Topman Gelre ziekenhuizen Michel Galjee krijgt geen salarisverhoging van rechtbank Midden Nederland

Topman Gelre krijgt geen salarisverhoging

Gelre ziekenhuizen hebben tevergeefs geprobeerd om via de rechter af te dwingen dat topman Michel Galjee meer mag verdienen dan de jaarlijkse 179.000 euro die is toegestaan in de Wet Normering Topinkomens (WNT). Dat blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. Gelre had een zaak aangespannen tegen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport omdat het vindt dat er sprake is van een exceptionele situatie bij de ziekenhuizen. Daarom zou Galjee meer mogen verdienen dan 179.000 euro per jaar.

In principe kan in exceptionele gevallen afgeweken worden van de WNT, maar alleen als de zorginstelling een omzet heeft van meer dan 500 miljoen euro. Bij Gelre ziekenhuizen was dat in 2015 328 miljoen. Toch vonden de ziekenhuizen dat Galjee meer zou moeten verdienen. De zorgbestuurder stond in 2016 namelijk voor een complexe taak, betoogde Gelre ziekenhuizen bij de rechtbank.

Verstoorde verhouding

Volgens Gelre is er sprake van een exceptionele situatie, namelijk een verstoorde verhouding tussen de raad van bestuur en de medische staf. Dat conflict blijkt ook de aanleiding te zijn geweest voor het opstappen van Galjees voorganger Jan Fidder in december 2015. Galjee moest het vertrouwen van de medische staf herstellen na een conflict tussen de raad van bestuur en de medische staf over de positie van de vrijgevestigde medisch specialisten en over tarieven. Dat leidde tot een verschil van inzicht over de organisatorische aansturing van de ziekenhuizen in Apeldoorn en Zutphen. Bovendien leden de ziekenhuizen in 2015 een miljoenenverlies en moest daarna veel in gang gezet worden om de financiën weer op orde te krijgen.

Minder salaris

De per 1 mei 2016 aangetreden voorzitter van de raad van bestuur zou door de WNT de komende zeven jaar veel minder verdienen dan zijn collega’s in de raad van bestuur, enkele directeuren en de medisch specialisten in de ziekenhuizen in Apeldoorn en Zutphen. Daardoor kan de verlangde kwaliteit in de raad van bestuur in gevaar komen, betoogde Gelre. In 2015 werd de wettelijke norm voor topfunctionarissen in de (semi)publieke sector aangescherpt tot een maximaal jaarsalaris van 179.000 euro. Voor zittende bestuurders gold een overgangsregeling van zeven jaar om beloningen stapsgewijs af te kunnen bouwen.

In zijn vorige functie als voorzitter van de raad van bestuur van het Waterlandziekenhuis in Purmerend viel Galjee onder die overgangsregeling, maar door zijn overstap naar Gelre ziekenhuizen in 2016 verviel dat recht. Daardoor ging de zorgbestuurder er in één klap flink op achteruit, maar daar legde zijn werkgever zich de afgelopen tijd dus niet bij neer. In maart van dit jaar diende er al een zaak bij de Raad van State over de beloning van topbestuurders in de zorg. De Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) probeerde toen samen met Gelre en twee andere ziekenhuizen hetzelfde af te dwingen. Dat mislukte, waarna Gelre naar nu blijkt alleen is doorgegaan om alsnog een hoger salaris voor Galjee af te dwingen.

Niet uitzonderlijk

De rechtbank oordeelt anders en beoordeelt het conflict met de medische staven niet als zodanig uitzonderlijk dat het de zeer bijzondere leiderschapskwaliteiten vereist die afwijking van de WNT-norm rechtvaardigt. ,,Een teleurstellende uitspraak”, meldt voorzitter van de raad van toezicht Maarten Rook via een woordvoerder. ,,Wij gaan niet in hoger beroep. Michel Galjee blijft voorzitter van de raad van bestuur.’’

Gelre ziekenhuizen willen verder geen commentaar geven op de kwestie.
—————-

ECLI:NL:RBMNE:2018:5213

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-10-2018
Datum publicatie
06-11-2018
Zaaknummer
UTR 17/4533
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie

Bezoldiging bestuurder ziekenhuis; vaste gedragslijn; geen uitzonderlijk geval; geen inmenging eigendomsrecht.

artikel 2.4 WNT; artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM

Uitzondering op de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT-norm) kan alleen in exceptionele gevallen. Volgens de vaste gedragslijn kan van een exceptioneel geval in beginsel alleen sprake zijn als de zorginstelling een omzet heeft van meer dan € 500 miljoen. De rechtbank acht dat uitgangspunt, gezien de toelichting van verweerder, niet onredelijk. Verweerder heeft daarnaast gekeken naar de complexe situatie van eiseres en de individuele omstandigheden van de bestuurder. Het conflict met de medische staven is niet zodanig uitzonderlijk dat dit zeer bijzondere leiderschapsvaardigheden vereist die het vervullen van de functie bij hantering van de WNT2-norm zodanig bemoeilijkt dat afwijking van die norm wordt gerechtvaardigd. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat de gezochte bestuurder daadwerkelijk door eiseres is gevonden en vervolgens per 1 mei 2016 is aangesteld. Verweerder heeft ook mogen meewegen dat de omzet van eiseres niet in ruime mate boven de € 300 miljoen ligt, wat de functiezwaarte en de vereiste kwaliteiten van de betrokken bestuurder niet uitzonderlijk maakt. De functiezwaarte van de bestuursvoorzitter van een universitair medisch centrum zoals het UMC Utrecht, is niet gelijk aan die van de bestuursvoorzitter van eiseres.

Er is geen sprake van inmenging in het door artikel 1 EP beschermde eigendomsrecht van eiseres of in dat van haar bestuurder.

Dat het overgangsrecht WNT ook niet beoogde effecten heeft, betekent niet dat verweerder het verzoek van eiseres om uitzondering van de WNT norm niet heeft mogen afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/4533

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 oktober 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: prof. mr. J.G. Sijmons),

en

de minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. M.L. Bosman).

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres, inhoudende dat het eiseres wordt toegestaan dat zij tijdelijk een bezoldiging boven het wettelijk bezoldigingsmaximum toekent aan een topfunctionaris, afgewezen.

Bij besluit van 4 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres met verbetering van de motivering ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland.

Bij beslissing van 28 november 2017 heeft de rechtbank Gelderland met toepassing van

artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie het beroep voor verdere behandeling

doorverwezen naar deze rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2018. Eiseres is vertegenwoordigd door [A] voorzitter van de raad van toezicht en [B] , secretaris van de raad van toezicht en de raad van bestuur, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door mr. [C] en mr. [D] .

Overwegingen

1. Eiseres heeft bij verweerder een verzoek ingediend om haar nieuwe bestuurder tijdelijk uit te zonderen van de verlaagde bezoldigingsnorm van de Wet normering bezoldiging publieke en semipublieke sector (WNT) die per 1 januari 2016 van kracht is voor de zorgsector. Eiseres heeft toegelicht dat de nieuwe bestuurder als voorzitter van het integrale bestuur met toepassing van de WNT-norm, de komende zeven jaar veel minder zal verdienen dan zijn collega’s in de raad van bestuur, enkele directeuren en de medisch specialisten in haar ziekenhuis. Daardoor kan de verlangde kwaliteit in de raad van bestuur in gevaar komen. Eiseres heeft verzocht om haar bestuurder tijdelijk op het maximum naar de norm van WNT-1 te mogen inschalen met een afbouw naar de norm van WNT-2 vanaf 1 januari 2020, welke afbouwregeling voor ieder ziekenhuis zal gaan gelden. Dit biedt eiseres de gelegenheid om de salarissen van haar directeuren stapsgewijs te verlagen.

2. Eiseres heeft in antwoord op vragen van verweerder nadere informatie verstrekt over de kennisintensiteit, de taken van de bestuurder, de arbeidsomstandigheden en de omzet van het ziekenhuis. Ook is een profielschets van de (kandidaat-) bestuurder overgelegd. Eiseres heeft toegelicht dat de nieuwe bestuursvoorzitter voor een zeer complexe taak staat.

3. Verweerder heeft het verzoek van eiseres afgewezen. Verweerder is, samengevat, van oordeel dat voor de zorginstelling van eiseres geen sprake is van exceptionele omstandigheden die een uitzondering op de maximale bezoldigingsnorm van de WNT kunnen rechtvaardigen.

4. Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van de WNT bedraagt de bezoldiging van een topfunctionaris per kalenderjaar ten hoogste € 179.000,- (bedrag per 1 januari 2016).

5. Ingevolge artikel 2.4, eerste lid, van de WNT kunnen Onze Minister wie het aangaat en Onze Minister gezamenlijk besluiten dat partijen een bij dat besluit vast te stellen hogere bezoldiging overeen mogen komen dan de maximale bezoldiging van artikel 2.3 van de WNT.

6. In de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp van 26 november 2015 (de Regeling) zijn criteria en karakteristieken van de rechtspersoon of instelling opgenomen op basis waarvan het bezoldigingsmaximum wordt vastgesteld.

Bevoegdheid verweerder

7. De rechtbank overweegt over de bevoegdheid ambtshalve dat verweerder zelfstandig heeft beslist om de toepassing van artikel 2.4 van de WNT in dit geval te weigeren. Op grond van dat artikel kunnen de minister wie het aangaat (in dit geval verweerder) en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) gezamenlijk besluiten dat een hogere bezoldiging mag worden overeengekomen. Over een afwijzing van een verzoek was tot 1 juli 2017 niets opgenomen in artikel 2.4 van de WNT. Pas vanaf deze datum is bepaald dat de minister wie het aangaat zelfstandig bevoegd is tot afwijzing van een verzoek.

8. De rechtbank is van oordeel dat tot 1 juli 2017 geen wettelijk grondslag bestond voor een zelfstandige bevoegdheid van verweerder om het verzoek om toepassing van artikel 2.4 van de WNT af te wijzen. De minister van BZK heeft in zijn brief van 7 februari 2017 het besluit van verweerder bekrachtigd. Hiermee is het bevoegdheidsgebrek hersteld. De rechtbank ziet aanleiding om het bevoegdheidsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Nu verweerder het gebrek hangende de beroepsprocedure heeft hersteld en eiseres daar ook geen punt van heeft gemaakt, is aannemelijk dat eiseres hierdoor niet is benadeeld.

Niet-ontvankelijkheid

9. Verweerder heeft in het bestreden besluit, in aanvulling op het advies van zijn bezwaarcommissie, het bezwaar van eiseres deels niet-ontvankelijk geacht, omdat het is gericht tegen de bepalingen van de WNT, wat algemeen verbindende voorschriften zijn. Op zitting heeft verweerder deze niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar ingetrokken en toegelicht dat dit op een misverstand berust. Het bezwaar moet niet worden geacht te zijn gericht tegen algemeen verbindende voorschriften. Eiseres heeft te kennen gegeven dat dit op zichzelf juist is en dat het intrekken van de niet-ontvankelijkverklaring voor haar beroep geen consequenties heeft. De rechtbank zal hierop dan ook verder niet ingaan.

Exceptioneel geval

10. Eiseres voert aan dat verweerder zijn standpunt dat geen sprake is van een exceptioneel geval onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiseres heeft een maximale score van 9 punten en een jaaromzet van meer dan € 300 miljoen, waarmee wordt voldaan aan de criteria van de Regeling. Dat een instelling minimaal een omzet moet hebben van € 500 miljoen is door verweerder niet kenbaar gemaakt. Verweerder heeft ook niet onderbouwd waarom de naar voren gebrachte individuele omstandigheden niet moeten leiden tot een uitzondering van het maximale salaris van artikel 2.3 van de WNT. Volgens eiseres leveren de omstandigheden en de taken waarvoor de nieuwe bestuurder zich bij zijn aantreden gesteld ziet wel degelijk een exceptionele omstandigheid op. Eiseres had er daarom belang bij een overeenkomst aan te gaan met een ervaren bestuurder en voor hem, met deze procedure, een overstap met behoud van de overgangsregeling te faciliteren. Verweerder heeft dat volgens eiseres ten onrechte niet meegewogen dan wel daaraan ten onrechte onvoldoende gewicht toegekend. Eiseres stelt dat de keuze van de bestuurder om naar haar ziekenhuis over te stappen niet betekent dat hij daarmee ook de (financiële) gevolgen daarvan, het wegvallen van de overgangsregeling van WNT-1, aanvaardt. Verweerder heeft dat ten onrechte aangenomen. Hierdoor wordt eiseres de kans ontnomen om met een neutrale overstap een ervaren bestuurder op redelijke condities uit de zorg te kunnen aantrekken. Eiseres doet voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zij is van mening dat de overwegingen van de minister van BZK in de brief van 16 november 2015 aan de Tweede Kamer1 over de zwaarte van de functie van de bestuursvoorzitter van het UMCU evenzeer gelden voor de functie van de bestuursvoorzitter bij een topklinisch ziekenhuis als dat van eiseres. Eiseres wijst verder op de suggestie van de bezwaarcommissie om een generieke uitzondering te maken voor bestuurders die overstappen en daardoor uit de overgangsregeling van WNT-1 vallen. Daarmee erkent de bezwaarcommissie dat het financiële nadeel van overstappen voor een bestuurder het effect heeft van een ‘plakpremie’. Eiseres ziet niet in waarom verweerder die suggestie niet zou kunnen volgen. De WNT beoogt juist te voorzien in een redelijke overgangsregeling waarbij nadelige effecten voor de zorg zoveel mogelijk worden beperkt. Volgens eiseres moet verweerder maatwerk bieden bij de overgangsregeling. Omdat het aantal overstappers beperkt is, zal het (extra) beslag op de (semi-)publieke middelen ook beperkt zijn, aldus eiseres.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor de afhandeling van verzoeken voor de toepassing van artikel 2.4 van de WNT een vaste gedragslijn is ontwikkeld, waarbij is aangesloten bij de Regeling. Op grond van deze vaste gedragslijn komen een zorginstelling en een topfunctionaris alleen in aanmerking voor een uitzondering op grond van artikel 2.4 van de WNT als de instelling wat betreft grootte, kennisintensiteit, het aantal financieringsbronnen en de omzet hoog scoort. De instelling moet minimaal 9 punten behalen op de criteria 2.1-2.3 uit de Regeling en in het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de beoordeling plaatsvindt, een omzet behaald hebben van minimaal € 500 miljoen. Daarbij is uitgegaan van de jaaromzet als een indicatie voor de complexiteit van de instelling. Dat uitgangspunt berust op de gedachte dat een instelling met een hogere omzet over het algemeen complexer is en daardoor hogere eisen stelt aan de topfunctionarissen die haar moeten besturen. Omdat het uitgangspunt is dat ook bij de meest complexe instellingen – uit de hoogste klasse van de bijlage bij de Regeling, dus met een omzet hoger dan 300 miljoen euro – bezoldiging volgens de WNT-norm in beginsel voldoende zal zijn om goede bestuurders aan te trekken, wordt toepassing van de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 2.4 van de WNT beperkt tot gevallen waarin de omzet significant boven de grens van € 300 miljoen uitstijgt. De keuze voor de grens van een omzet van € 500 miljoen euro acht verweerder tegen deze achtergrond niet onredelijk. Dit omzetcriterium is onderdeel van verweerders vaste gedragslijn. Verweerder heeft daarnaast bij de beoordeling van het verzoek ook de concrete situatie van de zorginstelling en de individuele topfunctionaris beoordeeld. Volgens verweerder is geen sprake van een grensgeval waarbij net niet is voldaan aan het omzetcriterium en zijn de karakteristieken van de instelling van eiseres en van de individuele bestuurders niet zodanig dat niettemin aanleiding bestaat bezoldiging boven de WNT-norm toe te staan. Dat de functiezwaarte van de betreffende bestuurder naar eiseres stelt gelijk is aan die van de bestuurder van het UMC Utrecht, betekent volgens verweerder niet dat sprake is van een gelijk geval. In het geval van het UMC Utrecht gaat het om een academisch medisch centrum met een omzet van ruim meer dan € 500 miljoen, terwijl de jaaromzet in 2016 van eiseres € 338 miljoen bedraagt. Daar komt bij dat dit academisch medisch centrum veel meer personeel heeft, een regiofunctie heeft, als crisiscentrum fungeert en dat de zorg binnen een academisch medisch centrum veelal complexer is. Het feit dat de nieuwe bestuurder bij zijn aantreden te maken had met een bestuurlijk vacuüm waarin belangrijke beslissingen waren uitgesteld en de opdracht had om de samenwerking tussen de diverse locaties te coördineren, levert volgens verweerder evenmin een exceptionele omstandigheid op. Volgens verweerder is het de keuze van de bestuurder om al voor het aflopen van het overgangsregime van WNT-1 over te stappen. Dat daarmee de voordelen van dat regime komen te vervallen, heeft verweerder steeds onderkend. Dat een overstap in het belang kan zijn van de zorgsector, betekent niet dat het werven van een adequate bestuurder per definitie onmogelijk is en een uitzondering op de WNT-norm daarom gerechtvaardigd is, aldus verweerder.

12. De rechtbank stelt voorop dat het besluit om aan (in dit geval) een zorginstelling en een topfunctionaris toe te staan dat zij voor een bestuurder een hoger salaris overeenkomen dan het maximum van artikel 2.3 van de WNT, een bevoegdheid is van verweerder. Verweerder heeft bij het nemen van een besluit op grond van de WNT beoordelingsruimte. De rechter toetst of het bestuursorgaan geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van die beoordelingsruimte.

13. De rechtbank overweegt dat in artikel 2.4 van de WNT geen criteria zijn opgenomen waarmee duidelijk wordt gemaakt in welke gevallen afgeweken kan worden van het maximale salaris van artikel 2.3 van de WNT. Verweerder heeft daarvoor verwezen naar een interne vaste gedragslijn. Deze vaste gedragslijn heeft niet de status van beleidsregel als bedoeld van artikel 1:3, vierde lid van de Awb, omdat deze niet bij besluit is vastgesteld. Toepassing van de in artikel 4:84 van de Awb opgenomen bevoegdheid is daarom niet aan de orde. Die bevoegdheid is uitsluitend op beleidsregels van toepassing. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat verweerder zijn vaste gedragslijn niet consequent hanteert.

14. Volgens de vaste gedragslijn kan van een exceptioneel geval in beginsel alleen sprake zijn als de zorginstelling een omzet heeft van meer dan € 500 miljoen. De rechtbank acht dat uitgangspunt, gezien de toelichting van verweerder onder 11, niet onredelijk. Bij een zorginstelling met een omzet boven de € 500 miljoen worden doorgaans zwaardere eisen gesteld aan de bestuurders. Daarbij speelt mee dat deze omzetgrens geen dwingend toetsingscriterium is waarvan niet kan worden afgeweken. Verweerder heeft op zitting bevestigd dat in theorie ook bij een lagere omzet dan € 500 miljoen en een maximaal aantal punten een verzoek om uitzondering kan worden toegewezen. De omzet van eiseres in 2015 bedroeg € 328 miljoen en dus fors minder dan € 500 miljoen. Verweerder heeft de situatie van eiseres dus niet op grond van haar omzet als een exceptioneel geval hoeven aanmerken. Dat eiseres tevens voldoet aan de criteria van de Regeling van het maximum aantal punten en een omzet van meer dan € 300 miljoen, heeft verweerder gelet op de vaste gedragslijn ook niet doorslaggevend hoeven achten.

15. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij zijn beoordeling of in dit geval sprake is van een exceptioneel geval, naast de omzet, ook de complexe situatie van eiseres en de individuele omstandigheden van de bestuurder, heeft betrokken. Verweerder heeft op zitting bevestigd dat het verzoek is beoordeeld op basis van de feiten en omstandigheden die eiseres bij haar aanvraag en de toelichting daarop naar voren heeft gebracht. Hoewel de motivering van het bestreden besluit op dit punt niet uitblinkt in duidelijkheid, ziet de rechtbank geen reden om aan de juistheid van die mededeling van verweerder te twijfelen. Nu het gaat om een uitzondering op de hoofdregel moet degene die verzoekt om toepassing van die uitzondering argumenten naar voren brengen waarmee duidelijk wordt gemaakt waarom in dit geval van de hoofdregel moet worden afgeweken. De bewijslast dat er sprake is van een exceptionele situatie ligt derhalve bij eiseres.

16. Eiseres heeft bij haar aanvraag en de toelichting daarop – samengevat en voor zover van belang – het volgende naar voren gebracht. In oktober 2015 heeft eiseres afscheid moeten nemen van haar bestuursvoorzitter na een lange ziekteperiode. Dat hing samen met een meningsverschil met de medische staf over de positie van de vrijgevestigde medisch specialisten over de integrale tarieven, wat heeft geleid tot een verschil van inzicht met de raad van bestuur over de organisatorische aansturing van het ziekenhuis. De nieuwe bestuursvoorzitter staat daarom voor een complexe taak. Hij moet het vertrouwen van de medische staf herstellen, leiding geven aan de verdere profilering en portfolio van haar twee ziekenhuislocaties en de organisatiestructuur daarop aanpassen, mede na de recente integratie van twee tot voor kort aparte medische staven. Hij moet ook het aantal managementlagen verminderen en de financiën, die in 2015 een negatieve ontwikkeling kenden, op orde brengen in het licht van de teruglopende zorgproductie en de effecten van snel wisselende marktaandelen van de verschillende zorgorganisaties. Verder zal de samenwerking met de ziekenhuizen in Deventer en Zwolle veel aandacht van de bestuursvoorzitter vragen. Daarnaast zal hij op termijn samen met de huidige raad van bestuur invulling moeten geven aan een dan geheel nieuw samengestelde raad van bestuur. Eiseres heeft verder een brief van 7 januari 2016 van [E] van het door haar ingeschakelde wervingsbureau [naam wervingsbureau] overgelegd. Daarin is vermeld dat het eiseres sinds januari 2015 ontbroken heeft aan een voorzitter raad van bestuur en dat de nieuw aan te trekken voorzitter eigenlijk vanaf de eerste dag operationeel moet zijn en er feitelijk geen tijd is om in de rol te groeien.

16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden van eiseres niet dermate uitzonderlijk heeft hoeven achten dat deze een uitzondering op het maximale salaris van de WNT-norm rechtvaardigt. Dat de nieuwe bestuurder bij aanvang als gevolg van het vertrek van de vorige bestuursvoorzitter in een bestuurlijk vacuüm terechtkomt en dat dit veel van deze topfunctionaris vergt neemt de rechtbank aan, maar dit is een tijdelijke situatie waarmee de topfunctionaris mede gezien de door eiseres aangeleverde functieomschrijving geacht wordt te kunnen omgaan. Dat het conflict met de medische staven zodanig uitzonderlijk zou zijn dat dit zeer bijzondere leiderschapsvaardigheden vereist die het vervullen van de functie bij hantering van de WNT2-norm zodanig bemoeilijkt dat afwijking van die norm wordt gerechtvaardigd, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat de gezochte bestuurder daadwerkelijk door eiseres is gevonden en vervolgens per 1 mei 2016 is aangesteld. Verweerder heeft ook mogen meewegen dat de omzet van eiseres niet in ruime mate boven de € 300 miljoen ligt, wat de functiezwaarte en de vereiste kwaliteiten van de bestuurder niet uitzonderlijk maakt. Van een onjuiste waardering van de omstandigheden van eiseres of van de persoonlijke kwaliteiten van de bestuurder is daarom geen sprake. Dat eiseres heeft verzocht om een tijdelijke een uitzondering van de WNT-norm, leidt niet tot een ander oordeel, omdat de WNT hiervoor geen ander besliskader geeft. De beroepsgrond slaagt niet.

Gelijkheidsbeginsel

18. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ook op het standpunt heeft kunnen stellen dat de functiezwaarte van de betrokken bestuurder van een universitair medisch centrum zoals het UMC Utrecht, niet gelijk is aan die van de bestuursvoorzitter van eiseres. Ook de eigenschappen van het UMCU, een academisch centrum met veelal complexere zorg, een omzet van ruim meer dan € 500 miljoen, een grotere personeelsomvang en een regio- en onderwijsfunctie en functie als crisiscentrum, verschillen van de zorginstelling van eiseres. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.

Schending artikel 1 van het Eerst Protocol bij het EVRM

19. Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op de bezwaargronden over de schending van artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 14 van het EVRM. Eiseres stelt dat de afwijzing van het verzoek een inbreuk betekent op het eigendomsrecht, waarvoor zij verwijst naar een advies van Barkhuysen en van Emmerik over de WNT aan de wetgever2 en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Volgens eiseres voldoet deze inbreuk niet aan het vereiste van fair balance. Er is geen redelijk belang om te verhinderden dat bestuurders met behoud van hun status overstappen onder het overgangsregime.

