Ernstige fout door longartsen ZGT Almelo, geen excuses: NRC next

Hij had nog een jaar te leven. Hoorde hij in 2007

Wim Schreurs (59) was nog nooit bij een dokter geweest tot hij op een vrijdagmiddag ineens gek werd van de jeuk en het hoesten. Hij kreeg te horen: nog drie maanden, een jaar hooguit. Het bleek de verkeerde diagnose te zijn.

Het was een bizarre gewaarwording voor Wim Schreurs. Op een begrafenis moeten uitleggen waarom híj nog niet was begraven. „Je zou toch doodgaan?”

Foto Merlijn Doomernik

Het gekke was: dat zou hij ook. Als de diagnose longkanker waarvoor hij was behandeld met een chemokuur en bestraling de juiste was geweest. Maar dat was het niet. Hij bleek aan de ziekte van Hodgkin te lijden, een andere, minder levensbedreigende vorm van kanker.

Leg dat maar eens uit aan mensen die je vol ongeloof staan aan te staren met een plak begrafeniscake in hun hand. Aanvankelijk deed hij dat. Tot hij er geen zin meer in had. „Mensen beginnen al snel over de dood die ze in eigen kring meemaken. Nou, dat kan ik er niet bij hebben.” Dus als mensen hem nu vragen hoe het is, zegt hij: „Best.” Gaat het gesprek daarna tenminste over iets anders dan die slopende gifbehandelingen die de kracht uit zijn lijf hebben geslagen.

Op een frisse vrijdagochtend vertelt Schreurs in zijn woonkamer over zijn leven en wat hem is overkomen. Zijn vrouw zit naast hem, in de andere zwart lederen stoel. Hij vertelt over zijn ouders, die iets verderop woonden in het overwegend gereformeerde stadje. Zelf hadden ze niet veel op met het geloof. Het gezin ging op zondag naar de kerk en Wimpie en zijn twee oudere zussen gingen naar de Oranjeschool, waar de Bijbel als leidraad diende. Daar hield het wel zo ongeveer op. Tegenwoordig moet hij er helemaal niets meer van hebben. Op de voordeur zit een sticker: „Hier geen collectanten en geloofsovertuigingen. We weten zelf de weg.”

Hij groeide op in een harmonieus Twents arbeidersgezin. Bij verjaardagen stonden de sigaretten op tafel. De woonkamer van de familie Schreurs stond overigens alle dagen van de week blauw. Want roken, dat deed iedereen vanaf zijn twaalfde. Net als bier drinken.

Schreurs senior was leembaggeraar. Met een grote grijper, aangedreven door een zware dieselmotor, groef hij de klei op. Die zwiepte hij dan in één beweging in de kiepkarretjes die achter een treintje hingen. Die tufte hij vervolgens naar de steenfabriek, waar het bakproces begon. Urenlang stond Wim Schreurs in zijn jeugd naar de ronkende dieselmotoren te kijken. Ook op tijden dat hij eigenlijk op school had moeten zitten. „Dat kon toen nog.” Hij lacht. Zijn vrouw serveert koffie. Ieder zijn taak. Hij het werk, zij het huishouden. Zo gaat het al bijna veertig jaar. Tot beider tevredenheid.

Na de lts vindt Schreurs werk bij een autobedrijf in Rijssen. Eerst als plaatwerker, later als autospuiter. Als hij 25 is, overlijdt zijn vader aan maag- en longklachten. Een beetje erg vroeg, maar niemand die er iets achter zoekt. Arbeidsomstandigheden? Schreurs: „Hij was blij dat-ie werk had.”

De lak gaat overal doorheen

Bij het bedrijf waar Schreurs begin jaren tachtig auto’s spuit, zijn de randvoorwaarden niet veel beter. Er staat een kleine propeller om de lucht af te voeren. Later krijgen ze stofkapjes. Dat helpt wel iets. Tot het gebruik van synthetische lak opkomt. Dat gaat overal doorheen, wat ook zijn voordelen heeft. Om te weten of de lak al droog is, knijpt Schreurs altijd even in zijn neus. Blijven de neusvleugels aan elkaar plakken, dan weet hij: de auto is bijna klaar. Tijd voor de volgende.

Na twintig jaar autospuiterij wil Schreurs iets anders. Ga je vrachtwagenrijbewijs halen, oppert zijn vrouw. „Een half jaar later reed ik door Zweden.” ’s Ochtends de zon op zien komen en ’s avonds weer onder. Door de heuvels rijden in Beieren en een week later met die veertigtonner op een veerpont in Scandinavië staan. „Schit-te-rend.” En nog goed verdienen ook. 84 gulden per nacht, bovenop het gewone loon.

Niet dat hij daarvoor slecht verdiende. In de avonduren kwam er altijd wel iemand met een auto waar iets aan moest gebeuren. In Rijssen en omstreken weet iedereen Schreurs te vinden. Van de bijverdiensten betaalt hij in de loop der jaren zijn huis af, hij koopt een Harley Davidson, een Honda Goldwing en een paar oldtimers.

De ommezwaai in zijn werkende leven doet hem zo goed, dat hij zich voorneemt het nog eens te doen. In 2002 raakt hij op straat aan de praat met een oude bekende. Of hij geen huisschilder wil worden. Dat lijkt hem wel iets.

Zo begint hij, 46 jaar oud, aan zijn volgende ambacht. Met plezier staat hij jarenlang op de ladder. Ook in de weekenden. Voor een klusje weten de mensen Schreurs nog altijd te vinden.

