien van handelingen waarbij een zoon van de verdachte, [naam 3] betrokken is geweest, acht het hof het ten laste gelegde niet bewezen. Hetgeen door de verdediging daaromtrent is aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking.

    In bovenstaand oordeel dat het gehele vermogen van de verdachte als deels van misdrijf afkomstig moet worden aangemerkt, vindt ook het subsidiair gevoerde verweer zijn weerlegging.

    Bewezenverklaring

    Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

    1.
    op tijdstippen in de periode van 10 juni 2002 tot en met 10 juni 2014, in Amsterdam en in Luxemburg, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, hierin bestaande dat hij, verdachte, telkens krachtens die gewoonte, (van) geldbedragen, tot een totaalbedrag van € 3.118.081,61

    (sub a) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op die voorwerpen was en wie bovenomschreven voorwerpen voorhanden hebben gehad,

    en/of

    (sub b) voorhanden heeft gehad en/of overdragen en/of omgezet en/of van voornoemde voorwerpen gebruik gemaakt,

    door toen en daar telkens opzettelijk,

    – girale geldbedragen om te zetten in chartale geldbedragen; en
    – chartale geldbedragen in een auto en op de plek waar het reservewiel wordt bewaard te vervoeren van het Groothertogdom Luxemburg naar Nederland; en
    – chartale geldbedragen te verstoppen in een mechanisch ventilatiesysteem in een woning gelegen aan de [adres 1] ; en
    – chartale geldbedragen te laten storten op Nederlandse rekeningen die te naam waren gesteld van [verdachte] en [naam 1] en [naam 2] en [naam 4] ; en
    – girale geldbedragen te (laten) overboeken van Nederlandse rekeningen die te naam waren gesteld van [naam 1] en [naam 2] en [naam 4] naar Nederlandse rekeningen die te naam waren gesteld van [verdachte] met als omschrijving huur of bekend of lening of een omschrijving die aan beleggen te relateren is; en
    – girale en chartale geldbedragen aan te (laten) wenden ten behoeve van zichzelf, verdachte, en anderen;

    terwijl hij, verdachte, wist dat deze geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

    2:
    op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 14 maart 2014, in Amsterdam, meermalen, als belastingplichtige in de zin van de wet inkomstenbelasting 2001, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten
    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2002; en
    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2003; en
    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2004; en
    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2005; en
    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2006; en
    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2007; en
    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2008; en
    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2009; en
    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2010; en
    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2011; en
    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2012; en
    – de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2013
    onjuist of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat feit er telkens toe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan dat in die aangiften telkens
    – een te laag bedrag aan Nederlands belastbaar inkomen werd aangegeven; en
    – een te laag bedrag aan vermogen in een ander land dan Nederland werd aangegeven;

    en daardoor een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting werd aangegeven.

    Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

    Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de aanvulling op dit arrest.

    Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

    Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

    Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

    van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

    Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

    opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

    Strafbaarheid van de verdachte

    Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

    Oplegging van straffen

    De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. De rechtbank heeft voorts de teruggave gelast van de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen.

    De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden en tot een geldboete van
    € 298.100, bij niet betalen te vervangen door 365 dagen hechtenis. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat een geldbedrag van € 785.165 en een bankrekening (aandelenportefeuille) bij de BINCK bank ten name van verdachte met als saldo € 983.082,80 verbeurd worden verklaard.

    Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

    De verdachte heeft zich gedurende een groot aantal jaren schuldig gemaakt aan belastingfraude door gedurende twaalf opeenvolgende jaren in zijn aangiften inkomstenbelasting een te laag bedrag aan Nederlands belastbaar inkomen en een te laag bedrag aan buitenlands vermogen aan te geven waardoor een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting werd geheven. De verdachte heeft welbewust zijn frauduleuze gedragingen jaar na jaar voortgezet. Ook nadat hij wetenschap had gekregen van het bestaan van de zogenoemde ‘inkeerregeling’ heeft hij in zijn gedragingen volhard. Het is enkel aan het ingrijpen van de FIOD en het Openbaar Ministerie te danken dat het frauduleuze handelen van de verdachte is beëindigd.

    Door deze handelwijze heeft de verdachte het vertrouwen dat aan de inhoud van belastingaangiftes mag worden ontleend, geschaad. Tevens heeft hij door zijn handelen financieel nadeel toegebracht aan de Staat der Nederlanden. De strafbaarstelling van belastingontduiking beschermt bovendien niet alleen de gemeenschapsbelangen die door belastingheffing worden gediend, maar ook de belangen van eerlijke belastingbetalers. Belastingontduiking kan immers leiden tot verdere verzwaring van de belastingdruk voor andere ingezetenen. De handelingen van de verdachte dragen bovendien bij aan het ondermijnen van de belastingmoraal. Het uitblijven van een adequate bestraffing van belastingfraudeurs kan ertoe leiden dat ook het normbesef vervaagt onder belastingplichtigen die wel aan hun verplichtingen voldoen.

    Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van zijn, door de belastingontduiking verkregen, vermogen. De verdachte heeft girale geldbedragen omgezet in chartale geldbedragen, deze geldbedragen over landsgrenzen naar Nederland gebracht en in zijn woning verstopt. De geldbedragen heeft hij ook laten storten op Nederlandse bankrekeningen, toebehorende aan zijn kinderen en een vriendin. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij door zijn handelingen ook zijn kinderen jarenlang bij strafbare feiten heeft betrokken.

    Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 augustus 2017 is hij eerder, zij het ter zake van andersoortige strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld.

    De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de excessieve media-aandacht rondom de strafzaak van de verdachte een ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer in de zin van artikel 8 EVRM oplevert en dit tot een lagere straf moet leiden.

    Anders dan door de verdediging betoogd, zal het hof media-aandacht voor de strafzaak tegen de verdachte niet in strafmatigende zin meewegen. Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is niet absoluut. Bij de beantwoording van de vraag of (on)gerechtvaardigd inbreuk wordt gemaakt op het, onder meer in artikel 8 EVRM gewaarborgde, recht op eerbiediging van het privéleven van de verdachte komt het aan op een weging van de omstandigheden van het geval.

    In het algemeen geldt dat door het verspreiden van persoonlijke informatie ten aanzien waarvan de betrokkene redelijkerwijs mag verwachten dat deze niet zonder zijn toestemming wordt openbaar gemaakt, een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Een beroep op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan afstuiten op de omstandigheid dat openbaarmaking van de persoonlijke gegevens een voorzienbaar gevolg is van het eigen handelen van de betrokkene.

    De verdachte genoot een zeker sociale positie als medische specialist, zodat de publiciteit die de strafvervolging heeft gegenereerd niet als misplaatst kan worden aangemerkt. Bovendien was de media-aandacht in deze zaak vluchtig.

    Door de verdediging is in dit verband aangevoerd dat de verdachte heeft moeten ervaren dat door het Erasmus Medisch Centrum de zogenoemde gastvrijheidsovereenkomst is ingetrokken. Uit de door de verdachte overgelegde brief van het Erasmus Medisch Centrum van 26 november 2015 blijkt evenwel dat de verdachte niet langer een gastvrijheidsverklaring werd verleend vanwege zijn veroordeling door de rechtbank. Niet is gebleken dat de media-aandacht hierin een rol heeft gespeeld. Het hof is dan ook van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de verdachte door voornoemde berichtgeving op zodanige wijze in zijn persoonlijke levenssfeer is geschaad dat dit strafmatigend zou moeten werken.

    De ernst van het feit, de lange duur dat de verdachte zijn strafbaar handelen heeft voorgezet, het omvangrijke nadeel dat aan de samenleving is toegebracht en de straffen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd, leiden ertoe dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is aangewezen. Het hof slaat acht op de persoonlijke omstandigheden en de gevorderde leeftijd van de verdachte en zal daarom een gevangenisstraf van kortere duur opleggen dan in eerste aanleg heeft plaatsgevonden. De aard en de ernst van de feiten zijn aanleiding om aan de verdachte daarnaast een geldboete op te leggen.

    Het hof ziet onvoldoende aanleiding tot verbeurdverklaring van de in beslag genomen geldbedragen en overige vermogensbestanddelen. Het hof zal de teruggave daarvan gelasten, behoudens ten aanzien van een geldbedrag ter hoogte van de op te leggen geldboete.

    Toepasselijke wettelijke voorschriften

    De op te leggen straffen zijn gegrond op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 23, 24, 24c, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

    Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

    BESLISSING

    Het hof:

    Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

    Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

    Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

    Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

    Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

    Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500.000,00 (vijfhonderdduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis.

    Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

    – een geldbedrag van € 4.007,00

    – een bankrekening (505367653) bij de ABN-AMRO bank ten name van verdachte met als saldo

    € 1.328,20;

    – een bankrekening (743644336) bij de BINCK bank ten name van verdachte met als saldo € 16.939,29;

    – een bankrekening (aandelenportefeuille) bij de BINCK bank ten name van verdachte met als saldo

    € 983.082,80;

    – een bankrekening (127160523) bij de Rabobank ten name van verdachte met als saldo € 86,28;

    – een woning gelegen aan de [adres 1] ;

    – een woning gelegen aan de [adres 2] ;

    – een woning gelegen aan de [adres 3] .

    Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.A.M. Hoek, mr. V. Mul en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van mr. L.J.M. Klop, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 september 2017.

    Mr. L.J.M. Klop is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Delen:Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Share on LinkedInEmail this to someone