20. Verweerder stelt zich, in het aanvullend verweerschrift, op het standpunt dat toepassing van (de overgangsregeling) van de WNT niet in strijd is met artikel 1 van het EP. In dit geval is de arbeidsovereenkomst tussen eiseres en de nieuwe bestuursvoorzitter tot stand gekomen op het moment dat de maximale bezoldigingsnorm van de WNT al van toepassing was. Van bestaande rechtsaanspraken als bedoeld in artikel 1 van het EP is volgens verweerder daarom geen sprake.

21. Op grond van artikel 1 van het EP heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

22. Bij beantwoording van de vraag of er sprake is van strijd met artikel 1 van het EP dient te worden getoetst of aan de in dat artikel geformuleerde voorwaarden voor regulering of ontneming van eigendom is voldaan. Beoordeeld moet worden of sprake is van een inmenging in de eigendom, die bij wet is voorzien. Verder moet worden beoordeeld of de inmenging in het eigendomsrecht een legitieme doelstelling heeft en in het algemeen belang is en of er een behoorlijk evenwicht bestaat tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. Een en ander onder erkenning van een ruime beoordelingsmarge die de Staat heeft bij de hantering van deze criteria. Aan het proportionaliteitsvereiste wordt niet voldaan als het individu door de inmenging in het eigendomsrecht ‘an individual and excessive burden’ (een individuele en onevenredig zware last) moet dragen.

23. Voor zover eiseres betoogt dat sprake is van een door artikel 1 van het EP beschermd eigendomsrecht van haar bestuurder, slaagt dat betoog niet omdat eiseres haar bestuurder pas na invoering van de WNT/WNT-2 heeft aangesteld en er dus geen sprake is van een inmenging. Dat de bestuurder is aangenomen onder de voorwaarde dat eiseres zich in rechte zou inspannen voor hem een afwijking van de WNT-norm mogelijk te maken, leidt niet tot een ander oordeel.

24. Voor zover eiseres betoogt dat er sprake is van een inmenging in haar eigen eigendomsrecht, is de rechtbank van oordeel dat deze inmenging geen aantasting oplevert van haar door artikel 1 van het EP beschermde eigendomsrecht. De regulering van topinkomens is in de wet voorzien en wordt gerechtvaardigd geacht. Uit de Memorie van Toelichting bij de WNT blijkt dat deze strekt tot een maatschappelijk aanvaardbare, evenwichtige en verantwoorde bezoldiging van topfunctionarissen in publieke en semipublieke sector.3 Het belang van het ingrijpen in bestaande contracten is gelegen in een correctie van onwenselijke bezoldigingsontwikkelingen in de publieke en semipublieke sector. Verder is van belang dat topfunctionarissen en hun werkgevers niet altijd blijk gaven van de noodzakelijke terughoudendheid bij het vaststellen van het salaris. Uit onderzoek van de commissie Dijkstal is gebleken dat het aantal topfunctionarissen met een salaris dat uitstijgt boven dat van een minister jaarlijks toeneemt en dat zelfregulering deze ontwikkeling niet heeft kunnen voorkomen.4 Er is sprake van een legitieme doelstelling in het algemeen belang voor de normering van topinkomens in de zorg op grond van de WNT. Nu in de WNT een overgangsregeling is opgenomen van 7 jaar en tevens erin is voorzien dat in bijzondere gevallen een uitzondering op de norm wordt toegestaan, is hiermee ook voldaan aan het proportionaliteitsvereiste (fair balance). Het beroep van eiseres op artikel 1 van het EP van het EVRM slaagt daarom niet.

Overgangsrecht en ‘plakeffect’

25. Het betoog van eiseres dat bestuurders door een overstap te maken naar een andere bestuursfunctie er niet zelf voor kiezen dat het overgangsrecht komt te vervallen, leidt er niet toe dat verweerder een generieke uitzondering moet maken van de WNT-norm. Dat maximering van de salarissen grote financiële gevolgen kan hebben voor individuele topbestuurders, heeft de wetgever onderkend. Om die reden heeft de wetgever uitvoerig stil gestaan bij het overgangsrecht zodat de betrokken topfunctionarissen voldoende in staat worden gesteld zich hierop voor te bereiden. Met een overgangstermijn in de WNT van drie jaar en vier jaar heeft de wetgever aan de topbestuurder een redelijke termijn gegund om een nieuwe functie te zoeken en het uitgavenpatroon te wijzigen. Aldus hebben zittende bestuurders de keuze om al dan niet over te stappen naar een andere bestuursfunctie.

26. Dat het overgangsrecht WNT ook niet beoogde effecten heeft, betekent niet dat verweerder het verzoek van eiseres om uitzondering van de WNT norm niet heeft mogen afwijzen. Voor zover het overgangsrecht een remmende werking heeft op de mobiliteit van topfunctionarissen tussen (semi-) publieke instellingen, ziet dat op de periode dat het overgangsrecht geldt. Dit is dus naar zijn aard een tijdelijk effect. Bovendien staat vast, zoals eiseres zelf ook heeft erkend, dat het zogeheten ‘plakeffect’ zich voor haar bestuurder niet heeft voorgedaan.

27. Het beroep is ongegrond.

28. De rechtbank veroordeelt verweerder, gelet op het onder 8 genoemde gebrek in het bestreden besluit, in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

29. De rechtbank bepaalt tevens, gelet op het onder 8 genoemde gebrek, dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht aan haar vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,-;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, voorzitter, en mr. J.J. Catsburg en mr. M.E.J. Sprakel, leden, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 TK 2015-2016, 30 111, nr. 89.

2 Zie bijvoorbeeld: EK 2011-2012, 32 600, F, p. 25 noot 1.

3 TK 2013-2014, 33 978, nr. 3, pagina 22-23.

4TK 2014-2015, 32600, nr. 3, pagina 7 en 8.

Verloskundigen: ‘Te weinig personeel in ziekenhuizen voor bevalling’

Meerdere ziekenhuizen in verschillende regio’s hebben te weinig personeel om bevallingen van vrouwen aan te kunnen. Als gevolg hiervan moeten verloskundigen contact opnemen met verschillende ziekenhuizen om een plek te vinden voor bevallingen, meldt koepelorganisatie KNOV donderdag.

De koepelorganisatie noemt het in gesprek met de NOS een “structureel probleem” dat kan leiden tot onveiligheid.

De woordvoerder schetst dat ziekenhuizen vaker bevallingen moeten weigeren vanwege een personeelstekort. Spoedbevallingen kunnen nog wel plaatsvinden, omdat hier andere protocollen voor gelden.

Volgens de KNOV zijn de problemen het nijpendst in Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland. Een woordvoerder van het ziekenhuis OLVG in Amsterdam bevestigt het geschetste beeld in gesprek met NU.nl.

Gemiddeld vinden jaarlijks zevenduizend bevallingen plaats in de centra van het OLVG. Voor negenhonderd vrouwen is geen plek.

Alleen nog geplande keizersnedes in Nieuwegein

Deze zomer nog sloten drie ziekenhuizen in de regio Utrecht een akkoord om geboortezorg te garanderen. Zo is overeengekomen dat er onderling informatie over de capaciteit uitgewisseld wordt.

Het St. Antonius Ziekenhuis heeft bijvoorbeeld noodgedwongen de bevallingen op een van de twee locaties geconcentreerd. Op de locatie in Nieuwegein vinden vanwege het personeelstekort alleen nog geplande keizersnedes plaats.

‘ALS-patiënt Fernando Ricksen door fout bijna overleden in ziekenhuis’

‘ALS-patiënt Fernando Ricksen door misser bijna overleden in ziekenhuis’

Fernando Ricksen is twee weken geleden bijna overleden door een fout in een Schots ziekenhuis. Een verpleegkundige zag de oud-profvoetballer, die met de spierziekte ALS kampt, aan voor een andere patiënt.

“Hij heeft moeten vechten voor zijn leven”, vertelt biograaf Vincent de Vries donderdag aan De Stentor. De verpleegkundige had Ricksens spraakcomputer afgepakt en hem op zijn rug gelegd.

“Met de mededeling dat Fernando nu wel lang genoeg op zijn computer had gezeten en lekker moest gaan slapen, zodat hij de volgende morgen weer gezond wakker zou worden. Fernando mag helemaal niet plat liggen, zijn longen worden drie keer per dag leeggepompt.”

Ricksen is door de ziekte ALS inmiddels zodanig verzwakt dat hij niet meer kan praten of zich kan bewegen. De spraakcomputer die de voormalig speler van Oranje, Fortuna Sittard, AZ, Glasgow Rangers en Zenit Sint-Petersburg met zijn ogen kan bedienen, zorgt ervoor dat hij met zijn omgeving kan communiceren.

“Naast zijn bed hangt een briefje waarop staat dat die computer niet mag worden afgepakt. Er staat ook op dat hij niet plat mag worden gelegd”, aldus De Vries.

‘Ze moesten hem reanimeren’

De 41-jarige Ricksen, die al vijf jaar aan de ziekte ALS lijdt en nog slechts 40 kilo weegt, was in het ziekenhuis beland nadat hij tijdens een meet-and-greet bij zijn oude club Glasgow Rangers volgens De Vries “in elkaar klapte”.

“Fernando ging ineens hard achteruit, artsen gaven hem bijna op. Het was de eerste keer dat ik nerveus naar het ziekenhuis ging”, aldus de biograaf, die de volgende ochtend hoorde welke fout er door de verpleegkundige was gemaakt.

“Hij vertelde via zijn spraakcomputer: ‘Ik was bijna dood vannacht, twee uur lang een doodsstrijd geleverd. Als de nachtzuster niet toevallig even was gekomen, was ik er niet meer geweest’. Ze moesten hem reanimeren.”

Schrijver De Vries werkt momenteel aan een tweede boek over Ricksen. Het eerste boek met de naam Vechtlust stond weken in de bestsellerlijst van de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB).

Elsevier lijst ziekenhuizen: bij 13 ingrepen voldoen 29 ziekenhuizen niet aan patientsveiligheidnormen

‘Kleine’ ziekenhuizen scoren goed in Elsevier-lijst

Rivas Zorggroep Beatrixziekenhuis in Gorinchem is door Elsevier Weekblad aangemerkt als beste ziekenhuis van Nederland. Naast Rivas behaalden nog eens zeven ziekenhuizen de hoogste score in een beoordeling op bijna zevenhonderd indicatoren.

Vijf ziekenhuizen hoorden ook in 2017 al bij de beste: Rivas Zorggroep Beatrixziekenhuis, Noordwest Ziekenhuisgroep locatie Den Helder, Streekziekenhuis Koningin Beatrix, Nij Smellinghe en Tergooiziekenhuizen.

Van alle 81 ziekenhuizen haalden 47 eenzelfde score als vorig jaar, en 29 iets hoger of lager. Opvallend is dat onder best scorende ziekenhuizen niet de namen van het Jeroen Bosch Ziekenhuis en ZorgSaam Zeeuws-Vlaanderen terug te vinden zijn. De twee ziekenhuizen werden vorige door het AD aangemerkt als de beste ziekenhuizen van Nederland. In Elsevier doen ze het weliswaar bovengemiddeld, maar krijgen ze geen maximale score.

Veiligheid

Als het gaat om de patiëntveiligheid gaat blijken 29 ziekenhuizen van de 81 ziekenhuizen niet aan de minimumnormen te voldoen die wetenschappelijke verenigingen van medisch specialisten hanteren. Het gaat daarbij om dertien ingrepen.

Stabiliteit

Elsevier besteedde dit jaar extra aandacht aan de financiële stabiliteit van ziekenhuizen. De financiële stabiliteit van alle ziekenhuizen is beoordeeld aan de hand van vijf indicatoren. Op basis van de cijfers over 2017 staan 48 ziekenhuizen er volgens Elsevier goed tot zeer goed voor, zestien moeten oppassen en zeven zwak tot precair zijn. Van de zeven zwakke ziekenhuizen in 2017 is inmiddels de MC Groep met de locaties MC Slotervaart en de IJsselmeerziekenhuizen  failliet.

Patiëntgerichtheid en de kwaliteit van de medische zorg vormen de voornaamste ijkpunten in het jaarlijkse onderzoek van Elsevier Weekblad. Alle gegevens komen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en het Zorginstituut Nederland, en zijn wettelijk verplicht aangeleverd door de ziekenhuizen. Het zijn kwaliteitsmaten die ziekenhuizen en artsen zelf afspraken met inspectie, verzekeraars, patiëntenorganisaties en Consumentenbond.

Rechtbank Rotterdam: medisch specialisten Ruwaard van Puttenziekenhuis recht op meer geld van de curatoren

De rechtbank Rotterdam heeft vandaag vonnis gewezen in een zaak tussen de curatoren en een groot aantal specialisten. Na het faillissement van het Ruwaard van Puttenziekenhuis in 2013 hebben de zorgverzekeraars uiteindelijk ruim 4 miljoen Euro betaald op een aparte rekening. Daar komt waarschijnlijk nog ruim een half miljoen bij. Een gedeelte van het totaalbedrag betreft honorarium voor nog niet betaald werk van de specialisten; het grootste gedeelte betreft voldoening van vorderingen van het ziekenhuis op de zorgverzekeraars.

Voorschotten

De curatoren en de specialisten hebben beslissingen gevraagd over een aantal geschilpunten met betrekking tot de verdeling van het geld. De rechtbank heeft beslist dat de curatoren van de aanspraak die de specialisten maken op het te verdelen bedrag ten onrechte 1,3 miljoen Euro willen aftrekken wegens voorschotten uit 2008. Die voorschotten zijn al verrekend door de zorgverzekeraars bij de eindafrekening met de curatoren. Ook is beslist dat de specialisten waarschijnlijk een grote vordering hebben op de failliete boedel, die zij mogen verrekenen met geld dat zij anders mogelijk nog zouden moeten betalen.

Goodwill

Die grote vordering van de specialisten gaat vooral om verloren goodwill. Het is op dit moment niet duidelijk hoe groot die vordering precies is. Verder zijn de curatoren gebonden aan de afspraak die kort na faillissement is gemaakt dat op het aan de specialisten door te betalen bedrag maar 1,5% aan kosten mag worden afgetrokken. De curatoren mogen niet terugvallen op oude afspraken, toen het ziekenhuis nog draaide en toen 15% aan kosten werd ingehouden. De curatoren zijn dus veroordeeld tot betaling van een bedrag aan de specialisten, maar het precieze bedrag moet nog worden uitgerekend. De rechtbank verwacht dat partijen daar onderling uit komen.

Andere vorderingen

Dat de specialisten misschien van de zorgverzekeraars nog meer geld te vorderen hebben is nu niet van belang. Zij kunnen alleen aanspraak maken op het aan hen toekomende gedeelte van het geld dat daadwerkelijk op de aparte rekening staat.

Uitspraken

ECLI:NL:RBROT:2018:9253

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
C/10/507777 / HA ZA 16-800
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie

financiële afwikkeling tussen curatoren en specialisten; verrekening; voorschotten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/507777 / HA ZA 16-800

Vonnis van 14 november 2018

in de zaak van

1. [eiser 1], kantoorhoudende te Den Haag,

2. [eiser 2], kantoorhoudende te Den Haag,

beiden in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van de stichting Stichting Ruwaard van Puttenziekenhuis, gevestigd te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J.H.M. van de Wiel te Den Haag,

tegen

1. de maatschap Stafmaatschap Ruwaard van Puttenziekenhuis, gevestigd te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

3. de maatschap Maatschap Orthopedie Spijkenisse, gevestigd te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

4. de maatschap Maatschap Chirurgie Ruwaard van Puttenziekenhuis, gevestigd te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

5. de maatschap Maatschap Dermatologie Ruwaard van Putten Ziekenhuis, gevestigd te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

6. de maatschap Maatschap Gynaecologie Ruwaard van Putten Ziekenhuis, gevestigd te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

7. de maatschap Maatschap Plastische Chirurgie YSL & RPZ, gevestigd te Capelle aan den IJssel,

8. de maatschap Maatschap Cardiologie Ruwaard van Puttenziekenhuis, zonder bekende vestigingsplaats,

9. de maatschap Maatschap Longgeneeskunde Ruwaard van Puttenziekenhuis, zonder bekende vestigingsplaats,

10. de maatschap Maatschap Anesthesiologie Ruwaard van Puttenziekenhuis, zonder bekende vestigingsplaats,

12. [gedaagde 12], wonende te [woonplaats] ,

14. [gedaagde 14], wonende te [woonplaats] ,

15. [gedaagde 15], wonende te [woonplaats] ,

16. [gedaagde 16], wonende te [woonplaats] ,

17. [gedaagde 17], wonende te [woonplaats] ,

18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 18], gevestigd te Rotterdam,

22. [gedaagde 22], wonende te [woonplaats] ,

23. [gedaagde 23], wonende te [woonplaats] ,

24. [gedaagde 24], wonende te [woonplaats] ,

25. [gedaagde 25], wonende te [woonplaats] ,

26. [gedaagde 26], wonende te [woonplaats] ,

27. [gedaagde 27], wonende te [woonplaats] ,

28. [gedaagde 28], wonende te [woonplaats] ,

29. [gedaagde 29], wonende te [woonplaats] ,

31. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Baldew Coeur B.V., gevestigd te Poortugaal, gemeente Albrandswaard,

32. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 32], gevestigd te Hellevoetsluis,

33. [gedaagde 33], wonende in [woonplaats] ,

34. [gedaagde 34], wonende te [woonplaats] ,

35. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 35], gevestigd te Oud-Beijerland,

38. [gedaagde 38], wonende te [woonplaats] ,

39. [gedaagde 39], wonende te [woonplaats] ,

40. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 40], gevestigd te Bleskensgraaf, gemeente Molenwaard,

41. [gedaagde 41], wonende te [woonplaats] ,

42. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 42], gevestigd te Rotterdam,

43. [gedaagde 43], wonende te Rotterdam,

44. [gedaagde 44], wonende te [woonplaats] ,

45. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 45], gevestigd te Brielle,

46. [gedaagde 46], wonende te [woonplaats] ,

47. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 47], gevestigd te [woonplaats] ,

48. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nedgyn B.V., gevestigd te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

49. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Homedi B.V., gevestigd te Rotterdam,

50. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 50], gevestigd te Rotterdam,

51. [gedaagde 51], wonende te Stellendam, gemeente [woonplaats] ,

52. de maatschap Maatschap Radiologie Ruwaard van [woonplaats] Ziekenhuis, gevestigd te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

53. de maatschap Maatschap Internisten Ruwaard van Puttenziekenhuis, gevestigd te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

54. de maatschap Maatschap Urologie Williams & Bierkens, gevestigd te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

55. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Radiodiagnostiek J. Kols B.V., gevestigd te Hellevoetsluis,

56. [gedaagde 56], wonende te Burgh-Haamstede, gemeente [woonplaats] ,

57. [gedaagde 57], wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. S.D.W. Gratama te Almere,

2. de maatschap Maatschap KNO Ruwaard van [woonplaats], gevestigd te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

11. [gedaagde 11], wonende te [woonplaats] ,

13. [gedaagde 13], wonende te [woonplaats] ,

19. [gedaagde 19], wonende te [woonplaats] ,

20. [gedaagde 20], wonende te [woonplaats] ,

21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 21], gevestigd te Dirksland, gemeente Goeree-Overflakkee,

30. [gedaagde 30], wonende te [woonplaats] ,

36. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 36], gevestigd te Rotterdam,

37. [gedaagde 37], wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. K.J. de Rooij te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de Curatoren, de Stafmaatschap c.s. en de maatschap KNO c.s. genoemd worden. Alle gedaagden in conventie, eisers in reconventie gezamenlijk zullen als de Specialisten c.s. worden aangeduid. Afzonderlijk zullen zij ook worden aangeduid als de Stafmaatschap (gedaagde sub 1), de maatschappen (gedaagden sub 2 t/m 10 en 52, 53 en 54) en de specialisten (gedaagden sub 11 t/m 51 en 55, 56 en 57).

1 De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaardingen van 1 en 2 augustus 2016, met producties;
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie van 23 november 2016 van de Stafmaatschap c.s., met producties;
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie van 23 november 2016 van de maatschap KNO c.s., met producties;
  • de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie van 8 maart 2017, met producties;
  • de conclusie van dupliek in conventie tevens van repliek in reconventie van 12 juli 2017 van de Stafmaatschap c.s., met producties;
  • de conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie van 12 juli 2017 van de maatschap KNO c.s., met producties;
  • de conclusie van dupliek in reconventie van 4 oktober 2017;
  • de productie ten behoeve van het pleidooi (schema afrekening) van de Curatoren;
  • de op 22 mei 2018 gehouden pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnota’s.

1.2.Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.Op 24 juni 2013 is de stichting Stichting Ruwaard van Putten Ziekenhuis (hierna: RPZ) in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de Curatoren als zodanig. Daaraan voorafgaande waren op 5 juni 2013 in het kader van een zogenoemde pre-pack op verzoek van de directie van RPZ de later als curatoren benoemde advocaten benoemd als stille bewindvoerders van RPZ.

2.2.RPZ exploiteerde tot haar faillietverklaring een algemeen ziekenhuis te Spijkenisse (hierna: het ziekenhuis).

2.3.De specialisten zijn medisch specialisten die al dan niet via een besloten vennootschap een toelatingsovereenkomst hadden met RPZ. De specialisten oefenden (mede) in het ziekenhuis hun medisch-specialistische praktijk uit.

2.4.De maatschappen zijn samenwerkingsverbanden van specialisten (dan wel hun besloten vennootschappen), onderverdeeld naar vakgroepen.

2.5.De Stafmaatschap is opgericht op 1 januari 2012 in verband met de nieuwe bekostigingsstructuur van ziekenhuizen en medisch specialisten per die datum. Via de Stafmaatschap vonden vanaf die datum bepaalde betalingsstromen plaats. De Specialisten hebben de Stafmaatschap gemachtigd het honorarium voor hen bij RPZ te incasseren, die dat bij de zorgverzekeraars int en doorbetaalt aan de Stafmaatschap. De Stafmaatschap verdeelt het geïncasseerde over de specialisten c.q. hun maatschappen.

2.6.Direct per faillissementsdatum (op 24 juni 2013 vanaf 0:00 uur) zijn de activiteiten van RPZ in het kader van een doorstart overgenomen door – eenvoudig weergegeven – de drie omliggende ziekenhuizen. Dat zijn het Maasstadziekenhuis, het Ikaziaziekenhuis en het Van Weel Bethesda Ziekenhuis.

2.7.In het kader van de overname hebben de drie omliggende ziekenhuizen Spijkenisse Medisch Centrum B.V. (hierna: SMC) opgericht. SMC heeft de vaste activa van RPZ overgenomen.

2.8.De praktijken van de specialisten zijn niet overgedragen aan SMC.

2.9.SMC heeft als doorstartende partij alle ondernemingsactiviteiten van RPZ voortgezet. De behandeling van patiënten in het ziekenhuis is vanaf de faillissementsdatum door SMC gecontinueerd. Daarbij heeft SMC (mede) gebruik gemaakt van de diensten van (een groot aantal van) de specialisten, op basis van door SMC met elk van hen separaat gesloten arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.

2.10.De Curatoren hebben kort na de faillissementsdatum aan de specialisten bericht dat zij alle lopende overeenkomsten tussen ieder van hen en RPZ geen gestand wensen te doen.

2.11.Tussen de advocaat van de Curatoren en de advocaat van de Stafmaatschap c.s. heeft overleg plaatsgevonden over het declareren en incasseren bij de zorgverzekeraars van het per faillissementsdatum onderhanden werk. In dat kader hebben zij getracht afspraken te maken.

2.12.Een brief van 9 juli 2013 van mr. Gratama aan de Curatoren vermeldt (productie 5 bij conclusie van antwoord/eis):

“Ten behoeve van de vrijgevestigde artsen verbonden aan het collectief en de stafmaatschap van het Ruwaard van Putten Ziekenhuis (RPZ) alsmede de maatschappen waaraan zij verbonden zijn, bericht ik u het volgende.

Het eerder genoemde collectief heeft een vordering in verband met het RPZ, welke is opgebouwd als volgt:

A) Mutatie onderhanden werk 2012 (zie bijlage 1 LOGEX): € 859.022,=

B) Onderhanden werk 2013 (zie bijlage 2 LOGEX): € 2.171.461,=

C) Nog niet ontvangen voorschotten laatste 4 maanden:

Maart 2013 (zie bijgaande mailwisseling bijlage 3): € 196.008,=

April 2013 (slechts € 446.000,= ontvangen in plaats van
de gebruikelijke € 675.000,=) € 210.000,=

Mei en juni 2013 (over deze maanden is geen voorschot
uitbetaald): € 1.350.000,=

D) Mogelijk verlies aan goodwill ten bedrage van circa
10 miljoen euro. Dit bedrag is geschat op basis van het
totaal honorariumbudget (zie bijlage 1 en 2)

Het totaal van de vorderingen A t/m D bedraagt € 14.786.491,=

Voorbehoud van rechten

Namens cliënten verzoek ik u deze vorderingen zekerheidshalve bij u ingediend te beschouwen en op de lijst van voorlopig erkende crediteuren te plaatsen. Graag ontvang ik hiervan een bevestiging. Cliënten behouden zich overigens alle rechten voor, waaronder begrepen het recht om deze vorderingen nog te wijzigen, nader aan te vullen en/of te onderbouwen.