Tot hij eind 2006 klachten krijgt. Knobbels in de nek, hoestbuien en blaasjes op zijn linkerarm. Kort daarna zit hij er helemaal onder, ook zijn gezicht. „Ik leek wel een melaatse.” Het duurt nog weken voor hij de huisarts bezoekt. Te druk.

Wanneer hij begin 2007 op een vrijdagmiddag gek wordt van de jeuk en het hoesten niet meer ophoudt, rijdt hij bij de huisarts langs. Daar is hij nog nooit eerder geweest. Hij moet direct door naar de vestiging van de Ziekenhuisgroep Twente in Almelo. Daar maken ze röntgenfoto’s van zijn longen. Uit de knobbels in zijn hals neemt de arts materiaal af.

Hoelang heb ik nog?

Een paar weken later volgt de mededeling van de longarts: „Het ziet er niet goed uit.” Schreurs, een man die houdt van duidelijkheid: „Hoelang heb ik nog?” Drie maanden als je niets doet, maximaal een jaar bij behandeling, luidt het antwoord. Op de longfoto’s is een tumor te zien ter grootte van een pingpongbal. In vaktaal: „sterke verdenkingen van een longcarcinoom”. De behandeling: chemotherapie en bestraling.

Lamgeslagen verlaten Wim en Truus Schreurs het ziekenhuis. Nog dezelfde dag levert hij zijn schildersbus in bij zijn baas.

De vaart is op slag uit zijn leven. Het testament wordt opgemaakt, de kinderen trouwen vervroegd. Schreurs aanvaardt zijn lot, zij het met moeite. De chemo verzwakt hem en verkleint in slechte weken zijn wereld tot zijn huis.

Op goede momenten gaat hij met vrienden mee naar de kroeg. Bij de bestelling van een nieuw rondje bier grapt er één: „Zet maar op de rekening van de snorre. Die gaat toch dood.” Ook op andere momenten tikt de dood Schreurs op zijn schouders. Een zwangere kennis vertelt hem in vertrouwen dat er een jongetje op komst is. De geboorte gaat hij immers niet meer meemaken.

De doodsdreiging is als een schaduw: hij is er altijd. En hoewel Schreurs eind 2007 nog altijd niet het gevoel heeft echt dood te gaan, nadert zijn deadline. Op papier althans. Bij ieder bezoek aan het ziekenhuis prijzen de artsen hem. „Je doet het hartstikke goed.” De drie maanden worden twee jaar. Dan slaat de twijfel toe. Ook bij zijn longarts.

Nieuw onderzoek volgt. De diagnose longkanker blijkt „onjuist”, constateert het ziekenhuis in juli 2009. „Evenals de gegeven behandeling.” Schreurs lijdt aan lymfklierkanker, zo blijkt nu. Zijn longarts zegt er nachten van wakker te hebben gelegen en zou het verleden graag terugdraaien. Het klinkt oprecht, maar Schreurs is te verbouwereerd om iets terug te zeggen. Wat nu, is zijn enige vraag. Een nieuwe ronde chemokuren is nodig. De aangetaste klieren in zijn oksel en hals moeten operatief verwijderd.

Daarvoor wijkt hij uit naar Deventer. Het vertrouwen in de artsen in Almelo is hij kwijt. Schreurs zit er doorheen. Fysiek en mentaal. Zijn nagels zijn door de behandelingen zo poreus dat zijn vrouw en dochter ze met nagelversterker in tact proberen te houden.

De drie maanden worden twee jaar. Dan slaat de twijfel toe. Ook bij zijn longarts

Hij mist zijn werk. Hij ligt op zijn bed, hij doet niet meer mee. De feestavonden van het bedrijf gaan aan hem voorbij.

Begrijp hem niet verkeerd, zegt hij. Hij is blij dat hij nog leeft. Alleen onnodig verzwakt, zeker nadat hij ook nog blaaskanker kreeg. Roken doet hij sindsdien niet meer. Klussen in en rond huis ook niet. De fijne motoriek is weg, helemaal met dit koude weer. Zijn vingers en tenen voelen koud, het gevolg van chemokuren. Daarom draagt hij bergschoenen met skisokken.

Vraag hem niet wat hij per se nog wil, nu zijn ziekte onder controle is. Ja, als begeleider van de hardlopers deelnemen aan de Roparun. Een estafettetocht van Hamburg naar Rotterdam om geld in te zamelen voor mensen die leven met kanker. Maar verder? Hij heeft zijn hele leven gedaan wat hij wilde. En juist dat leven is hem afgenomen, vindt hij. Een mispeer die in geen verhouding staat tot de schamele 40.000 euro die het ziekenhuis ter compensatie op zijn rekening heeft gestort. Een door juristen beredeneerd bedrag. Mensen die niet weten hoe er het in het echte leven aan toegaat, met hun gevraag naar bonnetjes en facturen.

Nee, als ze denken dat ze van hem af zijn, hebben ze de verkeerde getroffen. Helemaal omdat hij nooit excuses heeft ontvangen. Nog geen bos bloemen.

Hij lijkt er de man niet naar, maar opeens citeert hij Bram Vermeulen. „Of wat ik me ervan herinner.” Zachtjes zegt hij:

„Er is een steen verlegd, in een rivier op aarde / Het water gaat er anders dan voorheen / Want de stroom van een rivier, hou je niet tegen.”

Hij vloekt en kijkt naar de grond. Wat zou hij die steen graag terugleggen. Hij zou het nu doen. Met alle kracht die hij nog heeft.

Naschrift (17 februari 2016): Rijssen ligt in Overijssel, niet in Gelderland, zoals we in een eerdere versie van dit artikel schreven. [red.]

Delen:Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Share on LinkedInEmail this to someone