Honorariumdeel onderhanden werk valt niet in de boedel

Ten aanzien van de vorderingen aangaande het onderhanden werk vermeld onder A) en B) stellen cliënten zich op het standpunt ertoe gerechtigd te zijn dat zij deze vordering rechtstreeks van de betreffende zorgverzekeraars uitgekeerd dienen te krijgen. De vorderingen aangaande het onderhanden werk vallen immers in het vermogen van de medisch specialisten, vrije beroepsbeoefenaren, en derhalve buiten de boedel.

Beheersmodel NZa

Ter onderbouwing van dit standpunt wijs ik u op het volgende:

In het onderhavige geval is sprake van het zogenaamde “via declareren”. In artikel 4.2 van het beheersmodel van de Nederlandse Zorgautoriteit (zie bijlage 4) wordt bepaald:

Indien en voor zover (1) de vrijgevestigd medisch specialist tot een collectief behoort én (2) door de NZa op grond van de beleidsregel een honorariumomzetplafond ten behoeve van dit collectief is vastgesteld, kan de medisch specialist het honorariumbedrag in rekening brengen aan de consument of diens zorgverzekeraar, via de instelling.

Deze wijze van via declareren wordt in het RPZ toegepast ten aanzien van het collectief van vrij gevestigde specialisten aan wie inderdaad een honorariumomzetplafond is toegekend (zie bijlagen 1 en 2).

Het ziekenhuis (of wel de “instelling” in de terminologie van het beheersmodel) declareert het aan de artsen toekomende honorarium ten behoeve van die artsen en hun collectief. Het betreft dan ook geen vordering van het ziekenhuis zelf, maar een vordering van het collectief.

Machtiging

Het ziekenhuis is gemachtigd om deze vordering te incasseren bij de zorgverzekeraars. De verstrekte machtiging aan het ziekenhuis blijkt (onder meer) uit de overeenkomst betreffende de doorbetaling van honorarium (zie bijlage 5). In artikel 2.2 van deze overeenkomst wordt bepaald:

De Medisch Specialist machtigt de Stichting, indien en voor zover dit niet al uit het DBC systeem volgt, en dit wel nodig en wenselijk is, tot het declareren van DBC-vorderingen bij de (zorg-)verzekeraars c.q. de patiënten, en het in ontvangst nemen van de betalingen van de gedeclareerde bedragen namens de Medisch Specialist.

Op grond van het bepaalde in artikel 3:72 BW eindigt een machtiging bij faillissement. De boedel is derhalve niet meer bevoegd om het onderhanden werk namens de artsen te declareren en te innen. Wij hebben u hierop reeds gewezen in ons gesprek van woensdag 26 juni jl. en daaraan voorafgaand in ons telefoongesprek van 25 juni jl. met mr. [eiser 2] .

Dat de vordering van het onderhanden werk, dat wil zeggen het honorariumdeel van de zelfstandig medisch specialisten, aan de artsen toekomt en niet aan het ziekenhuis, blijkt daarnaast uit de toelatingsovereenkomsten tussen het ziekenhuis en de arts (zie bijlage 6).

In de artikelen 20.6.1 en 20.6.2 is bijvoorbeeld bepaald dat het risico van wanbetaling van het honorarium deel geheel voor rekening van de medisch specialist komt. In artikel 20.8 is verder bepaald dat het ziekenhuis de voor de medisch specialist gedeclareerde en ontvangen honorarium aan hem doorbetaalt.

Conclusie met betrekking tot onderhanden werk

Uit het voorgaande volgt de conclusie dat het toegepaste declaratiesysteem weliswaar met zich mee bracht dat het ziekenhuis voor en ten behoeve van de artsen declareerde, maar dat de vorderingen met betrekking tot het honorariumdeel weldegelijk aan de artsen toebehoren en in hun vermogen vallen, niet in het vermogen van het ziekenhuis. Door het vervallen van de machtiging per datum faillissement is het ziekenhuis niet meer gerechtigd voor de artsen te declareren.

Dit betekent dat de boedel het honorariumdeel van de artsen thans niet meer kan declareren en/of incasseren. De artsen zijn daartoe zelf gerechtigd. Het voorgaande brengt eveneens met zich mee dat het honorariumdeel van de artsen ook niet onder enig pandrecht van de bank kan vallen als zekerheid voor hetgeen de bank van het ziekenhuis te vorderen heeft. Aangezien het honorarium deel in het vermogen van de artsen zelf valt en niet in het vermogen van het ziekenhuis, was en is het ziekenhuis uiteraard ook niet bevoegd tot verpanding van deze vorderingen.

Wij zullen de betreffende zorgverzekeraars van het voorgaande in kennis stellen en daarbij aangeven dat zij het honorariumdeel van het onderhanden werk slechts nog bevrijdend kunnen betalen aan cliënten en derhalve niet aan de boedel en/of de bank.

Goodwill

In artikel 17.2 van de eerder genoemde toelatingsovereenkomst (bijlage 6) is bepaald dat de medisch specialist recht heeft op goodwill ten aanzien van de uit hoofde van de onderhavige overeenkomst in het ziekenhuis verrichte werkzaamheden. Doordat het ziekenhuis de met de medisch specialisten gesloten overeenkomsten niet meer kon nakomen, dreigen cliënten zeer aanzienlijke bedragen aan goodwill te verliezen. De totale schade wordt voorlopig begroot op € 10.000.000,=, waarbij aansluiting wordt gezocht bij de waarde van het aan het collectief toebedeelde honorarium budget (zie bijlagen 1 en 2). Cliënten behouden zich overigens nadrukkelijk het recht voor deze schade op derden te verhalen. De wijze waarop nu de doorstart plaatsvindt leidt, gegeven de gevoerde gesprekken met de overnemende partij, tot verlies van goodwill.

Ik verzoek u dringend met het bovenstaande rekening te houden. Graag maak ik met u een afspraak voor overleg omtrent de verdere afwikkeling.”

2.13.Een brief van 23 juli 2013 van mr. Gratama aan de Curatoren vermeldt onder meer (productie 6 bij conclusie van antwoord/eis):

“(…)

Voorts hebben cliënten vernomen dat u voornemens bent om bepaalde kosten op hen te verhalen. Cliënten zullen vanzelfsprekend deze kosten niet betalen nu zij uit hoofde van de ingediende vordering zich op verrekening beroepen.

(…)”

2.14.Een brief van 11 december 2013 van mr. Gratama aan mr. A.J.H.W.M. Versteeg, de (toenmalig) advocaat van de Curatoren vermeldt (productie 16 bij conclusie van antwoord van de Stafmaatschap c.s.):

“In het vervolg op onze bespreking van 5 september jl., waarbij aanwezig waren u en uw cliënten de curatoren, mr. [curator 1] [curator 2] en mr. [eiser 2] , en aan mijn kant mr. [curator 3] van de Orde van Medisch Specialisten, mevrouw mr. [curator 4] van de maatschap Kaakchirurgie en ondergetekende, bericht ik u het volgende.

Het honorarium deel van het OHW komt de artsen toe

Allereerst hebben uw cliënten aangegeven dat zij het standpunt van mijn cliënten delen dat het honorariumdeel van het onderhanden werk niet in de boedel valt, maar in het vermogen van cliënten, dat de machtiging van het RPZ om deze vordering ten behoeve van cliënten te declareren en te incasseren in verband met het faillissement is komen te vervallen en dat cliënten derhalve recht hebben op algehele rechtstreekse betaling van hun vordering.

Het pandrecht van de bank betreft niet het honorariumdeel van de artsen

Wij waren het er ook over eens dat de ING Bank geen pandrecht kan hebben op het honorariumdeel van het onderhanden werk, aangezien de bank geen vordering heeft op cliënten. Het pandrecht van de bank strekt uitsluitend tot zekerheid van hetgeen de bank van het ziekenhuis te vorderen heeft.

Declareren en incasseren via de boedel

Om praktische redenen zijn cliënten bereid om het proces tot het declareren en incasseren van het onderhanden werk via de boedel te laten verlopen om daarmee ook aan te sluiten bij de regelgeving van de NZa en de reeds gebruikelijke gang van zaken op dit punt bij het RPZ.

Voorwaarde is echter wel dat de uitbetaling zal geschieden op een derdenrekening, van waar het aan cliënten toekomende honorariumdeel direct zal worden doorbetaald op een door cliënten nader op te geven bankrekening.

Verdeling van de kosten

Cliënten zijn tevens bereid om met uw cliënten af te spreken dat de in redelijkheid gemaakte kosten van het declareren en incasseren van de vordering op de zorgverzekeraars tussen partijen naar evenredigheid worden verdeeld met de opbrengst die door partijen afzonderlijk zal worden geïncasseerd. Daarbij kan tevens aansluiting worden gezocht bij de regeling die tot het faillissement tussen cliënten en het RPZ heeft gegolden, te weten dat het RPZ bij de doorbetaling van het honorariumdeel aan cliënten 1,5% daarop in mindering mocht brengen in verband met administratiekosten, dit tenzij en voor zover de werkelijke kosten minder bedragen dan die 1,5%.

Datum van sluiten DBC’s

Cliënten zijn ook bereid om in het kader van het declareren van het onderhanden werk bij de zorgverzekeraars af te spreken dat de DBC’s zullen worden gesloten per faillissementsdatum, te weten 24 juni 2013. Zoals aangegeven in mijn brief van 2 september jl. en tevens bij ons overleg van vorige week, zijn cliënten hiertoe bereid louter en alleen om ten behoeve van het declareren van het onderhanden werk tot een praktische afspraak te komen, alsmede om het declaratieproces mogelijk te maken en te vergemakkelijken. Aan de uitkomst van de berekening van het onderhanden werk die op basis van deze datum zal worden bepaald, zal vervolgens niet meer kunnen worden getornd. Dat wil zeggen, de berekening zelf moet uiteraard kloppen en als die niet klopt dan kunnen partijen daar vanzelfsprekend een punt van maken, maar de datum waarop die berekening is gebaseerd, staat dan niet meer ter discussie.

Voor het overige mogen cliënten hiervan echter geen nadelen ondervinden. Cliënten wensen hiermee voor het overige dan ook geen rechten prijs te geven en behouden zich dienaangaande alle rechten voor. Alleen om een voorbeeld te geven en zonder hiermee volledig te kunnen zijn, cliënten worden hiermee niet geacht ermee akkoord te gaan dat hun vordering uit hoofde van het onder handen werk zou zijn ontstaan voor faillissementsdatum. Derden, zoals de ING in verband met het door de bank geclaimde pandrecht en de zorgverzekeraars in verband met een mogelijk beroep op verrekening, kunnen hieraan geen rechten of argumenten ontlenen.

Verrekening

Ten aanzien van het punt van de verrekening, handhaven cliënten het standpunt dat een eventuele verrekening door de zorgverzekeraars ten opzichte van het ziekenhuis voor cliënten geen nadelige consequenties behoort op te leveren. Een verrekening van een vordering van de artsen op de zorgverzekeraars zou derhalve uitsluitend kunnen worden verrekend met een vordering van de zorgverzekeraars op de artsen, welke te verrekenen vorderingen derhalve beide betrekking dienen te hebben op het honorarium deel van het onderhanden werk. Een vordering van de zorgverzekeraar op het ziekenhuis met betrekking tot het ziekenhuis deel van het onderhanden werk kan derhalve niet verrekend worden met de uitstaande vordering van het honorariumdeel van de artsen.

Berekening vorderingen OHW

Zoals tijdens onze bespreking al aan de orde kwam, lijkt het meest praktisch om allereerst een berekening te maken van de vorderingen van het onderhanden werk per faillissementsdatum om vervolgens beter te kunnen inschatten, waar deze vorderingen op uitkomen qua bedragen. Uw cliënten gaven aan dat Pink Roccade in beginsel klaar staat om een dergelijke berekening te maken en daarvoor een bedrag van € 16.000,= heeft geoffreerd. Cliënten willen er echter op wijzen dat door Logex al een dergelijke berekening is gemaakt, waarvan een exemplaar hierbij wordt gevoegd.

De vordering van cliënten is volgens deze berekening als volgt opgebouwd.

1) nog niet betaald honorarium 2013–> 2.678.299 Euro

2) Onderhanden werk op datum faillissement–> 2.465.622 Euro

3) Mutatie Onderhanden werk 2012–> 859.022 Euro

Logex werd in het verleden ook door het RPZ ingeschakeld. Om die reden is het wellicht praktisch dat ook in dit geval van hun expertise gebruik wordt gemaakt.

Graag ontvang ik uw bevestiging dat wij op basis van het bovenstaande uitgangspunten tot declareren en incasseren van het onderhanden werk kunnen overgaan.”

2.15.De reactie van 24 september 2013 van mr. Versteeg vermeldt (productie 17 bij conclusie van antwoord van de Stafmaatschap c.s.):

“Dank voor uw brief van 11 september 2013, die ik in afschrift aan curatoren mrs [curator 1] [curator 2] en [eiser 2] heb toegestuurd met het verzoek mij te willen instrueren omtrent de beantwoording ervan.

Na overleg met curatoren hebben zij mij gevraagd uw cliënte, de stafmaatschap van het Ruwaard van Puttenziekenhuis het volgende te willen laten weten:

1. In het gedeelte van uw brief dat betrekking heeft op het honorariumdeel medisch specialisten in het onderhanden werk, hebt u aangegeven dat curatoren zouden hebben bevestigd dat uw cliënte, althans de leden van uw cliënte, “recht hebben op algehele rechtstreekse betaling van hun vordering”. Van dat standpunt nemen curatoren afstand omdat ook uw cliënte ermee bekend is dat van rechtstreekse betaling door zorgverzekeraars aan uw cliënte geen sprake kan zijn, al was het maar vanwege de rol die het ziekenhuis speelt bij de effectuering van het honorariumomzetplafond.

2. Curatoren hebben met instemming kennis genomen van de beslissing van uw cliënte medewerking te verlenen aan incasso van het onderhanden werk. Curatoren kunnen evenwel niet instemmen met de voorwaarde dat het aan uw cliënte toekomende gedeelte van de betalingen dat correspondeert met het honorarium deel van de declaraties aan zorgverzekeraars “direct zal worden doorbetaald” op een door uw cliënten nader op te geven bankrekening, voor zover daarmee tot uitdrukking is gebracht dat geen rekening zou hoeven worden gehouden met eventuele voorschotten die aan uw cliënte zijn betaald. Curatoren hebben vastgesteld dat in 2005 aan uw cliënte, althans aan de leden van uw cliënte een voorschot betaald is op toekomstige honorariumaanspraken van € 1,3 miljoen. Uit de door de Nederlandse Zorgautoriteit (de NZa) gegeven regels in het kader van het beheersmodel honorarium medisch specialisten volgt dat de ziekenhuisadministratie inzage dient te geven in de aanspraken van de leden van uw cliënte. Bij de doorbetaling van hetgeen van zorgverzekeraars wordt ontvangen, zal uitvoering dienen te worden gegeven aan de verplichtingen die de NZa op een ziekenhuis legt en wensen curatoren betekenis toe te kennen aan het voorschot dat de leden van uw cliënte hebben ontvangen.

3. Curatoren hebben eveneens met instemming kennis genomen van het voorstel van uw cliënte de kosten van incasso van het onderhanden werk naar evenredigheid te verdelen, waarbij aansluiting gezocht wordt bij de afspraak die voorafgaand aan faillissement tussen ziekenhuis en uw cliënte van kracht was. Curatoren maken wel een kanttekening bij het gebruik van het woord “afzonderlijk” in dit deel van uw brief en zij nemen aan dat sprake is van een verschrijving omdat alleen het ziekenhuis tot incasso van het onderhanden werk kan overgaan.

4. Curatoren bevestigen dat een afspraak over de datum waarop DBC’s gesloten worden, geen afbreuk doet aan de rechten van uw cliënte zoals in uw brief beschreven en dat de afspraak alleen de (rechts)gevolgen heeft die u hebt vermeld. Ten einde geen misverstand te laten ontstaan, maken curatoren hetzelfde voorbehoud ten aanzien van de rechten van de boedel.

5. Curatoren onderschrijven de opvatting van uw cliënte dat zorgverzekeraars door hen betaalde voorschotten alleen kunnen en mogen verrekenen met hetgeen zij uit hoofde van bij hen ingediende declaraties hebben te voldoen. Het standpunt van uw cliënte dat zij van verrekening geen nadeel mogen hebben, is in de ogen van curatoren in dat opzicht onvoldoende genuanceerd.

Zowel op grond van de tekst van de model toelatingsovereenkomst 2006 als op grond van artikel 17.1, aanhef en onderdeel h., van de Regeling medisch specialistische zorg, Nadere Regel NR/CU-228 van de NZa dient een ziekenhuis op de declaratie het kostendeel en het honorariumdeel apart te specificeren. Dit betekent in de visie van curatoren dat zorgverzekeraars, behoudens indien zij terzake een voorbehoud hebben gemaakt, bij de betaling van een voorschot er vanuit zijn gegaan dat het voorschot betrekking heeft op beide elementen van de declaratie die zij later zullen ontvangen. Curatoren zijn niet bekend met een voorbehoud van enige zorgverzekeraar dat een voorschot alleen betrekking zou hebben op het kostendeel uit de later in te dienen declaraties. Indien uw cliënte een andere mening is toegedaan, dan vernemen curatoren graag waarop die opvatting is gebaseerd.

Overigens onderschrijven curatoren dat ook naar hun mening zorgverzekeraars niet de mogelijkheid hebben het gedeelte van het voorschot dat toegerekend dient te worden aan hetzij ziekenhuis hetzij collectief van medisch specialisten kruislings te verrekenen.

Ofschoon er nog geen volledige overeenstemming bestaat, kan volgens curatoren wel worden geconstateerd dat er een basis is om tot incasso van onderhanden werk over te gaan. Zij stellen uw cliënte dan ook voor dat zij bevestigt daarmee in te stemmen. Curatoren horen graag van uw cliënte of zij een voorkeur heeft voor een rekening die dient te worden aangewezen als betaaladres van de declaraties aan zorgverzekeraars. Wat curatoren betreft zou dat een van de derdenrekeningen van hun kantoren, het uwe of het mijne kunnen zijn.

Curatoren nodigen u en uw cliënte graag uit voor een vervolgoverleg om overeenstemming te bereiken over de nog openstaande onderwerpen. Wilt u mij laten weten wanneer dat overleg u schikt?”

2.16.De reactie van 15 oktober 2013 van mr. Gratama vermeldt (productie 18 bij conclusie van antwoord van de Stafmaatschap c.s.):

“In antwoord op uw brief van 24 september jl. en zoals vandaag telefonisch besproken, bericht ik u het volgende. Uit uw brief leid ik af dat met uw cliënten, de curatoren van het RPZ, op de meeste punten overeenstemming is bereikt over de wijze waarop het declareren van het onderhanden werk behoort plaats te vinden. Om de afspraken hierover goed vast te leggen, vat ik deze hierna zekerheidshalve samen.

Het honorarium deel van het OHW komt de artsen toe

Het honorariumdeel van het onderhanden werk valt niet in de boedel, maar in het vermogen van cliënten. De machtiging van het RPZ om deze vordering ten behoeve van cliënten te declareren en te incasseren, is in verband met het faillissement komen te vervallen en dat cliënten derhalve recht hebben op algehele betaling van hun vordering, zij het met de volgende kanttekeningen.

Het pandrecht van de bank betreft niet het honorariumdeel van de artsen

Partijen zijn het erover eens dat de ING Bank geen pandrecht kan hebben op het honorariumdeel van het onderhanden werk, aangezien de bank geen vordering heeft op cliënten. Het pandrecht van de bank strekt uitsluitend tot zekerheid van hetgeen de bank van het ziekenhuis te vorderen heeft. Partijen zullen dit standpunt gezamenlijk innemen tegenover de ING Bank, indien nodig.

Declareren en incasseren via de boedel

Partijen zijn het er over eens geworden om het proces tot het declareren en incasseren van het onderhanden werk via de boedel te laten verlopen om daarmee ook aan te sluiten bij de regelgeving van de NZa en de reeds bij gebruikelijke gang van zaken op dit punt bij het RPZ, met dien verstande dat de uitbetaling van het onderhanden werk zat geschieden op een hierna te noemen derdenrekening, zodat de door de zorgverzekeraars uit te betalen bedragen niet in de boedel vallen. Vanaf deze derdenrekening zal het honorariumdeel van het onderhanden werk worden uitbetaald aan cliënten en het ziekenhuis deel aan de boedel. Uitbetaling zal niet eerder geschieden dan wanneer beide partijen daar toestemming voor geven.

Verdeling van de kosten

Partijen zijn het erover eens dat de in redelijkheid gemaakte kosten van het declareren en incasseren van de vordering op de zorgverzekeraars tussen partijen worden verdeeld naar evenredigheid met de opbrengst die partijen ontvangen. Daarbij kan tevens aansluiting worden gezocht bij de regeling die tot het faillissement tussen cliënten en het RPZ heeft gegolden, te weten dat het RPZ bij de doorbetaling van het honorariumdeel aan cliënten 1,5% daarop in mindering mocht brengen in verband met administratiekosten, dit tenzij en voor zover de werkelijke kosten minder bedragen dan die genoemde 1,5%. In dat geval worden de werkelijke kosten naar evenredigheid van de opbrengst verdeeld. Wanneer de boedel bijvoorbeeld 1 miljoen euro zou ontvangen en cliënten 2 miljoen euro, dan betalen cliënten maximaal € 30.000,=, tenzij 2/3 deel van de werkelijke kosten minder zou bedragen dan € 30.000,=. In dat laatste geval betalen cliënten het lagere bedrag.

Datum van sluiten DBC’s

Partijen zijn het er over eens dat in het kader van het declareren van het onderhanden werk de DBC’s zullen worden gesloten per faillissementsdatum, te weten 24 juni 2013. Deze afspraak zal geen afbreuk doen aan de rechten van cliënten zoals omschreven in mijn brief van 11 september jl. en alleen de (rechts)gevolgen hebben die daarbij zijn genoemd. Door de curatoren wordt hetzelfde voorbehoud gemaakt ten aanzien van de rechten van de boedel.

Uitbetaling door zorgverzekeraars op derdenrekening

Partijen zijn het er over eens dat de uitbetaling van het onderhanden werk door de zorgverzekeraars dient te geschieden op een door partijen aan te wijzen derdenrekening. Uit praktisch oogpunt stellen cliënten voor dat hiervoor de derdenrekening van één van de curatoren wordt aangewend, aangezien dit aansluit bij het declaratieproces dat door de curatoren wordt uitgevoerd en het contact daarover tussen de boedel en de zorgverzekeraars.

Doorbetaling aan cliënten

Het niet ter discussie staande deel van het door de zorgverzekeraars op de hiervoor genoemde derdenrekening van één van de curatoren uitbetaalde onderhanden werk zal vervolgens direct worden doorbetaald aan cliënten door overmaking op de derdenrekening van mijn kantoor als vermeld boven aan dit briefpapier.

Betaalde voorschotten

Het in uw brief genoemde punt van het bedrag van 1,3 miljoen euro behoeft nadere onderbouwing. Graag ontvangen cliënten een specificatie en onderliggende bewijsstukken, waaruit kan worden afgeleid hoe dit bedrag is opgebouwd alsmede door wie deze betalingen op welk moment hebben plaatsgevonden en aan wie deze bedragen zijn voldaan. Dit bedrag zal op de derdenrekening van één van de curatoren geparkeerd blijven, totdat partijen hierover tot overeenstemming zijn gekomen.

Verrekening

Ten aanzien van het punt van de verrekening, handhaven cliënten het standpunt dat een eventuele verrekening door de zorgverzekeraars ten opzichte van het ziekenhuis voor cliënten geen nadelige consequenties behoort op te leveren, met dien verstande dat een vordering van de artsen op de zorgverzekeraars derhalve uitsluitend kan worden verrekend met een vordering van de zorgverzekeraars op de artsen, welke te verrekenen vorderingen derhalve beide betrekking dienen te hebben op het honorarium deel van het onderhanden werk. Een vordering van de zorgverzekeraar op het ziekenhuis met betrekking tot het ziekenhuis deel van het onderhanden werk kan derhalve niet verrekend worden met de uitstaande vordering van het honorariumdeel van de artsen. Uit uw brief leid ik af dat ook de curatoren het standpunt delen dat geen kruislingse verrekening is toegestaan en dat partijen het dus ook op dit punt eens zijn. Mocht met de zorgverzekeraars bij het declaratieproces toch een meningsverschil ontstaan over dit onderwerp van de verrekening, dan stel ik voor dat partijen nader met elkaar in overleg treden.

Informatievoorziening over declaratieproces

Ik ga ervan uit dat op basis van het voorgaande het declaratieproces in gang kan worden gezet. Ik verzoek u in de berichtgeving aan de zorgverzekeraars te vermelden dat de curatoren hierbij mede in het belang van cliënten handelen en dat zij hierover met cliënten sluitende afspraken hebben gemaakt. Uiteraard worden cliënten van het verloop daarvan graag op de hoogte gehouden en ontvang ik graag kopieën van de hierop betrekking hebbende stukken en correspondentie. Van belang hierbij is uiteraard ook dat het onderhanden werk, zoals dat bij de zorgverzekeraars wordt gedeclareerd, op juiste wijze is berekend, dat dit volledig is en dat niet achteraf blijkt dat niet al het onderhanden werk is meegenomen. Om die reden wensen cliënten inzage te verkrijgen in de berekening van het onderhanden werk voordat dit wordt gedeclareerd. Tot slot verzoek ik uw cliënten om er zo spoedig mogelijk aan mee te werken dat de accountant van de stafmaatschap, de heer [persoon 3] van [persoon 3] te [woonplaats] , volledig wordt geïnformeerd over de financiële afwikkeling van 2012 en 2013 tot aan de faillissementsdatum, waarbij wordt aangegeven wat er bij de zorgverzekeraars is gedeclareerd en wat daarvan wel of niet is doorbetaald aan de stafmaatschap. Dit is voor de stafmaatschap noodzakelijk om ook aan haar kant tot een financiële afwikkeling te kunnen komen.

Graag ontvang ik uw bevestiging dat wij op basis van het bovenstaande uitgangspunten tot declareren en incasseren van het onderhanden werk kunnen overgaan. Ik zie uw reactie graag zo spoedig mogelijk tegemoet.”

2.17.De reactie van 7 november 2013 van mr. Versteeg vermeldt (productie 19 bij conclusie van antwoord van de Stafmaatschap c.s.):

“Dank voor uw brief van 15 oktober jl. die in goede orde werd ontvangen. Na overleg met curatoren in het faillissement van Stichting Ruwaard van Puttenziekenhuis hebben zij mij gevraagd uw cliënten als volgt te berichten:

1. Curatoren en uw cliënten delen de mening dat het honorariumdeel van het onderhanden werk in het vermogen van uw cliënten valt voor zover het de opbrengst betreft van door uw cliënten “via” het ziekenhuis in rekening gebrachte bedragen. Dit betekent ook dat curatoren met uw cliënten van mening zijn dat op het hier voor omschreven honorariumdeel geen pandrecht van de bank rust, maar uit die verklaring mogen uw cliënten niet afleiden dat de bank niet een andere mening is toegedaan. Curatoren hebben de bank wel geïnformeerd over hun opvatting over de eigendom van het honorariumdeel van het onderhanden werk. Zodra de bank een standpunt heeft bepaald over de reikwijdte van haar pandrecht, zullen curatoren uw cliënten informeren indien de bank onverhoopt een ander standpunt in neemt.

2. Curatoren stemmen in met de door u in uw brief van 15 oktober jl. gegeven beschrijving van het declareren van het onderhanden werk, voor zover die beschrijving betrekking heeft op het honorariumdeel en voor zover de opbrengst van dat deel, voldaan op derdenrekening van een van de kantoren van curatoren, aan uw cliënten zal worden betaald zodra beide partijen daarvoor toestemming geven. Curatoren tekenen wel aan dat zij steeds de mogelijkheid willen hebben uitvoering te geven aan de verplichtingen van het ziekenhuis uit hoofde van de door de NZa gegeven regels over het beheersmodel honoraria vrijgevestigde medisch specialisten en dus de mogelijkheid willen hebben een onverhoopte overschrijding van het honorariumomzetplafond terug te betalen. Curatoren tekenen ook aan dat bij de uitbetaling ook betekenis moet worden toegekend aan de mogelijkheden van verrekening door zorgverzekeraars, zij het dat curatoren onderschrijven dat kruislingse verrekening bij “via” declaraties niet mogelijk lijkt te zijn. Zodra overeenstemming bestaat over de uitbetaling, zal het desbetreffend bedrag overeenkomstig het verzoek van uw cliënten worden overgemaakt op [de] derdengelden rekening van uw kantoor.

3. Curatoren hebben kennis genomen van het standpunt van uw cliënten over het ontbreken van consequenties aan de overeenstemming de DBC’s per 24 juni 2013 te sluiten.

4. Curatoren hebben een andere herinnering aan de afspraak over de verdeling van de kosten die gemaakt moeten worden om het onderhanden werk te incasseren. Volgens curatoren bestond overeenstemming over een bijdrage van uw cliënten van 1,5% van de opbrengst van het honorariumdeel als bijdrage aan de kosten die de boedel maakt om tot inning van het onderhanden werk te komen, terwijl overigens de door curatoren gemaakte en te maken kosten van die inning naar rato van de opbrengst ponds/ponds gelijk worden verdeeld tussen de boedel, uw cliënten en de bank. Curatoren ontvangen graag de bevestiging dat hun herinnering juist is.

5. Curatoren onderkennen dat uw cliënten aanspraak hebben op een onderbouwing van het bedrag van € 1.300.000,- dat curatoren in verrekening willen brengen. Zij zullen de op dat door het ziekenhuis betaalde voorschot betrekking hebbende stukken bijeen brengen en aan uw cliënten ter beschikking stellen, al verbaast curatoren de vragen die in uw brief zijn gesteld. Zij willen aannemen dat die vragen – die inhoudelijk overigens niet ten onrechte zijn – geformuleerd zijn om reden van uw onbekendheid met de betaling van het voorschot. Curatoren stemmen ermee in dat een bedrag van € 1.300.000,- uit de opbrengst van het honorariumdeel van uw cliënten op de derdenrekening van curatoren blijft staan totdat partijen overeenstemming hebben bereikt.

6. Ten slotte blijven curatoren bereid uw cliënten van informatie te voorzien zodra daarvoor aanleiding bestaat. Op dit moment wordt in opdracht van curatoren gewerkt aan een rapport van Ernst & Young over alles wat gedaan is om te komen tot vaststelling van de hoogte en inning van het onderhanden werk en de debiteurenpositie per 24 juni 2013. Zodra die rapportage gereed is, zal deze ook aan uw cliënten ter beschikking worden gesteld en zullen uw cliënten de gelegenheid hebben hun zienswijze te geven, daarbij desgewenst ondersteund door hun eigen financiële deskundige(n).

Ik hoor graag dat met deze bevestiging de regeling over het declareren van het onderhanden werk wat uw cliënten betreft, compleet is.”

2.18.Bij e-mail van 7 februari 2014 hebben de Curatoren (mr. [curator 1] [curator 2] ) mr. Gratama onder meer als volgt bericht (productie 20 bij conclusie van antwoord van de Stafmaatschap c.s.):

“(…)

Toegerekende kosten

Bijgevoegd zend ik de specificatie van de toegerekende kosten.

Ik merk op dat hier declaraties van het ziekenhuis aan de betrokken specialisten / maatschappen aan ten grondslag liggen.

Een en ander was bij uw cliënten dus reeds bekend.

Dezerzijds wordt aanspraak gemaakt op betaling van deze kosten, al dan niet middels verrekening met honorarium (zie voor wat betreft dit laatste ook hierna).

Voorschotten 2008

In 2008 vond de stelselwijziging naar DBC’s plaats. Dit bracht met zich mee dat er, kort gezegd, vanaf dat moment later door de zorgverzekeraars werd betaald. Om dat financieringsgat voor het ziekenhuis en de vrijgevestigde medische specialisten te dichten hebben zorgverzekeraars toen aan het ziekenhuis een voorschot van € 5,3 miljoen betaald. Van dat voorschot is vervolgens volgens afspraak ca. 25%, zijnde € 1,3 miljoen doorbetaald aan uw cliënten.

Zie ook de mail van [persoon 1] hierover (laatste pagina van de bijlage). Er kan overigens van uit worden gegaan dat deze gang van zaken reeds bekend was bij uw cliënten.

De betaling van dit voorschot vond (dus) plaats in de reguliere ‘via betalingskolom zorgverzekeraars-ziekenhuis specialisten’. Het voorschot is daarmee voor verrekening vatbaar met de honorariumaanspraken van de specialisten via het ziekenhuis op de zorgverzekeraars.

Curatoren beraden zich nog over het antwoord op de vraag of ook de toegerekende kosten voor verrekening vatbaar zijn met de honorarium aanspraken van de specialisten.

Splitsing honorarium- en instellingdeel

Ernst & Young is druk doende geweest met het maken van deze berekening. Tegen mijn verwachting in bleken de gegevens om tot een uitsplitsing te komen helaas nog niet toereikend. (…) Ik zet mij er voor in om hierover spoedig nader te kunnen berichten.

ING Bank

Zoals ik u mededeelde, heeft ING Bank inmiddels aangegeven de denkwijze van curatoren, inhoudende dat bij ‘via declareren’ het honorarium bestanddeel niet onder het pandrecht van de bank valt, te willen erkennen. Wel stelt de bank aan de hand van de administratie van RPZ nog te willen controleren of daadwerkelijk ‘via gedeclareerd’ werd en niet ‘aan’, want volgens de bank zou niettegenstaande een ‘via beschikking’ van de NZA, ‘aan declareren’ nog steeds mogelijk zijn in de praktijk. Curatoren zullen ING Bank gegevens verstrekken ter bevestiging dat niet alleen op papier maar ook in de praktijk ‘via gedeclareerd’ werd en niet ‘aan’.

Verdeling van de kosten

De wederzijdse standpunten zijn bekend.

Voor de functionarissen van het SMC is veel tijd gemoeid met het verrichten van werkzaamheden voor de boedel ten behoeve van het declaratieproces. Het SMC heeft aangegeven hiervoor kosten te willen berekenen. Curatoren hebben aangegeven hier in beginsel niet onwelwillend tegenover te staan. Duidelijk is dat de boedel voor het declaratieproces afhankelijk is van de medewerking en inspanningen van het SMC. Met het oog op de goede voortgang van het declaratie proces ontkomen curatoren er niet aan SMC hierin (binnen redelijke grenzen) tegemoet te komen. De kosten zullen naar rato van ieders uiteindelijke aanspraak worden verdeeld over bank, boedel en collectief.

(…)”

2.19.Bij e-mail van 20 maart 2014 hebben de Curatoren (mr. [curator 1] [curator 2] ) mr. Gratama onder meer als volgt bericht (productie 21 bij conclusie van antwoord van de Stafmaatschap c.s.):

“(…)

Materiële controles

Ik heb inmiddels besloten om externe gespecialiseerde expertise in te huren om de materiële controles af te wikkelen. De eerste contacten met een externe partij zijn inmiddels gelegd.

(…)

ING Bank

Wij hebben inmiddels een overleg gehad met ING Bank. ING Bank erkent dat de stafmaatschap aanspraak heeft op het honorariumgedeelte van de vrij gevestigde specialisten.

Verdeling van de kosten

Geen nieuws behoudens dat de kosten van een externe kracht ten behoeve van de afwikkeling materiële controles aan de naar rato te delen kostenposten zal moeten worden toegevoegd.

(…)”

2.20.Bij e-mail van 9 april 2014 heeft mr. Gratama de Curatoren onder meer als volgt bericht (productie 22 bij conclusie van antwoord van de Stafmaatschap c.s.):

“(…)

Materiële controles

Graag worden wij tijdens het overleg geïnformeerd over redenen en omvang van de door u genoemde materiële controles en de noodzaak om hiervoor externe expertise in te huren. Cliënten denken daar waar mogelijk graag mee bij het vinden van oplossingen hiervoor.

Voorschotten 2008

Ten aanzien van deze vorderingen beroept u zich op verrekening. U zult begrijpen dat een eventuele verrekening voor mijn cliënten zeer nadelige financiële gevolgen zal hebben mede gezien de bedragen die worden genoemd. Cliënten zijn dus uiteraard op voorhand geen voorstander om een dergelijke verrekening toe te staan, wanneer dat niet terecht zou zijn. U hebt allereerst aangegeven die eventuele mogelijkheid van verrekening te onderzoeken. In uw mail van 7 februari jl. geeft u voor het eerst een onderbouwing van de verrekening van de voorschotten 2008. U geeft daarbij aan:

(…) [opm. rb.: zie hiervoor onder 2.18 onder “Voorschotten 2008”]

Naar mening van cliënten valt hier geen bevoegdheid tot verrekening uit af te leiden. Sterker nog, bij ons eerdere overleg is door u het standpunt ingenomen dat het ziekenhuis deze vordering heeft op het collectief en u hebt aangegeven dat dit ook blijkt uit de jaarrekeningen van het ziekenhuis, waarin deze vordering als zodanig is opgenomen. Het ziekenhuis kan deze vordering derhalve niet verrekenen met de vordering van cliënten op de zorgverzekeraars, waarover wij het in een eerder stadium al eens zijn geworden dat de vordering in het vermogen van cliënten thuishoort en niet in het vermogen van het ziekenhuis, hetgeen door u ook is bevestigd. De mail van de heer [persoon 1] van 24 april 2008, maakt dat niet anders. Daaruit blijkt dat op 29 april 2008 een bedrag van € 1.224.476,= is uitbetaald.

Allereerst verzoek ik u mij aan te tonen dat deze vordering, als deze al zou bestaan, inmiddels niet is verjaard. Naar ik van cliënten heb begrepen, is er nimmer een stuitingshandeling verricht ten aanzien van deze vermeende vordering. Gesteld echter dat er wel een vordering zou bestaan, dan hebben cliënten een veel grotere vordering op het ziekenhuis die zij reeds bij u hebben ingediend. Cliënten beroepen zich ten aanzien van die dan tegenover elkaar staande vorderingen op verrekening, op grond waarvan cliënten nog steeds een aanzienlijke vordering op het ziekenhuis overhouden en niet andersom. Met andere woorden. Het ziekenhuis heeft hoe dan ook geen vordering op cliënten.

Daarnaast is uw opmerking “dat dit via de reguliere via betalingskolom plaatsvindt” niet juist. In 2008 was er nog sprake van het geïntegreerd medisch specialistisch bedrijf, waarbij het ziekenhuis voor de specialist declareerde. Het via declareren is onderdeel van het Beheersmodel dat op 1-1-12 is ingegaan.

Toegerekende kosten

Het voorgaande geldt evenzeer voor de door u genoemde vordering op grond van doorberekende kosten. Als een dergelijke vordering al zou bestaan, met dien verstande dat dit een vordering is van het ziekenhuis op cliënten, dan hebben cliënten een veel grotere vordering op het ziekenhuis en beroepen cliënten zich dienaangaande op verrekening. De vermeende vordering van het ziekenhuis op cliënten is ook in geen geval een vordering die zou kunnen worden verrekend met hetgeen cliënten nog van de zorgverzekeraars te vorderen hebben.

Wanneer het door u toegezonden overzicht van doorberekende kosten nog meer in detail worden beschouwd, dan is daarbij een omissie gemaakt. De stafmaatschap had een overeenkomst met het ziekenhuis, waarbij afspraken zijn gemaakt over doorbelasting van door beide partijen geaccordeerde posten, zoals arts-assistenten SEH, secretaresses (volgens een bepaald model, met maxima) etc. Daarvoor werd bij de doorbetaling van de honoraria 15% ingehouden, hetwelk altijd kostendekkend is geweest. Daarnaast hadden sommige vakgroepen, helemaal los van de stafmaatschap nog eigen aanvullende afspraken met het ziekenhuis. Illustratief hiervoor is de post cardiologie van € 428.000. Daar zitten de kosten van secretaresses 2011 in (nota bene daterend van voor de periode van de stafmaatschap), de kosten van een eigen arts-assistent op de afdeling (eigen rekening en niet voor rekening van de stafmaatschap), verder catering van de vakgroep en tot slot nog eens de kosten van waarneming voor de 4 cardiologen die toen op non actief stonden door het bevel van de IGZ. Dit zijn kosten voor de maatschap cardiologie en kunnen niet worden doorberekend aan het collectief. Stichting Spijkerhart is een stichting van de cardiologen van destijds, waar kennelijk ook personele lasten in werden gemaakt ten laste van de vakgroep cardiologie en niet het collectief (stafmaatschap). Dat zelfde geldt voor alle andere genoemde vakgroepen.

Kortom, dit zijn allemaal kosten die niet horen tot de overeenkomst van het collectief, maar tot afzonderlijke afspraken van individuele vakgroepen en dus ook niet kunnen worden doorberekend aan het collectief. Ook de post bij de vakgroep anesthesie kent een historie waarbij het ziekenhuis kosten van de waarneming aan de vakgroep doorberekent, nadat drie leden van deze vakgroep op straat zijn gezet. Door de achterblijvende anesthesist (Van de Vijver) is de legitimiteit van deze doorberekening altijd bestreden.

In uw mail van 20 maart jl. geeft u nog aan:

“We hebben nog nader onderzoek gedaan naar de grond waarop de toegerekende kosten voor verrekening vatbaar zijn en daarom verrekend moeten worden met de honorariumaanspraken van uw cliënten. De conclusie van dat onderzoek is – kort gezegd – dat de kosten bij de uitbetaling van het honorarium op grond van de toelatingsovereenkomsten en declaratieovereenkomsten in mindering kunnen/dienen te worden gebracht op het aan de medische staf toekomende.”

Het is voor cliënten niet duidelijk waarom deze kosten bij de uitbetaling van het honorarium op grond van toelatingsovereenkomst en de declaratieovereenkomst in mindering zouden kunnen/ dienen te worden gebracht op het aan de medische(?) staf toekomende (u bedoelt het collectief/ de stafmaatschap). Voor zover u mocht menen dat dit nog steeds gebaseerd zou kunnen worden op de in artikel 2 van de declaratieovereenkomst omschreven volmacht, op grond waarvan het ziekenhuis immers inderdaad gemachtigd was om de DBC’s mede ten behoeve van cliënten te declareren, in ontvangst te nemen en aan cliënten door te betalen, onder verrekening van kosten, dan breng ik u hierbij uitdrukkelijk in herinnering dat deze volmacht door het faillissement is komen te vervallen, hetgeen zoals u weet reeds in een veel eerder stadium door u is erkend en schriftelijk is bevestigd. Ook de ING Bank heeft dit inmiddels ingezien en erkend. Het ziekenhuis is dan ook niet meer bevoegd om namens cliënten te declareren, de vordering te incasseren en in ontvangst te nemen met als gevolg dat de ten behoeve van cliënten te ontvangen bedragen ook niet meer in het vermogen van de boedel terecht kunnen komen. Juist om die reden zijn wij immers reeds geruime tijd geleden overeengekomen dat het aan cliënten toekomende honorarium deel rechtstreeks door de zorgverzekeraars wordt uitbetaald op een derdengeldenrekening en dus niet op de faillissementsrekening.

Het door de zorgverzekeraars aan cliënten verschuldigde honorarium deel van het onderhanden werk komt na faillissementsdatum derhalve in geen geval in de boedel terecht, zodat de boedel ook geen bevoegdheid heeft en deze ook niet verkrijgt om kosten die zij nog meent van cliënten te vorderen te hebben te kunnen verrekenen. U zult begrijpen dat cliënten er groot belang bij hebben dat deze afspraken gehandhaafd blijven en nagekomen worden. Ik verzoek u dan ook om mij te bevestigen dat de door u genoemde kosten niet worden verrekend met het aan cliënten toekomende honorarium deel van het onderhanden werk.

(…)”

2.21.De Curatoren hebben getracht het per faillissementsdatum onderhanden werk bij de zorgverzekeraars te incasseren. Op de pleitzitting hebben de Curatoren medegedeeld dat er inmiddels door alle zorgverzekeraars, op CZ na, betaald is. Op de derdengeldenrekening staat inmiddels een kleine € 4,2 miljoen. Daar komt volgens de Curatoren nog een bedrag van minimaal € 600.000,00 van CZ bij.

3 Het geschil

in conventie

3.1.De Curatoren vorderen, om:

“1. te verklaren voor recht:

Dat de aanspraak van het RPZ wegens het in 2008 verstrekte voorschot als bedoeld in de randnummers 25 t/m 27 van de dagvaarding rechtstreeks in mindering strekt op de aanspraken van de Specialisten dan wel de Maatschappen dan wel de Stafmaatschap wegens honorarium, althans is verrekend c.q. voor verrekening vatbaar is met de aanspraken van de Specialisten dan wel de Maatschappen dan wel de Stafmaatschap wegens honorarium,

en als daarmee de aanspraken wegens honorarium nog niet geheel zouden zijn gedelgd, vervolgens de aanspraak van het RPZ wegens voorgeschoten kosten als bedoeld in de randnummers 23 en 24 van de dagvaarding rechtstreeks in mindering strekt op de aanspraken van de Specialisten dan wel de Maatschappen dan wel de Stafmaatschap wegens honorarium, althans is verrekend c.q. voor verrekening vatbaar is met de aanspraken van de Specialisten dan wel de Maatschappen dan wel de Stafmaatschap wegens honorarium;

en als daarmee de aanspraken wegens honorarium nog niet geheel zouden zijn gedelgd, vervolgens de aanspraak van het RPZ wegens de reguliere voorschotten en variabel deel, zoals bedoeld in de randnummers 16 t/m 22 van de dagvaarding, voor zover een dergelijke aanspraak aanwezig is, rechtstreeks in mindering strekt op de aanspraken van de Specialisten dan wel de Maatschappen dan wel de Stafmaatschap wegens honorarium, althans is verrekend c.q. voor verrekening vatbaar is met de aanspraken van de Specialisten dan wel de Maatschappen dan wel de Stafmaatschap wegens honorarium;

alsmede

2. te verklaren voor recht:

Primair: dat de schadeaanspraak van de Specialisten wegens verlies van goodwill geen aanspraak oplevert in het faillissement van het RPZ en dus niet kan worden aangemerkt als een verifieerbare prefaillissementsvordering en evenmin als boedelvordering;

Subsidiair: dat als de rechtbank oordeelt dat de schadeaanspraak van de Specialisten wegens verlies van goodwill wel een aanspraak oplevert in het faillissement van het RPZ, deze aanspraak niet voor verrekening vatbaar is met de aanspraak van het RPZ wegens het in 2008 verstrekte voorschot als bedoeld in de randnummers 25 t/m 27 van de dagvaarding, en ook niet met de aanspraak van het RPZ wegens voorgeschoten kosten als bedoeld in de randnummers 23 en 24 van de dagvaarding en evenmin met enige aanspraak van het RPZ wegens de reguliere voorschotten en variabel deel, zoals bedoeld in de randnummers 16 t/m 22 van de dagvaarding;

Meer subsidiair: dat als de rechtbank oordeelt dat de schadeaanspraak van de Specialisten wegens verlies van goodwill wel een aanspraak oplevert in het faillissement van het RPZ, en bovendien deze aanspraak voor verrekening vatbaar is met de aanspraak van het RPZ wegens het in 2008 verstrekte voorschot als bedoeld in de randnummers 25 t/m 27 van de dagvaarding, en ook met de aanspraak van het RPZ wegens voorgeschoten kosten als bedoeld in de randnummers 23 en 24 van de dagvaarding en tevens met enige aanspraak van het RPZ wegens de reguliere voorschotten en variabel deel, zoals bedoeld in de randnummers 16 t/m 22 van de dagvaarding, eerst, en in de hiervoor genoemde volgorde, primair afrekening, subsidiair verrekening van laatstbedoelde aanspraken met de aanspraak op honorarium van de Specialisten plaatsvindt en, gesteld dat de vorderingen van het RPZ door die afrekening dan wel verrekening nog niet volledig zouden zijn gedelgd, daarna pas verrekening plaatsvindt met de schadeaanspraak van de Specialisten wegens verlies van goodwill;

Uiterst subsidiair: dat als de rechtbank oordeelt dat de schadeaanspraak van de Specialisten wegens verlies van goodwill wel een aanspraak oplevert in het faillissement van het RPZ, en bovendien deze aanspraak voor verrekening vatbaar is en bovendien als eerste, d.w.z. voor de honorariumaanspraken van de Specialisten moet worden verrekend met de aanspraak van het RPZ wegens het in 2008 verstrekte voorschot als bedoeld in de randnummers 25 t/m 27 van de dagvaarding, en ook met de aanspraak van het RPZ wegens voorgeschoten kosten als bedoeld in de randnummers 23 en 24 van de dagvaarding en tevens met enige aanspraak van het RPZ wegens de reguliere voorschotten en variabel deel, zoals bedoeld in de randnummers 16 t/m 22 van de dagvaarding, de hoogte van de schadeaanspraak van de Specialisten jegens RPZ wegens verlies van goodwill niet één op één gelijk te stellen is aan het bedrag waarop hun goodwill aandeel in hun artsenmaatschap werd gewaardeerd, maar dat ter bepaling van de hoogte van deze aanspraak rekening behoort te worden gehouden met alle omstandigheden;

alsmede

3. te verklaren voor recht:

dat afrekening van alle over en weer af te rekenen posten, die worden behandeld in de dagvaarding, dient plaats te vinden tussen Curatoren enerzijds en de Stafmaatschap anderzijds;

alsmede

4. de Stafmaatschap c.q. de Maatschappen c.q. de Specialisten te veroordelen: tot betaling van enig ten gunste van RPZ resterend saldo na toepassing van de in punt 1 van dit petitum bedoelde verrekening, op te maken bij staat.

Alles uitvoerbaar bij voorraad en met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,-, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn

voor voldoening

één en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.”

3.2.De Specialisten c.s. voeren verweer en concluderen dat de rechtbank de vorderingen zal afwijzen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van de Curatoren in de kosten, de nakosten daaronder begrepen, van de procedure.

3.3.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.De Stafmaatschap c.s. vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

“primair, voor recht te verklaren dat de door de curatoren gestelde vorderingen van het RPZ op gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie, met betrekking tot de voorschotten 2008, de voorgeschoten kosten en met betrekking tot de eventuele afrekening van variabele kosten 2013, voor zover deze in conventie niet reeds worden afgewezen, inmiddels zijn verjaard dan wel reeds zijn verrekend met aanzienlijk hogere vorderingen van gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie op de failliete boedel van het RPZ, bestaande uit achterstallig honorarium en niet uitbetaalde voorschotten alsmede uit verlies aan goodwill alsmede inkomens- en pensioenschade, met bepaling dat deze laatstgenoemde vorderingen op grond van artikel 37a BW als concurrente vorderingen in het faillissement van het RPZ dienen te worden toegelaten en dat deze vorderingen uit hoofde van artikel 53 Fw verrekend kunnen worden met de vorderingen van het RPZ uit hoofde van betaalde voorschotten 2008 en overige voorgeschoten kosten en eventueel nog af te rekenen variabele kosten over 2013;

subsidiair, namelijk voor het geval de rechtbank mocht oordelen dat de hiervoor genoemde vorderingen van gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie, op het RPZ, althans de hoogte daarvan, onvoldoende zou(den) zijn aangetoond, deze vorderingen, althans de hoogte daarvan, nader te doen opmaken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

tevens primair de curatoren te veroordelen om het honorariumdeel van het onderhanden werk van het RPZ over 2012 en 2013 dat volgens de daarover tussen partijen gemaakte afspraken reeds door de zorgverzekeraars op de derdenrekening van de curatoren is overgemaakt dan wel daarop nog zal worden overgemaakt, rechtstreeks en zonder enige korting of verrekening te doen uitbetalen aan gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie, door middel van uitbetaling aan de stafmaatschap, zulks binnen acht dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis;

en tevens primair de curatoren te veroordelen om bij de hiervoor gevorderde uitbetaling aan de stafmaatschap de kosten van het door de curatoren uitgevoerde declaratieproces volgens de daarover tussen partijen gemaakte afspraak te verdelen, met dien verstande dat op het uit te betalen bedrag 1,5% aan kosten in mindering wordt gebracht, tenzij het werkelijke, bedrag aan in redelijkheid gemaakte kosten minder bedraagt dan 1,5%, in welk geval de werkelijke kosten in mindering dienen te worden gebracht, althans subsidiair, namelijk voor het geval de rechtbank mocht oordelen dat gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie, geen beroep toekomt op de zojuist genoemde afspraak, de curatoren te veroordelen om bij de hiervoor gevorderde uitbetaling aan de stafmaatschap slechts de in redelijkheid gemaakte kosten in rekening te mogen brengen, zulks onder de verplichting van de curatoren om de kosten en de redelijkheid daarvan voorafgaand aan de uitbetaling volledig te specificeren en aan te tonen;

in conventie en in reconventie:

met veroordeling van de curatoren in de kosten van deze procedure, zowel in conventie als in reconventie eveneens met uitvoerbaar bij voorraad verklaring, mede ten aanzien van de nakosten.”

3.5.De maatschap KNO c.s. vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair, voor recht te verklaren dat de door de curatoren gestelde vorderingen van het RvPZ op gedaagden met betrekking tot het voorschot 2008, de voorgeschoten kosten en met betrekking tot de eventuele afrekening van kosten 2013, voor zover deze in conventie niet reeds zijn afgewezen, inmiddels zijn verjaard dan wel reeds zijn verrekend met aanzienlijk hogere vorderingen van gedaagden op de failliete boedel van het RvPZ, bestaande uit verlies aan goodwill alsmede inkomens- en pensioenschade;

subsidiair, namelijk voor het geval de rechtbank mocht oordelen dat de hiervoor genoemde vorderingen op grond van geleden schade onvoldoende zijn aangetoond, deze schade nader te doen opmaken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

tevens primair de curatoren te veroordelen om het honorariumdeel van het onderhanden werk van het RvPZ over 2012 dat volgens de daarover tussen partijen gemaakte afspraken reeds door de zorgverzekeraars op de derdenrekening van de curatoren is overgemaakt dan wel nog zal worden uitbetaald, rechtstreeks en zonder enige korting of verrekening te doen uitbetalen aan gedaagden door middel van uitbetaling aan de Stafmaatschap;

en tevens primair de curatoren te veroordelen om bij de hiervoor gevorderde uitbetaling aan de stafmaatschap de kosten van het door de curatoren uitgevoerde declaratieproces volgens de daarover tussen partijen gemaakte afspraak te verdelen, met dien verstande dat op het uit te betalen bedrag 1,5% aan kosten in mindering wordt gebracht, tenzij het werkelijke, bedrag aan in redelijkheid gemaakte kosten minder bedraagt dan 1,5%, althans;

subsidiair, namelijk voor het geval de rechtbank mocht oordelen dat gedaagden geen beroep toekomt op de zojuist genoemde afspraak, de curatoren te veroordelen om bij de uitbetaling slechts de redelijk gemaakte kosten in rekening te brengen, zulks door de rechtbank vast te stellen en onder de verplichting van de curatoren om de kosten en de redelijkheid daarvan voorafgaand aan de uitbetaling volledig te specificeren en aan te tonen;

zulks met veroordeling van de curatoren in de kosten van deze procedure”.

3.6.De Curatoren voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid c.q. afwijzing van de vorderingen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van de Specialisten c.s. hoofdelijk in de kosten van het geding, inclusief nakosten, vermeerderd met rente, subsidiair, bij toewijzing van de vordering in reconventie het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling te verbinden.

3.7.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie (de vorderingen van de Curatoren)

Ad 3.1 sub 1 eerste alinea (voorschotten)

4.1.De onder 3.1 sub 1 eerste alinea vermelde verklaring voor recht heeft betrekking op in 2008 betaalde voorschotten. De rechtbank zal eerst ingaan op deze voorschotten voordat de in verband hiermee ingestelde vordering wordt besproken.

4.2.Niet in geschil is dat de voorschotten in 2008 werden verstrekt in verband met de stelselwijziging met betrekking tot de financiering van de zorg naar DBC’s (DBC staat voor diagnosebehandelcombinatie). Een gevolg van die stelselwijziging was dat de zorgverzekeraars op een later moment voor de productie van ziekenhuizen en medisch specialisten gingen betalen. Daardoor ontstond een financieringsgat voor zowel RPZ als de specialisten. Om dat financieringsgat te dichten hebben de zorgverzekeraars in 2008 een voorschot van € 5,3 miljoen betaald aan RPZ.

4.3.Een e-mail van 24 april 2008 van de heer [persoon 1] , destijds hoofd van de Dienst Informatie en Financiën van RPZ, vermeldt over dat voorschot (productie 13 bij dagvaarding):

“Bijgaand de berekening van de verdeling van het voorschot ter financiering van het onderhanden werk in 2008 over de diverse vakken.

Van het door het ziekenhuis ontvangen voorschot is, naar rato van de omzet over 2007, berekend welk gedeelte ter financiering van het honorarium van medisch specialisten is. Vervolgens is op basis van het onderhanden werk per 31 december 2007 dit bedrag verdeeld over de diverse vakken. De bedragen die ten gunste komen van die medisch specialisten welke niet meedoen met de centrale verrekening van het honorarium (oogartsen en urologen) zijn hier vervolgens van afgetrokken.

Het restant ad € 1.224.476,- zal tezamen met de reguliere betaling van het honorarium op 29 april 2008 naar de centrale bankrekening worden overgemaakt.”

4.4.Van het totale voorschot van € 5,3 miljoen werd circa 25% doorbetaald aan de toenmalige gezamenlijke specialisten (het honorariumdeel). Er vond in dat kader een betaling van € 1.224.476,00 plaats op een gezamenlijke bankrekening van het grootste deel van de (maatschappen van) specialisten en er vonden separate betalingen plaats van in totaal € 75.524,00 aan de urologen en (individuele) oogartsen. In totaal werd van de door RPZ van de zorgverzekeraars ontvangen voorschotten derhalve € 1,3 miljoen doorbetaald aan de (toenmalige) specialisten. Van een betaling aan de Stafmaatschap was geen sprake. Die bestond immers nog niet in 2008.

4.5.De betalingen van in totaal € 1,3 miljoen hadden in de visie van de rechtbank het karakter van voorschotten/vooruitbetalingen op de door de zorgverzekeraars later te betalen bedragen ter zake van het honorariumdeel. Dat zou in beginsel met zich brengen dat ter zake van het honorarium pas weer betalingen conform het nieuwe stelsel verricht zouden dienen te worden vanaf het moment waarop de voorschotten zouden zijn ‘volgelopen’ met gedeclareerde verrichtingen, in die zin dat het te betalen bedrag ter zake van die verrichtingen gelijk was aan het voorschot. Het gevolg van het laten vollopen van de betaalde voorschotten en het vervolgens niet verlenen van nieuwe voorschotten zou echter zijn dat het financieringsgat steeds slechts in de tijd naar achteren zou worden verschoven. In het nieuwe stelsel vond betaling immers structureel plaats op een later moment dan in het tot dan toe vigerende stelsel. Dat zou dus aan de bedoeling van de zorgverzekeraars geen recht doen, want die bedoeling was het bieden van een oplossing voor de overgang naar een later betaalmoment en de daarmee samenhangende liquiditeitsproblemen.

4.6.Hoe RPZ, de maatschappen en de specialisten de situatie hebben beschouwd valt op te maken uit de wijze waarop zij hebben gehandeld. In praktische zin hebben de zorgverzekeraars, het RPZ, de maatschappen en de specialisten de betaalde voorschotten/vooruitbetalingen kennelijk jaar na jaar “doorgerold” door deze in de boekhouding in stand te laten. In juridische zin begrijpt de rechtbank dit als volgt. Voor zover er voor gedeclareerde DBC’s reeds was betaald (door middel van de betaalde voorschotten/vooruitbetalingen), hadden de plaatsvindende betalingen te gelden als nieuwe voorschotten/vooruitbetalingen ter overbrugging van de volgende periode. Op die wijze werden de voorschotten steeds “doorgerold” en ontstond er niet alsnog een financieringsgat. Uit deze bestendige gedragslijn volgt dat tussen de specialisten en de maatschap (zodra deze bestond) enerzijds en RPZ anderzijds wilsovereenstemming bestond over deze systematiek. Dat dit in de administratie van RPZ werd verwerkt door het in 2008 aan de maatschappen en de specialisten betaalde voorschot jaar na jaar in de boeken te laten staan als een door RPZ aan de maatschappen en de specialisten verleend en nog niet terugbetaald voorschot verandert niet het rechtskarakter. Niet het in de administratie van RPZ toegepaste label is beslissend, maar de juridische werkelijkheid.

4.7.Een praktische complicatie met betrekking tot het op de omschreven wijze “doorrollen” van de voorschotten is dat er in de loop van de tijd mutaties zijn opgetreden in de groep van specialisten. De groep van specialisten die in 2008 voorschotten heeft ontvangen, is anders samengesteld dan de groep van specialisten ten tijde van het faillissement in 2013. Gedurende een periode van vijf jaar zijn er specialisten vertrokken bij RPZ en zijn er andere specialisten bijgekomen.

4.8.In geval van vertrekkende specialisten behoorde er derhalve een financiële afwikkeling plaats te vinden. Daarbij diende te worden verdisconteerd het eventueel (teveel) aan de betreffende specialist uitbetaalde voorschot, dat wil zeggen het vooruitbetaalde bedrag voor zover daarvoor nog geen declarabele werkzaamheden waren verricht. Dat ten behoeve van die specialist bevoorschotte/vooruitbetaalde bedrag zou immers op enig moment ook weer moeten worden terugbetaald aan, althans dienen te worden verdisconteerd in een afrekening met, de zorgverzekeraars. Het waren immers de zorgverzekeraars die vanaf 2008 steeds voorschotten ter beschikking hadden gesteld. RPZ had die voorschotten weliswaar in ontvangst genomen, maar voor zover deze op het honorariumdeel betrekking hadden slechts ter doorbetaling aan de maatschappen en de specialisten.

4.9.Naar de rechtbank begrijpt heeft RPZ zich dat ook gerealiseerd. De Stafmaatschap c.s. hebben als voorbeeld de correspondentie overgelegd die betrekking heeft op de financiële afwikkeling tussen RPZ en de heer [gedaagde 14] , oogarts. De heer [persoon 2] heeft in januari 2013 zijn toelatingsovereenkomst opgezegd. RPZ heeft in dat kader onder meer een bedrag ter zake “Onderhanden werk financiering 2008” aan hem in rekening gebracht. Ter toelichting hierop vermeldt de brief van 1 maart 2013 van RPZ aan de heer [persoon 2] (productie 40 bij conclusie van antwoord/eis van de Stafmaatschap c.s.):

“1. Onderhanden werk financiering 2008.

(…) In 2008 heeft het ziekenhuis een bedrag ontvangen van de zorgverzekeraars ter financiering van het onderhanden werk. Aangezien dit een integraal bedrag betrof (ziekenhuiskosten deel plus honorarium) is toen besloten om een deel als honorarium aan te merken en over te maken naar de diverse maatschappen. Aangezien de vakgroep oogheelkunde geen maatschap kent is het honorarium naar de individuele oogartsen overgemaakt. Voor u betekende dit een bedrag van € 5.937,-. Dit bedrag is op 29 april 2008 aan u overgemaakt (zie bijlagen). Op het moment van stoppen van de praktijk dient deze financiering te worden afgerekend en te worden terugbetaald.

U heeft aangegeven dit bedrag in 6 maandelijkse termijnen te willen terugbetalen, inmiddels hebben wij de eerste betaling ad € 989,50 van u ontvangen. Wij zijn bereid om de voorgestelde manier van afbetaling te accepteren en zien graag in de komende maanden de resterende termijnen tegemoet.”

4.10.Het spreekt voor zich dat de zorgverzekeraars bij de afrekening van het onderhanden werk per faillissementsdatum met de Curatoren niet nog eens hebben betaald voor onderhanden werk waarvoor door hen reeds was betaald door middel van de betaalde voorschotten/vooruitbetalingen die vanaf 2008 steeds waren “doorgerold”. Voor het verlenen van nieuwe voorschotten/vooruitbetalingen aan RPZ (en de specialisten) bestond vanaf de faillissementsdatum immers geen grond meer. Per datum faillissement was de exploitatie van het ziekenhuis door RPZ/de Curatoren gestaakt. Het faillissement doorbrak dus de hierboven bedoelde systematiek en de noodzaak om een financieringsgat te voorkomen. Slechts voor het surplus aan onderhanden werk (ziekenhuisdeel en honorariumdeel) waarvoor per saldo (na verrekening van vooruitbetaling/voorschotten) nog niet was betaald, diende nog door de zorgverzekeraars te worden betaald.

4.11.De Curatoren hebben de door hen bij de zorgverzekeraars geïncasseerde bedragen ter zake van onderhanden werk in overleg met de Specialisten c.s. en ING bank, de pandhouder van de vorderingen van RPZ, op een derdengeldenrekening laten betalen. Voor zover het op die derdengeldenrekening betaalde gedeelte betrekking heeft op het honorariumdeel, betreft dat slechts voornoemd surplus.

4.12.

Tegen de achtergrond van het vorenstaande is de onder 3.1 sub 1 eerste alinea vermelde verklaring voor recht niet toewijsbaar. Immers, het gedeelte van het op de derdengeldenrekening staande bedrag waarop de Specialisten c.s. eventueel aanspraak kunnen maken (het honorariumdeel), betreft naar het oordeel van de rechtbank slechts hetgeen de zorgverzekeraars per saldo nog verschuldigd waren en dan nog slechts voor zover de Curatoren erin zijn geslaagd de zorgverzekeraars ertoe te bewegen dat per saldo nog door hen verschuldigde op de derdengeldenrekening te betalen. Daarbij is niet van belang wat de Specialisten c.s. menen dat zij per datum faillissement nog te vorderen hadden van de zorgverzekeraars. Dat is immers (kennelijk) niet het bedrag dat op die rekening is gestort en waarop het onderhavige geschil ziet. Dat de incasso niet probleemloos is verlopen, blijkt uit de overgelegde producties. De visie van de Curatoren op hetgeen de zorgverzekeraars nog ter zake het onderhanden werk verschuldigd waren, spoorde in veel gevallen kennelijk niet met hetgeen de zorgverzekeraars op grond van hun administratie meenden nog verschuldigd te zijn. Als de Specialisten c.s. menen dat de zorgverzekeraars ten onrechte bepaalde bedragen onbetaald laten kunnen zij daarover, zo nodig, een andere procedure beginnen.

Ter zake de op de derdengeldenrekening gestorte bedragen valt echter thans geen groter bedrag in het vermogen van de Specialisten c.s. dan hetgeen de Curatoren ten behoeve van hen hebben kunnen incasseren.

4.13.

Uit het voorgaande volgt dat op het honorariumdeel dat feitelijk ten behoeve van de Specialisten c.s. is geïncasseerd de in 2008 door RPZ aan de maatschappen en de specialisten betaalde en daarna doorgerolde voorschotten niet in mindering gebracht dienen te worden. Dan zouden die voorschotten ten onrechte tweemaal in rekening worden gebracht bij de Specialisten c.s. De zorgverzekeraars hebben die voorschotten immers reeds in mindering gebracht op hetgeen zij ter zake van het honorariumdeel van het onderhanden werk hebben betaald op de derdengeldenrekening.

Daarmee staat nog niet vast dat de Specialisten c.s. aanspraak kunnen maken op het volledige ten behoeve van hen geïncasseerde bedrag. De Curatoren stellen zich immers op het standpunt dat daarop nog bedragen in mindering dienen te worden gebracht (zie pleitnota mr. Van de Wiel onder 2.9). De rechtbank komt daar op terug bij de bespreking van de overige vorderingen.

4.14.De onder 3.1 sub 1 eerste alinea vermelde vordering wordt afgewezen.

Ad 3.1 sub 1 tweede alinea

4.15.De hiervoor onder 3.1 sub 1 tweede alinea vermelde verklaring voor recht betreft de aanspraak van RPZ wegens “voorgeschoten kosten” als bedoeld in de randnummers 23 en 24 van de dagvaarding. De Curatoren stellen dat sprake is van een vordering per faillissementsdatum van € 962.091,85 welke in hun visie rechtstreeks in mindering strekt, dan wel kan worden verrekend met de honorariumaanspraken van de Specialisten c.s. Uit de als productie 12 bij dagvaarding overgelegde specificatie blijkt dat sprake is van een opsomming van zeer diverse kosten over de periode 2010 tot en met 2013. De grondslag voor het voorschieten en de titel voor het in mindering strekken, dan wel verrekenen met de honorariumaanspraken wordt volgens de Curatoren gevormd door artikel 7 sub f van de als productie 8 bij dagvaarding overgelegde “Overeenkomst betreffende doorbetaling honorarium”.

4.16.De door de Curatoren als productie 8 overgelegde overeenkomst betreft een overeenkomst van 17 maart 2009 tussen RPZ enerzijds en drie cardiologen anderzijds. Met andere specialisten/maatschappen waren, naar tussen partijen kennelijk vast staat, op dit punt gelijke overeenkomsten gesloten. Het in deze overeenkomsten bepaalde kan niet de basis vormen voor het in mindering brengen van het totaalbedrag van € 962.091,85 op de honorariumaanspraken van de Specialisten c.s. De rechtbank licht dat als volgt toe.

4.17.Na het faillissement hebben de Curatoren aan de specialisten bericht dat zij de lopende overeenkomsten tussen elk van de specialisten en RPZ geen van alle gestand wensten te doen. Daarbij hebben de Curatoren er zelf op gewezen dat zij daarmee hunnerzijds het recht verloren nakoming van deze overeenkomsten te vorderen (zie productie 10 bij conclusie van antwoord/eis van de Stafmaatschap c.s.). Bij brief van 22 juni 2017 hebben de Specialisten c.s. de overeenkomsten bovendien ontbonden (zie productie 43 bij conclusie van dupliek/repliek van de Stafmaatschap c.s.). Reeds daarmee ontbreekt de gestelde contractuele grondslag voor het in mindering brengen/verrekenen van de voorgeschoten kosten op/met de honorariumaanspraken van de Specialisten c.s.

4.18.Hier komt bij dat de Specialisten c.s. zich ter zake van eventuele vorderingen van RPZ op een of meer van hen hebben beroepen op verrekening met (grotere) tegenvorderingen (zie hiervoor onder 2.20 onder “Toegerekende kosten”). Op het feit dat er inderdaad sprake is van dergelijke tegenvorderingen, waarmee kon worden verrekend, komt de rechtbank bij de behandeling van de overige vorderingen terug.

4.19.Aan reguliere verrekening door de Curatoren staat voorts in de weg dat ingevolge artikel 6:127 lid 3 BW de bevoegdheid tot verrekening niet bestaat ten aanzien van een vordering en een schuld die in van elkaar gescheiden vermogens vallen. Ter zake van het honorarium hadden de Specialisten c.s. een vordering op de zorgverzekeraars. De vorderingen van de Specialisten c.s. op de zorgverzekeraars hebben op geen enkel moment deel uitgemaakt van het vermogen van RPZ. Dat RPZ en – na het faillissement – de Curatoren belast waren met de incasso van die vordering doet daar niet aan af. Incasso heeft plaatsgevonden zonder dat de gelden op enig moment deel zijn gaan uitmaken of hebben uitgemaakt van de boedel. Ze zijn conform de daarover vooraf gemaakte afspraken gestort op een derdengeldenrekening. Eventuele vorderingen van RPZ op de Specialisten c.s. kunnen daarom niet worden verrekend met vorderingen van de Specialisten c.s. op de zorgverzekeraars.

4.20.De onder 3.1 sub 1 tweede alinea vermelde vordering wordt afgewezen.

Ad 3.1 sub 1 derde alinea

4.21.De hiervoor onder 3.1 sub 1 derde alinea vermelde verklaring voor recht betreft de aanspraak van RPZ wegens “de reguliere voorschotten en variabel deel” als bedoeld in de randnummers 16 t/m 22 van de dagvaarding. De Curatoren stellen dat er door RPZ in de loop van het jaar voorschotten aan de Stafmaatschap werden betaald. Dat was mogelijk omdat RPZ zelf voorschotten kreeg van de zorgverzekeraars. Ook over de periode 1 januari 2013 tot 24 juni 2013 (faillissementsdatum) heeft RPZ voorschotbetalingen verricht aan de specialisten. Ter zake dient in de visie van de Curatoren nog afrekening plaats te vinden. In die afrekening dienen ook te worden betrokken de in artikel 7 van de “Overeenkomst betreffende doorbetaling honorarium” genoemde, ten laste van de specialisten komende kosten. Dat betreft (a) administratiekosten en kosten voor (b) secretariële ondersteuning, (c) werving van arts-assistenten, (d) de aansprakelijkheidsverzekering en (e) andere kosten, waarvan is afgesproken dat deze ten laste van de specialisten komen. De Curatoren wijzen er voorts op dat uit het Memo vastlegging afspraken 2012 omtrent variabel deel honorarium (productie 9 bij dagvaarding) volgt dat voor deze kosten voor faillissement steeds 15% op het doorbetaalde honorarium werd ingehouden, het zogenaamde variabel deel. Per het einde van het boekjaar vond afrekening van dat variabel deel plaats aan de hand van de ter zake gemaakte werkelijke kosten.

4.22.De Specialisten c.s. hebben aangevoerd dat in 2013 ten onrechte slechts gedeeltelijke doorbetaling heeft plaatsgevonden van het deel van de door RPZ van de zorgverzekeraars ontvangen voorschotten dat op het honorarium zag. Over maart en april 2013 zijn de voorschotten honorariumdeel niet volledig voldaan en over mei en juni 2013 in het geheel niet. Voor zover RPZ voorschotten heeft betaald, is daar de overeengekomen 15% op ingehouden. Voor zover de voorschotten niet zijn betaald, resteert in de visie van de Specialisten c.s. een concurrente vordering van de Specialisten c.s. op RPZ. Hooguit zou in de visie van de Specialisten c.s. kunnen worden gezegd dat die concurrente vordering 15% lager zou moeten zijn, aangezien daarop de 15% bijdrage aan algemene kosten bij de doorbetaling van het honorariumdeel van de voorschotten in mindering had mogen worden gebracht. De inhouding van 15% is in de visie van de Specialisten c.s. altijd kostendekkend geweest. De Specialisten c.s. wijzen er voorts op dat na faillissement van inhouding door de Curatoren op door te betalen bedragen geen sprake kan zijn omdat het RPZ en de Curatoren vanaf de faillissementsdatum geen bedragen meer namens gedaagden ontvangen. De Curatoren hebben slechts ten behoeve van de Specialisten c.s. het in het vermogen van de Specialisten c.s. vallende honorariumdeel bij de zorgverzekeraars geïncasseerd door dit ten behoeve van de Specialisten c.s. op een derdengeldenrekening te laten storten. De overeenkomsten waarop de bevoegdheid tot inhouding van een deel van de in de situatie voor faillissement “door te betalen” bedragen was gebaseerd, zijn bovendien niet meer van kracht. Voorts wijzen de Specialisten c.s. erop dat zij nog een aanzienlijke vordering hebben op RPZ in verband met wel bij de zorgverzekeraars geïncasseerd, maar niet doorbetaald honorarium, alsmede in verband met het verlies van goodwill, inkomensschade en pensioenschade. Als RPZ nog iets van de Specialisten c.s. te vorderen zou hebben, is die vordering reeds verrekend met een veel hogere tegenvordering van de Specialisten c.s.

4.23.RPZ diende van de door haar ten behoeve van de Specialisten c.s. ontvangen (delen van de) voorschotten die de zorgverzekeraars aan RPZ betaalden, 85% door te betalen aan de Specialisten c.s. Vanaf het moment dat RPZ daarmee in gebreke bleef, ontstonden er naar het oordeel van de rechtbank vorderingen van de Specialisten c.s. op RPZ. Ter zake van de 15% die RPZ mocht inhouden ontstonden uiteraard geen vorderingen op de Specialisten c.s. Die 15% van de door RPZ van de zorgverzekeraars ten behoeve van de specialisten ontvangen “voorschotten” op het honorarium werd immers nog steeds ingehouden. De resterende 85% werd ook niet (meer) doorbetaald. De rechtbank wijst erop dat er geen sprake was van door RPZ uit haar vermogen aan de Specialisten c.s. betaalde voorschotten. RPZ nam van de zorgverzekeraars de door hen verschuldigde voorschotten in ontvangst. Het honorariumdeel van die voorschotten diende zij door te betalen aan de Specialisten c.s. Dat deel van de voorschotten was nooit voor RPZ bestemd. Zij mocht het slechts ten behoeve van de Specialisten c.s. incasseren om het vervolgens aan de Specialisten c.s. door te betalen, waarbij zij 15% mocht inhouden op basis van de daarover gemaakte afspraken.

4.24.Gelet op het voorgaande acht de rechtbank zeer onaannemelijk dat de Specialisten c.s. ter zake van “de reguliere voorschotten en variabel deel” nog enig bedrag aan de Curatoren verschuldigd kunnen zijn. RPZ heeft van hetgeen zij ten behoeve van de Specialisten c.s. bij de zorgverzekeraars incasseerde immers voor faillissement al (veel) meer ingehouden dan de 15% van de door te betalen voorschotten waarop zij jegens de Specialisten c.s. aanspraak kon maken. Voor zover er echter een vordering van de Curatoren ter zake van “de reguliere voorschotten en variabel deel” zou bestaan, geldt ook met betrekking tot die vordering hetgeen hiervoor onder 4.17, 4.18 en 4.19 is overwogen.

4.25.De onder 3.1 sub 1 derde alinea vermelde vordering wordt afgewezen.

Ad 3.1 sub 2 primair

4.26.De Curatoren vorderen te verklaren voor recht dat de schadeaanspraak van de specialisten wegens verlies van goodwill geen aanspraak oplevert in het faillissement van RPZ en dus niet kan worden aangemerkt als een verifieerbare prefaillissementsvordering en evenmin als boedelvordering.

4.27.Na het faillissement hebben de Curatoren aan de specialisten medegedeeld dat zij de lopende overeenkomsten tussen de specialisten en RPZ niet gestand wensten te doen. Het ziekenhuis werd vanaf de faillissementsdatum niet meer geëxploiteerd door RPZ, maar door een derde. Die derde wenste de overeenkomsten met de specialisten niet over te nemen. Vanaf de faillissementsdatum zijn de specialisten niet meer in staat (gesteld) hun zelfstandige praktijken in het ziekenhuis uit te oefenen. Dat zij daardoor schade van aanzienlijke omvang hebben geleden, ligt in de rede.

4.28.Door hun praktijkuitoefening in het ziekenhuis genereerden de specialisten inkomen en bouwden zij pensioen op. Vele van die specialisten hebben (in sommige gevallen betrekkelijk kort en in andere gevallen langer geleden) op basis van bestaand gebruik goodwill-vergoedingen van aanzienlijke omvang betaald aan voorgangers in wiens plaats zij zijn getreden. Die goodwill-vergoedingen betaalden zij om de praktische mogelijkheid te verkrijgen om in het ziekenhuis een zelfstandige praktijk te kunnen/mogen voeren en daarin patiënten te kunnen behandelen. Voor het bepalen van de omvang van dergelijke goodwill-vergoedingen bestaan normen die in de praktijk plegen te worden toegepast. In beginsel bestond ook voor de specialisten de mogelijkheid om in de toekomst een dergelijke vergoeding van een opvolger te bedingen indien zij hun praktijk aan een opvolger zouden overdragen. Deze praktijk van het bedingen en betalen van goodwill-vergoedingen is (althans was tot voor kort) een economische en praktische realiteit.

4.29.Weliswaar ligt het in de rede dat de specialisten hun vak kunnen blijven uitoefenen op een andere plaats of onder andere voorwaarden, waarmee zij uiteraard wederom inkomen kunnen verwerven, maar in veel gevallen zal dat inkomen lager zijn dan het inkomen dat zij hadden kunnen verwerven indien RPZ de lopende overeenkomsten gestand zou hebben gedaan. De praktische mogelijkheid om hun praktijk als zelfstandig werkend specialist in het ziekenhuis voort te zetten en om deze praktijk in de toekomst aan een opvolger over te dragen en daarbij een goodwill-vergoeding te bedingen, is voor de specialisten verloren gegaan. Het voorgaande is door de Curatoren op zichzelf ook niet betwist.

4.30.Aannemelijk is dus dat veel specialisten schade van aanzienlijke omvang lijden in de vorm van inkomensschade, pensioenschade en verlies van de mogelijkheid om een goodwill-vergoeding te bedingen van een derde. De rechtbank is van oordeel dat de specialisten ter zake van hun vorderingen die strekken tot vergoeding van deze schade op grond van artikel 37a Faillissementswet (Fw) als concurrent schuldeiser kunnen opkomen in het faillissement.

4.31.Opmerking verdient dat het begrip “goodwill” niet een vastomlijnde inhoud heeft. Evident is echter dat de praktijk waarin specialisten bereid waren substantiële bedragen aan “goodwill” te betalen om een zelfstandige praktijk als medisch specialist, al dan niet in maatschapsverband, in het ziekenhuis te kunnen gaan voeren slechts kon bestaan omdat medisch specialisten erop dachten te kunnen vertrouwen dat zij een dergelijke investering konden terugverdienen. Bij (globale) begroting van de door een specialist geleden schade ter zake van het tekortschieten in de nakoming door de Curatoren zou (om praktische redenen) kunnen worden aangesloten bij de (relatief eenvoudig te bepalen) omvang van de goodwill-vergoeding waarop de betreffende specialist in voorkomend geval conform de daarvoor in de praktijk gehanteerde normen jegens een opvolger aanspraak zou hebben kunnen maken (eventueel met een daarop toe te passen beperkte aftrek).

4.32.

De vergelijking die de Curatoren maken tussen de positie waarin de specialisten verkeren en de positie waarin werknemers in een faillissementssituatie komen te verkeren, gaat niet op. De positie van werknemers is in artikel 40 Fw specifiek geregeld. Werknemers kunnen daaraan bepaalde aanspraken ontlenen. De vorderingen uit de arbeidsovereenkomst zijn bovendien in beginsel bevoorrecht (artikel 3:288 aanhef en onder e Burgerlijk Wetboek; BW). Voorts kunnen werknemers een beroep doen op de zogeheten Loongarantieregeling. Een en ander geldt niet voor de specialisten. Dat betekent dat de situaties in juridische zin op relevante punten verschillen.

Weliswaar is denkbaar dat de specialisten een vordering van substantiële omvang kunnen ontlenen aan artikel 37a Fw, maar die vordering betreft niet meer dan de door hen geleden schade en daarvoor kunnen zij slechts als concurrent schuldeiser in het faillissement opkomen. In de meerderheid van de faillissementen, en ook in dit faillissement, heeft de concurrente schuldeiser geen reëel uitzicht op volledige voldoening van zijn vordering. Dat de specialisten mogelijk substantiële concurrente vorderingen kunnen indienen bij de Curatoren, die deze overigens vooralsnog niet (voorlopig) hebben erkend, betekent ook in financiële/economische zin in elk geval in deze situatie van het faillissement van RPZ niet dat zij in een gunstigere positie verkeren dan waarin werknemers in een faillissementssituatie (plegen te) verkeren.

4.33.De onder 3.1 sub 2 primair vermelde vordering wordt afgewezen.

Ad 3.1 sub 2 subsidiair

4.34.Subsidiair vorderen de Curatoren te verklaren voor recht dat de schadeaanspraak van de specialisten wegens verlies van goodwill niet voor verrekening vatbaar is met de aanspraak van RPZ wegens het in 2008 verstrekte voorschot, en ook niet met de aanspraak van RPZ wegens voorgeschoten kosten en evenmin met enige aanspraak van RPZ wegens de reguliere voorschotten en variabel deel.

4.35.Verrekening met het in 2008 verstrekte voorschot is niet aan de orde. Dat voorschot is (door)betaald aan de specialisten en daarvoor zijn werkzaamheden door hen verricht. Daarmee is met dat voorschot voor die werkzaamheden betaald. Er valt met betrekking tot dat voorschot niets meer te verrekenen. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen zij heeft overwogen bij de behandeling van de vordering als genoemd onder 3.1 sub 1 eerste alinea.

4.36.

Waarom de aanspraak van de Specialisten c.s. wegens verlies van goodwill (en inkomensschade en pensioenschade en door RPZ niet doorbetaalde voorschotten als hiervoor besproken) niet verrekend zou kunnen worden met de aanspraken van RPZ ter zake van voorgeschoten kosten, reguliere voorschotten en variabel deel ziet de rechtbank niet in. Die onmogelijkheid volgt niet uit de overeenkomsten. De overeenkomsten die volgens de Curatoren meebrachten dat eventuele aanspraken van RPZ op de specialisten in mindering zouden komen op het aan de specialisten door te betalen honorarium zijn immers ontbonden. Die onmogelijkheid volgt evenmin uit de wet, want de verrekeningsmogelijkheden voor degene die zowel schuldenaar als schuldeiser van de gefailleerde is, zijn op grond van artikel 53 Fw zeer ruim.

Er zijn geen omstandigheden gebleken of aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat in dit geval, waar de wet verrekening toelaat en geen contractuele beletsels (meer) bestaan, verrekening toch niet toegelaten zou zijn.

4.37.Het verschil dat de Curatoren maken tussen berekenen en verrekenen behoeft na het voorgaande bij gebrek aan belang geen nadere bespreking.

4.38.De onder 3.1 sub 2 subsidiair vermelde vordering wordt afgewezen.

Ad 3.1 sub 2 meer subsidiair

4.39.De meer subsidiaire vordering van de Curatoren ziet op de volgorde waarin verrekening zou moeten plaatsvinden.

4.40.De specialisten hadden een bevoegdheid tot verrekening en zij hebben daarvan gebruik gemaakt. Artikel 6:127 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening heeft, aan zijn schuldeiser verklaart dat hij zijn schuld met een vordering verrekent, beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop tenietgaan. Een beroep op verrekening is reeds bij brief van 23 juli 2013 van mr. Gratama aan de Curatoren gedaan (zie hiervoor onder 2.13). De ontbonden overeenkomsten brengen niet mee dat verrekening op andere wijze of in een andere volgorde zou moeten plaatsvinden. De vordering van de Curatoren heeft geen juridische basis.

4.41.De onder 3.1 sub 2 meer subsidiair vermelde vordering wordt afgewezen.

Ad 3.1 sub 2 uiterst subsidiair

4.42.Uiterst subsidiair vorderen de Curatoren te verklaren voor recht dat de hoogte van de schadeaanspraak van de specialisten jegens RPZ wegens verlies van goodwill niet één op één gelijk te stellen is aan het bedrag waarop hun goodwill aandeel in hun artsenmaatschap werd gewaardeerd, maar dat ter bepaling van de hoogte van deze aanspraak rekening behoort te worden gehouden met alle omstandigheden.

4.43.Juist is dat de schadeaanspraak van de specialisten jegens RPZ niet zonder meer gelijk kan worden gesteld met de volgens de gangbare normen berekende waarde van hun goodwill aandeel in hun artsenmaatschap. Bij het vaststellen van de hoogte van de schadeaanspraak van de specialisten behoort uiteraard rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. In het kader van de afwikkeling van het faillissement is dit echter waarschijnlijk van weinig praktisch belang. Dat concurrente schuldeisers enige uitkering uit het faillissement tegemoet kunnen zien, is gesteld noch gebleken. De vorderingen van de specialisten zijn, in dat licht, in praktische zin waarschijnlijk slechts van belang voor zover er een mogelijkheid tot verrekening bestaat met eventuele vorderingen van RPZ op de specialisten. Bij deze gevorderde verklaring voor recht hebben de Curatoren in de visie van de rechtbank dan ook geen belang.

4.44.De precieze omvang van concurrente vorderingen van de Specialisten c.s. waarvoor zij als schuldeiser in het faillissement kunnen opkomen kan op een eventuele verificatievergadering en – zo nodig – in een eventuele renvooiprocedure aan de orde komen. Het is niet aan de rechtbank om die vorderingen in deze procedure vast te stellen.

4.45.De onder 3.1 sub 2 meer subsidiair vermelde vordering wordt afgewezen.

Ad 3.1 sub 3

4.46.De Curatoren vorderen te verklaren voor recht dat afrekening van alle over en weer af te rekenen posten, die worden behandeld in de dagvaarding, dient plaats te vinden tussen de Curatoren enerzijds en de Stafmaatschap anderzijds.

4.47.Het is de rechtbank onduidelijk waar de Curatoren deze vordering op gronden. Bij dagvaarding onder 28 stellen zij dat uit de systematiek van de tussen partijen gemaakte afspraken volgt dat afrekening dient plaats te vinden tussen de Curatoren enerzijds en de Stafmaatschap (en niet de afzonderlijke Specialisten of de afzonderlijke Maatschappen) anderzijds. De rechtbank heeft dat echter niet uit de stukken kunnen afleiden en de Curatoren hebben dat ook niet deugdelijk en concreet, met verwijzing naar specifieke stukken, toegelicht.

4.48.De Curatoren pretenderen onder andere vorderingen die betrekking hebben op perioden dat de Stafmaatschap nog niet bestond. Het betreft in belangrijke mate vorderingen die individuele specialisten of maatschappen zijn aangaan. Dat alle specialisten en maatschappen zich hebben verplicht om dergelijke vorderingen tussen de Curatoren en de Stafmaatschap te laten afwikkelen, waarna de Stafmaatschap en de maatschappen kennelijk voor verdere afwikkeling zouden moeten zorgdragen, is niet met de vereiste mate van duidelijkheid gesteld of onderbouwd en voorts niet gebleken.

4.49.Uit de overgelegde stukken komt het beeld naar voren dat de Stafmaatschap voorafgaande aan het faillissement slechts betrokken was bij verrekening van bepaalde gespecificeerde categorieën van kosten. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de producties 10 en 11 bij dagvaarding: een memo van de Stafmaatschap aan RPZ over een vastlegging van afspraken 2012 omtrent het variabel deel honorarium en een verklaring van RPZ en de Stafmaatschap van 14 mei 2013 omtrent het honorariumplafond 2012 en gemaakte afspraken over te verrekenen kosten. Dit is in lijn met hetgeen hierover van de zijde van de Specialisten c.s. is gesteld. De Stafmaatschap c.s. hebben daar ook voorafgaande aan deze procedure al op gewezen (zie hiervoor onder 2.20, onder het kopje “Toegerekende kosten”). Uit de overgelegde correspondentie inzake de heer [persoon 2] blijkt bovendien dat financiële afwikkeling van niet op het collectief van de Stafmaatschap betrekking hebbende posten in de praktijk plaatsvond tussen RPZ en de betreffende medisch specialist en niet tussen RPZ en de Stafmaatschap (zie productie 40 bij conclusie van antwoord/eis van de Stafmaatschap c.s.; zie ook hiervoor onder 4.9).

4.50.Dat afrekenen met individuele specialisten onwerkbaar zou zijn (pleitnota van de Curatoren onder 6.1) is, wat er ook zij van die stelling, onvoldoende om toewijzing van deze door de Curatoren gevorderde verklaring voor recht te rechtvaardigen.

4.51.De onder 3.1 sub 3 vermelde vordering wordt afgewezen.

Ad 3.1 sub 4

4.52.De Curatoren vorderen veroordeling van de Stafmaatschap c.q. de maatschappen c.q. de specialisten tot betaling van enig ten gunste van RPZ resterend saldo na toepassing van de verrekeningen, op te maken bij staat.

4.53.Dat er na toepassing van de verrekeningen enig saldo ten gunste van RPZ zal resulteren, acht de rechtbank op grond van de stellingen van partijen en de overgelegde producties voor zover daarop een beroep is gedaan niet aannemelijk. Het komt niet onaannemelijk voor dat de vorderingen van de Specialisten c.s. de vorderingen van RPZ in aanmerkelijke mate overschrijden. Voor zover de Curatoren hebben beoogd niet alleen een vordering te richten tegen het collectief, maar ook tegen een of meer individuele specialisten waarbij van een van het algemene beeld afwijkende bijzondere situatie sprake is, is de rechtbank van oordeel dat de vordering in zoverre onvoldoende is gespecificeerd en onvoldoende is onderbouwd.

4.54.De onder 3.1 sub 4 vermelde vordering wordt afgewezen.

Kosten

4.55.

Nu de vorderingen van de Curatoren worden afgewezen, zullen de Curatoren als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in conventie. Deze kosten worden begroot op:

Aan de zijde van de Stafmaatschap c.s. € 619,00 aan griffierecht en € 2.172,00 aan salaris advocaat (4 punten x tarief € 543,00); derhalve in totaal € 2.791,00.

Aan de zijde van de maatschap KNO c.s. € 2.172,00 aan salaris advocaat (4 punten x tarief € 543,00).

4.56.De rechtbank zal dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Ter toelichting verwijst de rechtbank naar hetgeen hierna onder 4.79 en 4.80 wordt overwogen.

in reconventie (de vorderingen van de Specialisten c.s.)

Ad 3.4 eerste en tweede alinea en 3.5 eerste en tweede alinea

4.57.De verklaring voor recht als vermeld onder 3.4 eerste alinea en 3.5 eerste alinea betreft de door de Curatoren gestelde vorderingen op de Specialisten c.s. met betrekking tot de voorschotten 2008, de voorgeschoten kosten en met betrekking tot de eventuele afrekening van variabele kosten 2013, “voor zover deze in conventie niet reeds worden afgewezen”.

4.58.De vorderingen in conventie worden afgewezen. Derhalve hoeft op deze vorderingen van de Specialisten c.s. niet te worden beslist en hoeven deze niet (verder) te worden behandeld. De rechtbank zal zich niettemin kort over de in de gevorderde verklaring voor recht genoemde onderwerpen uitlaten, nu dat van belang zou kunnen zijn voor eventuele gesprekken tussen partijen over een te treffen regeling.

4.59.Met betrekking tot de in 2008 verstrekte voorschotten/vooruitbetalingen is verjaring in de visie van de rechtbank niet aan de orde. De voorschotten/vooruitbetalingen zijn steeds “doorgerold”, zoals hiervoor in conventie toegelicht. Voor zover de specialisten ter zake van die vooruitbetaalde bedragen nadien werkzaamheden hebben verricht, hebben zij ter zake van die werkzaamheden niets meer te vorderen, (zie 4.5 en 4.6 in conventie). Ter zake van het onderhanden werk hebben de Curatoren bij de zorgverzekeraars ook niet meer kunnen incasseren dan hetgeen nog niet was betaald. De aanspraak van de Specialisten c.s. op de op de derdengeldenrekening betaalde bedragen, omvat in ieder geval niet meer dan hetgeen de Curatoren nog aan honorarium ten behoeve van de Specialisten c.s. hebben kunnen incasseren (zie hiervoor onder 4.1 tot en met 4.12).

4.60.Voor zover er vorderingen bestonden van RPZ op de Specialisten c.s. hebben de Specialisten c.s. zich met succes kunnen beroepen op verrekening met hun tegenvorderingen betreffende niet door RPZ uitbetaalde/doorbetaalde voorschotten/honorarium en geleden schade ter zake van verlies aan goodwill, inkomen en pensioenopbouw (zie hiervoor onder 4.36 en onder 4.53).

4.61.Na verrekening resterende vorderingen van de Specialisten c.s. op RPZ kunnen in het faillissement op een eventuele verificatievergadering aan de orde komen en vervolgens in een eventuele renvooiprocedure. Rechtsvorderingen, die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, kunnen gedurende het faillissement op geen andere wijze ingesteld worden, dan door aanmelding ter verificatie (artikel 26 Fw). In deze procedure zijn die eventuele vorderingen slechts van belang voor zover beoordeeld dient te worden of de Specialisten c.s. zich jegens de Curatoren op verrekening (met grotere tegenvorderingen) hebben kunnen beroepen ter zake van de door de Curatoren op hen gepretendeerde vorderingen; deze beoordeling is hiervoor gegeven.

4.62.Op de onder 3.4, tweede alinea en 3.5, tweede alinea vermelde vorderingen hoeft niet te worden beslist, omdat de voorwaarden waaronder zij zijn ingesteld niet vervuld zijn. Zoals uit de overwegingen in conventie blijkt acht de rechtbank de omvang van de vorderingen van de Specialisten c.s. voldoende gebleken om een oordeel te geven over de voorliggende beperkte vraag, te weten of zij minstens net zo hoog zijn als de vorderingen van RPZ.

Ad 3.4 derde en vierde alinea en 3.5 derde, vierde en vijfde alinea

4.63.De Specialisten c.s. vorderen de Curatoren te veroordelen om het honorariumdeel van het onderhanden werk van RPZ en de Specialisten c.s. over 2012 en 2013 dat door de zorgverzekeraars op de derdengeldenrekening van de curatoren is/wordt overgemaakt te doen uitbetalen aan de Specialisten c.s. door uitbetaling aan de Stafmaatschap, zulks binnen acht dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis. Daarbij vorderen de Specialisten c.s. tevens (primair) de Curatoren te veroordelen om bij de uitbetaling aan de Stafmaatschap de kosten van het door de Curatoren uitgevoerde declaratieproces volgens de daarover tussen partijen gemaakte afspraak te verdelen, met dien verstande dat op het uit te betalen bedrag 1,5% aan kosten in mindering wordt gebracht, tenzij het werkelijke bedrag aan in redelijkheid gemaakte kosten minder bedraagt dan 1,5%, in welk geval de werkelijke kosten in mindering dienen te worden gebracht.

4.64.In de door de maatschap KNO c.s. geformuleerde vorderingen wordt alleen het onderhanden werk over 2012 genoemd (conclusie van antwoord/eis van de maatschap KNO c.s., voorlaatste pagina, laatste alinea), maar de rechtbank gaat ervan uit dat dit een vergissing betreft, nu de vorderingen van de Specialisten c.s. verder – materieel bezien – gelijkluidend zijn en er ook overigens geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat de maatschap KNO c.s. een vordering van beperktere inhoud en strekking heeft willen instellen dan de Stafmaatschap c.s. Zo hebben de Curatoren dat, gelet op het door hen gevoerde verweer, kennelijk ook begrepen.

4.65.Uit hetgeen de rechtbank hiervoor – in conventie – reeds heeft overwogen, vloeit voort dat de rechtbank met de Specialisten c.s. van oordeel is dat het op de derdengeldenrekening gestorte honorariumdeel van het onderhanden werk niet in de boedel valt. Voor vermindering van het van die derdengeldenrekening aan de Specialisten c.s. uit te betalen bedrag door daarop vorderingen van RPZ in mindering te brengen bestaat geen grond, behoudens voor zover dat door partijen is overeengekomen. De Curatoren kunnen zich in zoverre niet beroepen op bepalingen van overeenkomsten die de Specialisten c.s. hebben ontbonden. De visie van de Curatoren dat betreffende bepalingen uit die overeenkomsten ook van kracht blijven na ontbinding daarvan acht de rechtbank onjuist. In die overeenkomsten komen geen ondubbelzinnige formuleringen voor die erop wijzen dat de overeenkomsten zo moeten worden uitgelegd. De Curatoren hebben verder onvoldoende geconcretiseerd waarop zij die visie baseren.

4.66.Ook los van het voorgaande kunnen vorderingen die RPZ had op de Specialisten c.s. niet zonder meer worden verrekend met hetgeen de Specialisten c.s. te vorderen hadden van de zorgverzekeraars. Dit nog afgezien van het feit dat voor zover RPZ vorderingen had op de Specialisten c.s., de laatsten zich op verrekening hebben beroepen.

4.67.Voorafgaande aan de incasso door de Curatoren zijn de Curatoren en de Specialisten c.s. over de daaraan verbonden kosten het volgende overeengekomen.

Er is een aanbod, in de vorm van een voorstel gedaan in de brief van 11 december 2013 van mr. Gratama aan mr. A.J.H.W.M. Versteeg, de (toenmalig) advocaat van de Curatoren (zie hiervoor onder 2.14):

“Verdeling van de kosten

Cliënten zijn tevens bereid om met uw cliënten af te spreken dat de in redelijkheid gemaakte kosten van het declareren en incasseren van de vordering op de zorgverzekeraars tussen partijen naar evenredigheid worden verdeeld met de opbrengst die door partijen afzonderlijk zal worden geïncasseerd. Daarbij kan tevens aansluiting worden gezocht bij de regeling die tot het faillissement tussen cliënten en het RPZ heeft gegolden, te weten dat het RPZ bij de doorbetaling van het honorariumdeel aan cliënten 1,5% daarop in mindering mocht brengen in verband met administratiekosten, dit tenzij en voor zover de werkelijke kosten minder bedragen dan die 1,5%.”

De aanvaarding van dat voorstel blijkt uit de brief van 24 september 2013 van mr. Versteeg (zie hiervoor onder 2.15):

“3. Curatoren hebben eveneens met instemming kennis genomen van het voorstel van uw cliënte de kosten van incasso van het onderhanden werk naar evenredigheid te verdelen, waarbij aansluiting gezocht wordt bij de afspraak die voorafgaand aan faillissement tussen ziekenhuis en uw cliënte van kracht was. Curatoren maken wel een kanttekening bij het gebruik van het woord “afzonderlijk” in dit deel van uw brief en zij nemen aan dat sprake is van een verschrijving omdat alleen het ziekenhuis tot incasso van het onderhanden werk kan overgaan.”

4.68.Met voornoemd aanbod en de aanvaarding daarvan is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de verdeling van de kosten van incasso van het onderhanden werk. Aan die overeenkomst zijn alle partijen in beginsel gebonden. Het gaat om een overeenkomst waarbij aan beide zijden ervaren juristen optraden, die van de problematiek op de hoogte waren. Bij brief van 7 november 2013 van hun advocaat hebben de Curatoren nog aan de Specialisten c.s. medegedeeld dat zij het zo hadden begrepen dat zij 1,5% van de opbrengst van het honorariumdeel in mindering mochten brengen als bijdrage aan de kosten die de boedel maakt om tot inning van het onderhanden werk te komen, terwijl overigens de door de Curatoren gemaakte en te maken kosten van die inning naar rato van de opbrengst ponds/ponds gelijk zouden worden verdeeld tussen de boedel, de Specialisten c.s. en de bank (zie hiervoor onder 2.17 onder 4). Zo hebben de Curatoren de overeenkomst in redelijkheid niet kunnen begrijpen. De bewoordingen zijn helder en de context was bekend. Er is geen plausibele reden aangevoerd op basis waarvan de Curatoren in redelijkheid konden menen dat de Specialisten c.s. een dergelijk voor hen ongunstig voorstel hadden gedaan, dan wel dat zij daarmee akkoord zouden zijn gegaan. Evident is immers dat een dergelijke afspraak voor de Specialisten c.s. zeer ongunstig zou zijn. Dat de Curatoren met betrekking tot de verdeling van de kosten van incasso van het onderhanden werk een overeenkomst met de Specialisten c.s. hebben gesloten die achteraf wellicht ongunstig is gebleken voor de Curatoren komt voor hun risico.

4.69.Voor zover de Curatoren hebben willen stellen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de Specialisten c.s. hen aan de overeenkomst houden hebben zij daartoe onvoldoende gesteld. Dat is een strenge maatstaf, die vergt dat sprekende feiten worden gesteld. Dat de Curatoren mogelijk spijt hebben gekregen van deze door hen gemaakte afspraak en/of dat zij nadien kosten van aanzienlijke omvang hebben gemaakt in het kader van de incasso van het onderhanden werk, is daarvoor onvoldoende en komt voor hun eigen risico. Dat de incasso kosten met zich zou brengen moet alle betrokkenen duidelijk zijn geweest. Gesteld noch gebleken is dat of waarom die kosten sterk afweken van wat partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst mochten verwachten.

4.70.Hetgeen hiervoor is overwogen impliceert dat bij de doorbetaling van het op de derdengeldenrekening gestorte bedrag aan honorarium ten behoeve van de Specialisten c.s. daarop 1,5% in mindering mag worden gebracht, tenzij en voor zover de werkelijke kosten minder hebben bedragen dan die 1,5%, hetgeen zo onaannemelijk is dat de rechtbank die mogelijkheid verder buiten beschouwing zal laten.

4.71.Gelet op het feit dat partijen op enig moment tot een afwikkeling zullen moeten komen en partijen duidelijk de wens hebben geuit dat de rechtbank hen handvaten zou bieden om tot een afwikkeling te komen, zal de rechtbank thans eerst op enkele praktische aspecten ingaan.

4.72.In de pleitnota van de Curatoren onder 2.6 en 2.9 is namens de Curatoren het volgende gesteld over de afwikkeling van hetgeen is geïncasseerd op de derdengeldenrekening:

“2.6 Inmiddels is door alle zorgverzekeraars, op CZ na, betaald. Zoals ook recent, op 3 april 2018, aan de advocaat van de Stafmaatschap geschreven, staat er inmiddels een kleine € 4,2 miljoen op de derdenrekening. Daar komt nog een bedrag van minimaal € 600.000,- van CZ bij. Onderzocht moet worden wat daarvan aan de Specialisten toekomt. Eerder hebben Curatoren al aangegeven dat dat globaal neer zal komen op 19,72%2 van wat door Curatoren bij de Zorgverzekeraars wordt geïncasseerd.”

“2.9 Niet de ziekenhuisadministratie moet als basis worden genomen. Nee, als uitgangspunt moet worden gekeken naar wat de zorgverzekeraars betalen. Daarvan moet eerst af worden gehaald het aandeel van de kaakchirurg, die geen onderdeel van de Stafmaatschap uitmaakt en ook niet in deze procedure is betrokken, om vervolgens te bepalen welk percentage als honorarium moet worden bestempeld en welk percentage als instellingdeel. Op het aldus te bepalen honorariumdeel behoren dan in mindering te worden gebracht het zogenaamde variabel deel van 15%, en een redelijke bijdrage in de kosten die de boedel heeft moeten maken om het honorarium bij de zorgverzekeraars te innen. Vervolgens is duidelijk wat de Specialisten in beginsel toekomt.”

4.73.In de visie van de rechtbank is van groot praktisch belang dat er ter zake van de incasso van het onderhanden werk thans eenvoudigweg niet meer te verdelen is dan er is/wordt (te weten bij CZ) geïncasseerd. Dat de Specialisten c.s. wellicht menen aanspraak op (veel) meer te kunnen maken, doet daar niet aan af. Zo nodig kan daarover een aparte procedure gevoerd worden. De rechtbank acht in beginsel derhalve juist de visie van de Curatoren dat uitgangspunt bij de verdeling van het op de derdengeldenrekening gestorte geld zal dienen te zijn wat daadwerkelijk bij de zorgverzekeraars kon/kan worden geïncasseerd.

4.74.Tussen de betrokken partijen zal dienen te worden vastgesteld welk deel van het op de derdengeldenrekening aanwezige bedrag aan de Specialisten c.s. toekomt. Aan de rechtbank is niet gevraagd om vast te stellen welk gedeelte van het op de derdengeldenrekening gestorte bedrag honorarium ten behoeve van de Specialisten c.s. betreft. Op basis van de door partijen ter beschikking gestelde informatie zou de rechtbank daartoe op dit moment ook niet in staat zijn, zonder een deskundige te benoemen. Het ligt bovendien meer in de rede, mede met het oog op de daaraan verbonden kosten, dat partijen met elkaar in overleg treden teneinde een correcte verdeling vast te stellen, zo nodig na voorlichting door een deskundige (zie ook hiervoor onder 2.18 onder het kopje “Splitsing honorarium- en instellingdeel”, alsmede hiervoor onder 4.72 onder 2.6).

4.75.Het ligt in de rede dat een deel van het geïncasseerde honorarium betrekking heeft op de kaakchirurg die kennelijk geen deel uitmaakt van, althans geen overeenkomst heeft gesloten met, de Stafmaatschap en die niet betrokken is in deze procedure. De Curatoren wijzen er terecht op dat daarmee bij de afwikkeling rekening zal dienen te worden gehouden. In deze procedure is dat aspect verder niet of nauwelijks aan de orde gekomen. Daarom zal de rechtbank hier uit praktische overwegingen niet verder op ingaan. Het betreft kennelijk geen aspect dat partijen verdeeld houdt.

4.76.De rechtbank deelt niet de visie van de Curatoren dat op het honorariumdeel nog in mindering dient te worden gebracht het zogenaamde variabel deel van 15%. Die 15% heeft betrekking op door RPZ gemaakte kosten. Op basis van de overeenkomsten die voorafgaande aan het faillissement tussen partijen van kracht waren, mocht RPZ bepaalde kosten in mindering brengen op het door haar ten behoeve van de Specialisten c.s. te incasseren en door te betalen honorarium. Die overeenkomsten zijn na het faillissement echter door de Specialisten c.s. ontbonden. De Curatoren kunnen daar geen rechten meer aan ontlenen. Dat neemt niet weg dat voor zover RPZ kosten heeft gemaakt ten behoeve van de Specialisten c.s. er in beginsel wel vorderingen ontstonden van RPZ op de Specialisten c.s. Die vorderingen kunnen de Curatoren echter niet verrekenen met de aanspraak van de Specialisten c.s. op de op de derdengeldenrekening gestorte gelden. Die aanspraak betreft immers geen vordering op RPZ/de Curatoren. Wederzijds schuldeiserschap ontbreekt. Ter zake van die vorderingen hebben de Specialisten c.s. zich bovendien beroepen op verrekening met (grotere) tegenvorderingen (zie hiervoor onder 4.36 en 4.53). Die vorderingen van RPZ zijn derhalve reeds teniet gegaan. Om die reden zou beslaglegging door de Curatoren ten laste van de Specialisten c.s. ter zake van het op de derdengeldenrekening gestorte aan de Specialisten c.s. toekomende honorarium in de visie van de rechtbank niet mogelijk zijn.

4.77.De rechtbank deelt evenmin de visie van de Curatoren dat op het aan de Specialisten c.s. te betalen bedrag in mindering dient te worden gebracht een redelijke bijdrage in de kosten die de boedel heeft moeten maken om het honorarium bij de zorgverzekeraars te innen, voor zover de Curatoren daarmee aanspraak zouden willen maken op meer dan 1,5% van dat bedrag. De Curatoren hebben er immers voor gekozen om met de Specialisten c.s. overeen te komen dat die redelijke bijdrage werd gemaximeerd op 1,5% (zie hiervoor onder 4.67, 4.68 en 4.70). Daar zijn de Curatoren aan gebonden. De enkele omstandigheid dat de kosten kennelijk hoger zijn gebleken dan destijds werd verwacht is geen reden om gebondenheid aan die afspraken onaanvaardbaar te achten.

4.78.De rechtbank zal de vorderingen als vermeld onder 3.4 derde en vierde alinea en 3.5 derde, vierde en vijfde alinea toewijzen in de vorm als hierna onder de beslissing geformuleerd.

4.79.Het is in lijn met de voorafgaande aan de incasso van het onderhanden werk tussen de Specialisten c.s. en de Curatoren gemaakte afspraken dat er binnen afzienbare termijn een afwikkeling met betrekking tot de op de derdengeldenrekening gestorte bedragen plaatsvindt (zie hiervoor onder 2.15 onder 2, 2.16 onder het kopje “Declareren en incasseren via de boedel” en 2.17 onder 2). Naar het oordeel van de rechtbank ligt het in de rede dat partijen op basis van dit vonnis met elkaar in overleg treden teneinde te bezien of afwikkeling in der minne thans op korte termijn mogelijk is. De geformuleerde veroordeling heeft mede tot doel partijen daartoe aan te sporen en heeft in zoverre wellicht meer symbolische dan praktische betekenis. Concrete executie zou immers slechts mogelijk zijn nadat het aan de Specialisten c.s. toekomende deel zou zijn vastgesteld, hetgeen voor de rechtbank op basis van de vorderingen zoals die zijn ingesteld en het door partijen over en weer aangevoerde als gezegd thans niet mogelijk is.

4.80.De rechtbank zal dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Financiële afwikkeling tussen de Curatoren en de Specialisten c.s. is zinvol, omdat dan vervolgens ook de financiële afwikkeling tussen de maatschappen en de specialisten kan plaatsvinden. De enkele mogelijkheid dat in hoger beroep wellicht over sommige geschilpunten anders wordt geoordeeld weegt niet zwaar genoeg om de financiële afwikkeling, die inmiddels reeds geruime tijd op zich laat wachten, nog langer uit te stellen. Dat enig restitutierisico bestaat doet daaraan niet af.

4.81.In reconventie zijn partijen over en weer deels in het ongelijk gesteld. De proceskosten in reconventie zullen daarom worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie:

5.1.wijst de vorderingen af;

5.2.veroordeelt de Curatoren in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de Stafmaatschap c.s. begroot op € 2.791,00 en aan de zijde van de maatschap KNO c.s. begroot op € 2.172,00;

in reconventie:

5.3.veroordeelt de Curatoren om het honorariumdeel van het onderhanden werk van RPZ over 2012 en 2013 dat volgens de daarover tussen partijen gemaakte afspraken reeds door de zorgverzekeraars op de derdengeldenrekening van de Curatoren is overgemaakt dan wel daarop nog zal worden overgemaakt, verminderd met 1,5% aan kosten en het aandeel van de kaakchirurg, te doen uitbetalen aan de Specialisten c.s. door middel van uitbetaling aan de Stafmaatschap, zulks binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis;

5.4.compenseert de kosten tussen partijen, zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in conventie en in reconventie:

5.5.verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en mr. P.E. van Althuis en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2018.
[1729;106;2992]

Onderzoeker Ch. Bekker UMCU: ‘Zorg 40 miljoen euro kwijt door verspilling medicijnen’

Onderzoeker: ‘Zorg 40 miljoen euro kwijt door verspilling medicijnen’

Jaarlijks wordt er zo’n 40 miljoen euro aan medicijnen onnodig verspild in Nederland, zegt onderzoeker Charlotte Bekker van het UMC Utrecht in een interview met Trouw. Bekker heeft voor haar onderzoek 41 apotheken onderzocht.

Onderzoekers raamden eerder nog dat jaarlijks voor circa 100 miljoen euro aan medicijnen wordt weggegooid.

Volgens Bekker verdwijnt ongeveer 40 procent van ongebruikte medicijnen onnodig in de prullenbak. Ze liet de apotheken een week lang bijhouden in welke situaties patiënten ongebruikte medicijnen terugbrachten.

In een week tijd brachten patiënten ruim 750 geneesmiddelen terug. In vier op de tien gevallen had de verspilling volgens Bekker voorkomen kunnen worden. De patiënten hadden te veel medicijnen mee naar huis gekregen.

“We moeten niet meer op de automatische piloot medicatie meegeven”, zegt Bekker. “Als een patiënt bijvoorbeeld later die week de uitslagen van onderzoeken krijgt, is het niet handig om voor drie maanden medicijnen mee te geven. Kies dan voor een voorraad van een week.”

Met name met het verstrekken van nieuwe, dure medicijnen wordt veel geld verspild. Hierbij moet gedacht worden aan reuma- of kankermedicatie. Bekker benaderde zeventig patiënten die recent met deze medicijnen gestopt waren. De helft hiervan had nog medicijnen over. De waarde was gemiddeld 1.100 euro per patiënt.

Onaangebroken medicijndoosjes moeten opnieuw uitgegeven worden

Een van de oplossingen die de UMC-onderzoeker aandraagt is het opnieuw uitgeven van onaangebroken doosjes  van deze dure medicijnen. “Je kunt gesealde verpakkingen uitgeven, zodat je kunt zien dat de doosjes onaangebroken zijn”, zegt Bekker in Trouw.

Voor minder dure medicijnen is deze oplossing echter financieel niet houdbaar. “Bij goedkope medicatie is dit niet rendabel, maar bij dure geneesmiddelen levert dit systeem veel meer op dan dat het kost.”

 

Artsen leerden niets van medische fouten bij Regina Hankes-Zwart

Ter herinnering aan Regina Hankes-Zwart
13 november 1919-14 augustus 2002

                                                   Zij was slachtoffer van medische fouten.
Haar aandenken zij tot zegen.
                      

 Powerpoint presentatie Artsen en Centraal Medisch Tuchtcollege nalatig

1. Overdosis hoge bloeddrukmedicatie door cardiologen Aouw Yong en Uppal: niervergiftiging en bijna overlijden
Gevolg: noodzaak opname intensive care, 3 maanden ziekenhuisopname en 2 maanden opname revalidatiecentrum

2. Slecht behandelde hoge bloeddruk door huisartsen
Gevolg: meerdere herseninfarcten, leidend tot tetraplegie en locked-in

3. Urineweginfecties te laat behandeld in ziekenhuis
Gevolg: sepsis, wekenlange ziekenhuisopname

4. Longontsteking te laat en niet adequaat behandeld in revalidatiecentrum
Gevolg: sepsis en septische shock, bijna overlijden, wekenlange ziekenhuisopname
Deze medische fouten zijn nooit onderzocht.
Artsen hebben niet geleerd van deze medische fouten.
Er is geen informatie verstrekt aan het slachtoffer van deze medische fouten.
Er zijn geen excuses aangeboden aan het slachtoffer van deze medische fouten.
Na de medische fout bleken de medische dossiers onvolledig en incorrect.
Na de medische fout heeft dit slachtoffer van medische fouten nooit meer adequate medische behandeling gekregen, waardoor zij tetraplegie verlamming armen en benen kreeg en locked-in patiente werd..
De Inspectie Gezondheidszorg hield zich volledig afzijdig.
Het medisch tuchtcollege Eindhoven en het Centraal Tuchtcollege te Den Haag spraken de betrokken cardiologen Aouw Yong en Uppal volledig vrij, ondanks de aantoonbare ernstige medische fouten. Bij een congres van de KNMG in 2006 werd de vrijspraak door het Centraal Tuchtcollege door de aanwezige artsen volledige afgewezen.
NB Prof.Freek Verheugt cardioloog UMC Nijmegen zei in een telefoongesprek dat deze cardiologen stonden als de slechtste cardiologen van Nederland.
Prof. Fr Verheugt weigerde om als expert voor het slachtoffer op te treden.
Collega-cardiologen zwegen en lieten deze bekende disfunctionerende cardiologen jarenlang hun gang gaan, ten koste van de veiligheid van patiënten.

Rechtszaak vrije artsenkeuze niet gecontracteerde zorg: ‘Er staat veel op het spel’

Rechtszaak vrije artsenkeuze: ‘Er staat veel op het spel’

Het proefproces van de stichting vrije artsenkeuze gaat maandag van start. In de zaak tegen de vier grote zorgverzekeraars draait alles om de vergoeding van niet gecontracteerde zorg. Advocaat Koen Mous van de Stichting Vrije Artsenkeuze: ‘Deze procedure raakt de kern van ons zorgstelsel en gaat daarom iedereen aan.’

De rechtszaak is in december 2017 aangespannen door de Stichting Vrije Artsenkeuze tegen VGZ en Menzis. Gedurende dit jaar hebben de centrale zorgverzekeraarsgroep, CZ en Zilveren Kruis zich bij de zaak gevoegd. Zilveren Kruis voert daarnaast nog een zelfstandig verweer.

Generieke korting

Mous: ‘De Stichting eist onder meer dat zorgverzekeraars geen generiek kortingspercentage meer mogen toepassen bij niet-gecontracteerde zorg. Bovendien eist de Stichting dat een eventuele korting wordt toegepast op reële tarieven en niet op fictieve, niet te controleren tarieven, zoals nu gebeurt.’

Artikel 13 Zvw

Het recht op vrije artsenkeuze is verankerd in artikel 13 van de Zorgverzekeringswet. Hoewel verzekerden vaak kiezen voor een gecontracteerde aanbieder, kan het voorkomen dat zij naar hun idee beter zijn geholpen in bijvoorbeeld een zelfstandig behandelcentrum, dat niet is gecontracteerd. In de huidige situatie moet de verzekerde dan een deel van de behandeling zelf betalen. Verzekeraars bepalen de hoogte van deze vergoeding.

Hinderpaalcriterium

In de wet staat dat deze vergoeding niet zo laag mag zijn, en het eigen te betalen deel niet zo hoog, dat het een hinderpaal vormt om naar deze niet gecontracteerde zorgverlener te gaan. Momenteel is de minimale vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg 75 procent.  Eind 2014 was artikel 13 bijna afgeschaft. Nadat de Tweede Kamer met een voorstel tot wijziging had ingestemd, schoot de Eerste Kamer het voorstel op 16 december onverwacht af. Artikel 13 bleef zoals het was en dus het hinderpaalcriterium ook.

Vrije artsenkeuze

De stichting vrije artsenkeuze betoogt dat behoud van artikel 13 niet alleen in het belang is van individuele verzekerden, maar ook cruciaal is voor het goed functioneren van het zorgstelsel. ‘De vrije artsenkeuze zorgt voor een machtsevenwicht tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars, maakt het mogelijk voor nieuwe zorgverleners de markt te betreden en biedt ook aanbieders die geen contract krijgen een mogelijkheid om zorg te leveren aan patiënten’. Volgens de stichting vrije artsenkeuze willen zorgverzekeraars graag zo snel mogelijk van artikel 13 af.

Niet gecontracteerde zorg

De stichting betoogt dat ‘de ongecontracteerde zorgaanbieder’ niet bestaat. ‘Veel zorgaanbieders worden namelijk door sommige zorgverzekeraars gecontracteerd maar door andere niet. Met kwaliteit heeft dat vaak niets te maken. De reden dat een zorgaanbieder niet gecontracteerd wordt, is veelal dat geen overeenstemming wordt bereikt over het door de zorgverzekeraar opgelegde omzetplafond. Het feit dat een zorgaanbieder vaak slechts deels niet-gecontracteerd is, laat al zien dat het onzinnig is om te doen alsof de ‘niet-gecontracteerde aanbieder’ duurder, slechter of frauduleuzer zou zijn.’

VGZ en Menzis

VGZ en Menzis reageren als volgt: ‘Stichting Handhaving Vrije artsenkeuze stelt dat zorgverzekeraars klanten beperken in hun keuze. Zij willen dat mensen zonder enige financiële beperking  naar alle artsen, instellingen, klinieken en overige zorgverleners kunnen gaan. Onbeperkte keuzevrijheid. Wij stellen dat wij voldoende keuzemogelijkheden moeten bieden en dat ook doen. Door contracten af te sluiten met zorgaanbieders kunnen we onze rol als verzekeraar invullen. Alleen zo kunnen wij namelijk afspraken maken over de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg. Geen onbeperkte keuzevrijheid dus, maar uitstekende keuzemogelijkheden met borging van kwaliteit en betaalbaarheid.’

Verzekerden

‘Onze klanten hebben recht op zorg. Dat betekent dat de zorg ook van uitstekende kwaliteit moet zijn en tevens toegankelijk en betaalbaar is. Dat is de verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraars. Het is onze wettelijke taak om toe te zien op de betaalbaarheid én toegankelijkheid van zorg, en ter uitvoering van die plicht maken wij afspraken met zorgaanbieders. De vorm van die afspraken is een contract, met daarin afspraken over de kwaliteit, toegankelijkheid en de tarieven van die zorg.’

‘Een naturaverzekering veronderstelt dat de verzekerde naar een gecontracteerde zorgaanbieder gaat. Door middel van het maken van afspraken over kwaliteit, doelmatigheid en de kosten van de verleende zorg, willen de zorgverzekeraars de kosten van de zorg in de hand houden. In dat licht vinden we het reëel dat een verzekerde die naar een niet gecontracteerde zorgaanbieder gaat, een deel van de kosten voor eigen rekening neemt. Dit omdat het anders voor de zorgaanbieder niet meer aantrekkelijk zal zijn om een overeenkomst te sluiten en de zorgverzekeraar daarmee niet meer de haar toebedeelde rol in het stelsel kan vervullen.’

Vergoeding

‘Klanten kunnen uiteraard kiezen voor zorg die geleverd wordt door niet-gecontracteerde aanbieders. Bij een restitutiepolis geldt een volledige vergoeding. Bij de naturapolis hoeven zorgverzekeraars niet alles te vergoeden. We hebben in het verleden 60% als grens gehad, dat vonden wij acceptabel. We sluiten in de toekomst niet uit dat we voor sommige zorgsoorten zelfs nog lager kunnen. Bij 65 procent hebben we ook nog een hardheidsclausule waar klanten een beroep op kunnen doen. Bovendien: er is meer dan voldoende keuze in gecontracteerde zorg, wat wel volledig vergoed wordt. Zo voeren wij onze rol uit als zorgverzekeraar om te verwijzen naar goede en doelmatige zorg. Dat is echt onze wettelijke taak.’

Zilveren Kruis

Zilveren Kruis vordert het recht om het gemiddeld gecontracteerde tarief als uitgangspunt te nemen om de hoogte van de vergoeding te bepalen bij zorg die niet is gecontracteerd. Het gemiddeld gecontracteerde tarief is door Zilveren Kruis in de polisvoorwaarden gedefinieerd.

De advocaten van de centrale zorgverzekeraarsgroep en Zilveren Kruis willen nog niet inhoudelijk reageren.

Raad van State: publicatie tuchtmaatregel tegen arts E. Kuyken in BIG-register blijft gehandhaafd

De Raad van State oordeelde op 10 oktober 2018 dat de publicatie van de berisping in het BIG-register opgelegd aan arts E. Kuyken, door het Centraal Tuchtcollege 7 juli 2016 gehandhaafd blijft.

Volgens de Raad van State is in navolging van het terechte oordeel van de rechtbank Den Haag 9 nov. 2017 AWB 17-440 de minister niet bevoegd om de tuchtrechtelijke uitspraak inhoudelijk te beoordelen en zo nodig de categorieomschrijving op andere wijze in het BIG-register aan te tekenen dan het CTG heeft vermeld.
De minister is op grond van artikel 9 van de Wet BIG gehouden om de opgelegde maatregel en de aard van het vergrijp dat tot de aantekening heeft geleid in het register aan te tekenen zoals het CTG dat aan de minister heeft gemeld.
De publicatie van de berisping van arts E. Kuyken in het BIG-register blijft ongewijzigd gehandhaafd.

Toelichting SIN-NL
Op 7 juli 2016 besliste het Centraal Tuchtcollege (CT) dat aan arts E. Th Kuyken, werkzaam als adviserend geneeskundige bij de GGD Haaglanden een berisping werd opgelegd.

In 2013 vroeg een patient (1971) sinds 1995 getroffen door een dwarslaesie en volledig rolstoelgebonden bij de Gemeente vergoeding van extra bewassings- en slijtagekosten van kleding en beddengoed en extra stookkosten.
Kuyken vroeg geen nadere specifieke informatie op bij de behandelend revalidatie- arts en week desalniettemin af van het advies van de revalidatiearts.
Kuyken adviseerde tot afwijzing van het verzoek van vergoeding.
Naar het oordeel van het CT onterecht:
“Nu de arts dit heeft nagelaten, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de arts een onvoldoende diepgaand en zelfstandig onderzoek heeft verricht en ten onrechte heeft beargumenteerd waarom hij niet de mate van incontinentie zoals gesteld door revalidatiearts I. onverkort heeft overgenomen”.
Er volgde een berisping en publicatie in het BIG-register.

Arts Kuyken probeerde bij de Minister de publicatie te laten verwijderen, tevergeefs.
Kuyken probeerde via de rechtbank Den Haag om de publicatie te laten verwijderen, tevergeefs.
Kuyken probeerde de Raad van State om de publicatie te laten verwijderen, tevergeefs.

Al met al toont arts Kuyken een enorm gebrek aan zelfreflectie en een enorme gedrevenheid om zijn gelijk te halen.
Wat dreef hem om aan een patiënt met een dwarslaesie een relatief geringe vergoeding van extra bewassings- en slijtagekosten van kleding en beddengoed en extra stookkosten, zo onterecht te weigeren?
De berisping, publicatie in het BIG-register en publicatie op zwartelijstartsen.nl zijn volkomen rechtmatig.

BIG-register

Naam: 
Kuyken Erik Theodoor
Geslacht
: Man
BIG-nummer
19022311201
Beroepsgroep
 Artsen
Plaats 
Den Haag
Aantekening
Bij de inschrijving in het register van artsen is per 7 juli 2016 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: onjuiste behandeling en/of verkeerde diagnose.

Zie hieronder:
tekst uitspraak Raad van State 10 oktober 2018 publicatie berisping blijft gehandhaafd
tekst uitspraak Centraal Tuchtcollege 7 juli 2016 berisping
Nog niet beschikbaar
-Tuchtcollege te Den Haag 16 december 2014, 2013-305 afwijzing van klacht door patient.
-Rechtbank Den Haag 9 nov. 2017 AWB 17-440 ECLI:NL:RBDHA:2017:12994 publicatie berisping blijft gehandhaafd

Uitspraak Raad van State  201709811/1/A2 Datum uitspraak: 10 oktober 2018

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 november 2017 in zaak nr. 17/440 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister voor Medische Zorg.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2016 heeft de minister de aan [appellant] door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: CTG) opgelegde berisping per 7 juli 2016 aangetekend in het BIG-register.

Bij besluit van 7 december 2016 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 november 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2018, waar [appellant], vergezeld van [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A.H. Gatzen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is als arts werkzaam bij de GGD Haaglanden, waar hij vooral een medisch adviserende taak heeft. Tegen hem is een tuchtklacht ingediend. Het CTG heeft de klacht in hoger beroep bij uitspraak van 7 juli 2016 (ECLI:NL:TGZCTG:2016:240) gegrond verklaard en aan hem de maatregel van berisping opgelegd. Daarbij heeft het CTG in het begeleidend formulier aanbieding beslissing aan BIG-register de categorieomschrijving ‘onjuiste behandeling/verkeerde diagnose’ en ‘afgifte van een onjuiste verklaring of rapport’ vermeld als aard van het vergrijp die tot de maatregel van berisping heeft geleid.

2. Bij besluit van 11 juli 2016, gehandhaafd bij besluit van 7 december 2016, heeft de minister op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) de aan [appellant] door het CTG opgelegde berisping per 7 juli 2016 aangetekend bij zijn inschrijving in het BIG-register. Aan die besluitvorming heeft de minister ten grondslag gelegd dat hij op grond van de Wet BIG en het Registratiebesluit BIG, als aan de daarin vermelde voorwaarden is voldaan, is gehouden om de maatregel aan te tekenen in het BIG-register. De minister heeft zich bij de aantekening van de berisping in het BIG-register gebaseerd op de door het CTG vermelde categorieomschrijvingen van de aard van het vergrijp waarvoor aan [appellant] een maatregel is opgelegd. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat deze categorieomschrijvingen aansluiten bij de inhoud van de tuchtrechtelijke uitspraak. Daarmee zijn volgens de minister de categorieomschrijvingen niet evident onjuist gekwalificeerd en bestaat geen ruimte om daarvan af te wijken.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de categorieomschrijvingen niet evident onjuist zijn gekwalificeerd. Er is volgens [appellant] voldoende reden om in zijn specifieke geval de categorieomschrijving ‘afgifte van een onjuiste verklaring of rapport’ te schrappen. Het oordeel van het CTG weerspiegelt niet hetgeen volgens hem in werkelijkheid aan de hand is geweest. Hij stelt een zeer overzichtelijk en degelijk beargumenteerd advies te hebben uitgebracht. Daarom is de door het CTG gegeven categorieomschrijving een evident onjuiste kwalificatie, zodat de minister hiervan had moeten afwijken. Door de categorieomschrijving ‘afgifte van een onjuiste verklaring of rapport’, die de minister na zijn bezwaar aan het BIG-register heeft toegevoegd, is hij in een veel ongunstiger positie komen te verkeren. En dat terwijl het voor de minister toentertijd ook al duidelijk moet zijn geweest dat de beide categorieën zijn feitelijke handelen helemaal niet weergaven. Daarbij komt dat een bij de GGD werkzame arts in het algemeen adviserend werkzaam is en zijn verklaringen en rapportages betrouwbaar en geloofwaardig dienen te zijn. De vermelding van beide categorieën in het BIG-register ondermijnen de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van zijn werkzaamheden in ernstige mate, waardoor de daarop gebaseerde besluitvorming ook kan worden aangetast. Bovendien bestaat, gelet op de omstandigheid dat hij nogal eens onwelgevallig voor cliënten die onterecht voorzieningen claimen adviseert, een grote kans dat meer klachten zullen worden ingediend waardoor hij verder in zijn werkzaamheden zal worden belemmerd. Overigens is ook de categorieomschrijving ‘onjuiste behandeling en/of verkeerde diagnose’ ten onrechte opgenomen en dient de maatregel van berisping ook niet in het BIG-register te worden aangetekend, omdat het oordeel van het CTG volgens hem niet is gebaseerd op de werkelijkheid en hij geen berisping verdient.

3.1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage is onderdeel van deze uitspraak.

3.2. Het betoog van [appellant] komt er hoofdzakelijk op neer dat hij het niet eens is met de uitspraak van het CTG en de gang van zaken in die procedure. Die uitspraak is echter in hoogste tuchtrechterlijke instantie gewezen. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, is de minister niet bevoegd om de tuchtrechtelijke uitspraak inhoudelijk te beoordelen en zo nodig de categorieomschrijving op andere wijze in het BIG-register aan te tekenen dan het CTG heeft vermeld.
 De minister is op grond van artikel 9 van de Wet BIG gehouden om de opgelegde maatregel en de aard van het vergrijp dat tot de aantekening heeft geleid in het register aan te tekenen zoals het CTG dat aan de minister heeft gemeld. Daarmee heeft de minister ook niet de vrijheid om rekening te houden met de gevolgen die een aantekening van een maatregel en/of vermelding van de aard van het vergrijp in het BIG-register met zich brengen.

Voor zover de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat hij het bestendig beleid hanteert om bij het overnemen van de aard van het vergrijp altijd te toetsen of de categorieomschrijving niet evident onjuist is gekwalificeerd, impliceert dit niet dat de minister, zoals [appellant] wel lijkt voor te staan, een inhoudelijk oordeel geeft over die kwalificatie. Het beleid voorziet enkel in een controle op hoofdlijnen of de categorieomschrijvingen overeenstemmen met hetgeen in de uitspraak van het CTG is overwogen met als doel om te voorkomen dat evidente verschrijvingen op het formulier aanbieding beslissing CTG aan BIG-register in het register worden overgenomen. Dat betekent dat de minister niet zelf bevoegd is om een andere categorieomschrijving van de aard van het vergrijp in het BIG-register te vermelden. Nu in dit geval de categorieomschrijvingen van de aard van het vergrijp hun grondslag vinden in de uitspraak van het CTG, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van evident onjuiste categorieomschrijvingen als vorenbedoeld geen sprake is.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Rijsdijk
lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2018

705.

BIJLAGE – Wettelijk kader

Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg

Artikel 9

1. In het register wordt, indien zulks voortvloeit uit een op grond van deze wet genomen maatregel of besluit, een aantekening geplaatst van:

[…]

b. een aan de ingeschrevene opgelegde berisping;

[…]

5. De in het eerste lid, onderdeel a tot en met j, en de in het tweede lid bedoelde aantekening wordt gedurende een bij algemene maatregel van bestuur bepaalde termijn in het register vermeld en daarbij wordt indien bekend de aard van het vergrijp vermeld dat tot de aantekening heeft geleid.

Artikel 10

1. Iedere inschrijving, aantekening of doorhaling in een register geschiedt op grond van een daartoe strekkende gedagtekende beschikking.

[…]

Artikel 11

1. Onze minister draagt zorg voor openbare kennisgeving van:

a. hetgeen op grond van artikel 9 in het register is aangetekend en vermeld, met dien verstande dat van de aan een ingeschrevene opgelegde voorwaarden uitsluitend wordt kennisgegeven in de bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen;

[…]

2. In de openbare kennisgeving worden de naam en de woonplaats van de betrokkene vermeld. De openbare kennisgeving geschiedt op bij algemene maatregel van bestuur te regelen wijze en voor de daarbij vast te stellen duur, met dien verstande dat de kennisgeving in ieder geval in de Staatscourant geschiedt.

Artikel 47

1. Degene die in een der in het tweede lid vermelde hoedanigheden in een register ingeschreven staat, is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van:

a. enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij in die hoedanigheid behoort te betrachten ten opzichte van:

1˚. degene, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand hij bijstand verleent of zijn bijstand is ingeroepen;

2˚. degene die, in nood verkerende, bijstand met betrekking tot zijn gezondheidstoestand behoeft;

3˚. de naaste betrekkingen van de onder 1˚ en 2˚ bedoelde personen;

b. enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg.

2. De in het eerste lid bedoelde hoedanigheden zijn die van:

arts,

[…].

3. De tuchtrechtspraak wordt in eerste aanleg uitgeoefend door regionale tuchtcolleges en in beroep door een centraal tuchtcollege.

[…].

Artikel 48

1. Het berechtende college kan ten aanzien van een aan de tuchtrechtspraak onderworpen persoon een van de volgende tuchtrechtelijke maatregelen opleggen:

[…]

b. berisping;

[…].

Registratiebesluit BIG

Artikel 5

[…]

2. Van de gegevens, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet, de gegevens omtrent alle voorwaarden daaronder begrepen, wordt openbaar kennis gegeven:

a. door middel van publicatie in een of meer dag- of weekbladen die worden verspreid in het gebied waarin de betrokkene zijn beroep uitoefent, en

b. door middel van publicatie op daartoe bestemde websites op internet.

3. Voor de openbare kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, onder b, en de aantekening in het BIG-register, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet, geldt dat deze raadpleegbaar zijn voor:

[…]

b. een berisping: gedurende 5 jaar;

———————
https://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI_NL_TGZCTG_2016_240

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2015.115 van:
A., wonende te B., gemeente C., appellant, klager in eerste aanleg, gemachtigde: mr. Y.H.G. van der Hut te Den Haag,
tegen
D., arts, werkzaam te E., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. C.M.H. van Vliet te Den Haag.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klager – heeft op 17 december 2013 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen D. – hierna de arts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 16 december 2014, onder nummer 2013-305 heeft dat College de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 2 juni 2016, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de arts, eveneens bijgestaan door zijn gemachtigde.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
2.1 Klager, geboren op 8 mei 1971, heeft sinds een auto-ongeluk in 1995 een dwarslaesie op niveau Th. 10, motorisch compleet, sensibel incompleet, en is als gevolg hiervan volledig rolstoelgebonden.
2.2 Verweerder is als adviserend geneeskundige werkzaam bij de F.,G., welke organisatie per 1 januari 2014 is opgegaan in F.,H.
2.3 Klager heeft bijzondere bijstand aangevraagd bij de gemeente C. (hierna te noemen: de gemeente) in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) voor extra bewassings- en slijtagekosten van kleding en beddengoed en extra stookkosten.
2.4 De gemeente heeft bij brief van 2 augustus 2013 in het kader hiervan verweerder verzocht een sociaal medisch advies bijzondere bijstand uit te brengen over klager voor extra bewassings- en slijtagekosten, alsmede extra energiekosten.
2.5 In verband hiermee heeft klager het spreekuur van verweerder bezocht op
11 september 2013 en heeft verweerder informatie opgevraagd bij de door klager opgegeven revalidatiearts. Uiteindelijk heeft verweerder op 12 november 2013 informatie ontvangen van een andere revalidatiearts, mevrouw I.
2.6 Op 15 november 2013 heeft verweerder ‘Advies bijzondere bijstand’ uitgebracht. Verweerder concludeert daarbij:
2.7 “(…) is het aannemelijk dat er regelmatig incontinentieproblematiek voorkomt. Echter belanghebbende is wel in staat te achten effectief/efficient met incontinentiemateriaal om te gaan, zodat extra kosten vanwege het vaker bewassen en de in meerdere mate optredende slijtage van kleding en beddengoed op hooguit incidentele basis, (…) zijn te vergoeden.”
2.8 Verweerder heeft herbeoordeling over twee jaar geadviseerd.
3. De klacht
Klager verwijt verweerder zakelijk weergegeven dat hij heeft geweigerd cruciale informatie op te vragen bij een behandelend arts. Verder heeft verweerder ten onrechte niet de mate van incontinentie zoals gesteld door revalidatiearts I. overgenomen.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 De gemeente beslist over de vraag of klager voor vergoeding van extra bewassings- en slijtagekosten in aanmerking komt. Het is de taak van de arts om een medisch advies uit te brengen, indien de gemeente dat in het kader van de uitvoering van de Wet werk en bijstand (Wwb) verzoekt. Anders dan verweerder betoogt heeft klager zijn klacht voldoende geformuleerd en met de beschikbare gegevens kan het College hierover een uitspraak doen. Klager is dan ook ontvankelijk in zijn klacht.
5.2 Uitgaande van de feiten en de overgelegde stukken stelt het College vast dat de door verweerder verrichte medische onderzoeken zijn uitgevoerd volgens de normen van de beroepsgroep. Voor het uitbrengen van de adviezen heeft verweerder gebruik gemaakt van een (standaard) formulier. De (werk)aantekeningen van verweerder van zijn onderzoeken hebben als grondslag hiervoor gediend.
In het kader van de beoordeling of een vergoeding van extra bewassings- en slijtagekosten medisch noodzakelijk is, heeft verweerder klager onderzocht en voorts gebruik gemaakt van informatie die hij heeft opgevraagd bij de revalidatiearts. Verweerder heeft zich daarbij zowel tot revalidatiearts J. als revalidatiearts I. gewend. Bij brief van 11 november 2013 heeft I. verweerder informatie verstrekt. Tevens heeft op 15 november 2013 telefonisch contact plaatsgehad tussen verweerder en I..
Het is het College niet gebleken dat verweerder onzorgvuldig onderzoek heeft verricht en de aandoeningen en beperkingen van klager onjuist heeft voorgesteld. Verweerder heeft – gelet op de door hem opgevraagde medische informatie en zijn eigen onderzoek – op goede gronden tot zijn advies kunnen komen.
5.3 De verklaring van J. van 6 mei 2013, waarnaar klager verwijst, doet aan het voorgaande niet af. Verweerder heeft zich bij het opvragen van informatie tot J. gewend. Deze verwees verweerder echter door naar I.. De daarop ontvangen brief van 11 november 2013 van I. is vervolgens van recentere datum dan de verklaring van J. van 6 mei 2013. Verweerder mocht en kon zich voor zijn advies dan ook baseren op de informatie van I..
5.4 Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1 Klager beoogt met zijn beroep zijn klacht in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert (impliciet) tot gegrond verklaring van het beroep.
4.2 De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van het beroep althans het beroep als kennelijk ongegrond niet verder in behandeling te nemen.

4.3 Voor zover de arts ter zitting in beroep heeft betoogd dat klager zijn klacht in beroep heeft uitgebreid en dat hij daarom niet kan worden ontvangen in zijn beroep, overweegt het Centraal Tuchtcollege dat voldoende aannemelijk is dat klager in beroep uitsluitend heeft beoogd de grondslag van zijn klacht uit te breiden, zodat het Centraal Tuchtcollege aan deze stelling van de arts voorbijgaat.
4.4 Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel, waarin klager aanvoert dat de arts ten onrechte heeft geweigerd cruciale informatie op te vragen bij een behandelend revalidatiearts, overweegt het Centraal Tuchtcollege dat de behandeling van de zaak in beroep geen aanleiding geeft tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep op dit onderdeel moet worden verworpen.
4.5 In zijn tweede klachtonderdeel verwijt klager de arts dat hij in zijn advies inzake bijzondere bijstand van 15 november 2013 niet de mate van incontinentie, meer in het bijzonder de frequentie dat klager kleding of beddengoed moet verschonen in verband met zijn incontinentie (verder ook: ongelukjes), heeft overgenomen, zoals deze is vastgesteld door de behandeld revalidatiearts van klager, drs. I.
In het advies van 15 november 2013 van de arts is in dit kader het volgende te lezen:
“Met betrekking tot extra kosten vanwege bewassing en slijtage van kleding en beddengoed, is het aannemelijk dat er regelmatig incontinentieproblematiek voorkomt. Echter, belanghebbende is wel in staat te achten effectief/efficient met incontinentiemateriaal om te gaan, zodat extra kosten vanwege het vaker bewassen en de in meerdere mate optredende slijtage van kleding en beddengoed op hooguit incidentele basis, zie ook de tekst in uw aanvraag, zijn te vergoeden.”
4.6 Bij brief van 11 november 2013 heeft drs. I. aan de arts onder meer het volgende bericht:
“Incontinentie: bij patiënt is sprake van neurogenen blaas en darmstoornissen ten gevolge van de dwarslaesie waardoor er sprake is van stress en urge incontinentie op onverwachte momenten. Dit komt regelmatig voor.”
Daarbij is het Centraal Tuchtcollege uitgegaan van de tekst van deze brief zoals deze in eerste aanleg door klager als productie bij zijn klaagschrift is overgelegd en in beroep door de arts als productie 4 bij het verweerschrift, nu deze gelijkluidend zijn en afwijken van de in hoger beroep als productie 11 bij het beroepschrift overgelegde versie van deze brief.
4.7 In de handgeschreven aantekeningen van de arts naar aanleiding van het verrichte onderzoek op 11 september 2013 wordt ten aanzien van de frequentie van incontinentie niet of onvoldoende duidelijkheid geboden.
4.8 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat uit deze aantekeningen van de arts niet valt af te leiden met welke frequentie klager wordt geconfronteerd met ongelukjes. Desgevraagd heeft de arts ter zitting in beroep ook geen nadere toelichting kunnen geven over de betekenis van de door hem gemaakte aantekeningen. De arts heeft ter zitting voorts verklaard dat hij deze frequentie bij klager blijkbaar onvoldoende heeft uitgevraagd. Het Centraal Tuchtcollege is onder deze omstandigheden van oordeel dat de arts de frequentie en mate van ongelukjes van klager nader had moeten bevragen, alvorens hij tot een gefundeerd advies had kunnen komen. Het maakt immers nogal een verschil of incidenten dagelijks, wekelijks of met een mindere frequentie plaatsvinden, waarbij ook de mate van urine en ontlastingverlies van belang kan zijn. 
Nu de arts dit heeft nagelaten, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de arts een onvoldoende diepgaand en zelfstandig onderzoek heeft verricht en ten onrechte heeft beargumenteerd waarom hij niet de mate van incontinentie zoals gesteld door revalidatiearts I. onverkort heeft overgenomen. Voor zover de arts heeft willen betogen dat hij onder tijdsdruk heeft moeten handelen, omdat hij werd gemaand een advies uit te brengen, geldt dit in ieder geval niet voor het persoonlijke onderzoek dat hij op 11 september 2013 bij klager heeft verricht. Klachtonderdeel 2 is gelet op het voorgaande gegrond, zodat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege niet in stand kan blijven.
4.9 Ten aanzien van de zwaarte van de maatregel overweegt het Centraal Tuchtcollege dat de handelwijze van de arts zodanig verwijtbaar is dat niet kan worden volstaan met een waarschuwing. Het Centraal Tuchtcollege acht daarom de maatregel van berisping passend en geboden.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep;
en opnieuw rechtdoende: verklaart klachtonderdeel 2
alsnog gegrond;
legt aan de arts de maatregel van berisping op;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven door: mr. K.E. Mollema, voorzitter, mr. L.F. Gerretsen-Visser
en mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen, leden-juristen en drs. H.S. Boersma en
mr. drs. J.A.W. Dekker, leden-beroepsgenoten en mr. M. van Esveld, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2016.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.

Risico op hartklachten door gebruik van spierverslapper Inhibin

Het medicijn tegen spierkrampen Inhibin is voortaan alleen nog maar op recept verkrijgbaar. Mensen met een verhoogd risico op hartritmestoornissen die het middel gebruiken kunnen last krijgen van hartproblemen, waarschuwt het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) woensdag.

Het college baseert zich op een nieuw wetenschappelijk onderzoek. Daaruit blijkt dat de stof kinine in de tabletten zelfs een verhoogde kans op sterfte met zich meebrengt.

Patiënten met een verhoogd risico op hartritmestoornissen moeten volgens het CBG extra voorzichtig zijn met het medicijn. Inhibin wordt gebruikt voor de behandeling van nachtelijke beenkrampen.

Tot nu toe kon iedereen het middel zonder overleg met een dokter bij de apotheek kopen. “Doordat patiënten Inhibin nu op doktersrecept voorgeschreven krijgen, kunnen ze beter worden gecontroleerd op hartritmestoornissen of een verhoogd risico daarop”, aldus het CBG.
Uw browser is verouderd!

Update uw browser om deze website goed te bekijken. Update mijn browser nu

×