Cardioloog IJsselland ziekenhuis voorwaardelijk geschorst ivm dood 2 tieners

Commentaar SIN-NL

Schokkend: de onnodige dood van 2 tieners is slechts bestraft met:

——————————————-

Cardioloog voorwaardelijk geschorst na dood tieners

 
Roos Velthoven (16 jaar, links) en      Juri Rosvetov (19). © Privéfoto’s

Na twee foute diagnoses, die Rotterdammers Roos (16) en Juri (19) het leven kostten, is een cardioloog van het IJsselland Ziekenhuis in Capelle aan den IJssel dinsdag door de tuchtrechter berispt en voorwaardelijk geschorst. Dit betekent dat hij mag blijven werken, maar zich wel aan allerlei regels moet houden.

Je denkt: De dokter weet het beter dan jij

– Moeder van Juri

De tuchtrechter vindt deze zware maatregel nodig omdat hij in korte tijd twee keer in fout ging bij het beoordelen van hartfilmpjes, een essentieel onderdeel van de cardiologie. Dit rekent zij de cardioloog zwaar aan. Gaat de arts opnieuw in de fout, dan wordt hij geschorst.

De ouders stapten naar de tuchtrechter omdat de specialist de dood van hun kinderen in hun ogen had kunnen voorkomen. Zij zetten vraagtekens bij zijn geschiktheid als arts.

De cardioloog erkende bij de tuchtrechter dat hij een foute diagnose had gesteld. De twee Rotterdamse tieners waren daarom onwetend van hun ernstige hartaandoening. Na een controle in het ziekenhuis was geen alarm geslagen. Hun overlijden kwam dan ook uit het niets.

Roos Velthoven (16) sprong in 2013 op vakantie in Italië in het Lago Maggiore, toen haar hart stopte met kloppen. Juri Rosvetov (19) volgde vorig jaar een college aan de Erasmus Universiteit, toen hij opeens onwel werd. Voor beiden kwam de hulp te laat.

Cruciale rol
De slachtoffers kenden elkaar niet, maar dezelfde cardioloog speelde een cruciale rol bij het stellen van een verkeerde diagnose. Het leverde twee losse klachten op bij het Medisch Tuchtcollege.

De ouders van Roos stapten al eerder naar de tuchtrechter over fouten gemaakt door drie andere hartspecialisten van het IJssel. Een arts werd toen berispt, de andere twee kregen een waarschuwing. De berispte cardioloog had in strijd met de waarheid tegen de huisarts gesteld dat de juiste diagnose was gesteld en de Rotterdamse medicijnen kreeg.

Bij Juri gaf de cardioloog het foute oordeel over een hartfilmpje. Ook wist hij niet dat de jonge patiënt klaagde over hartkloppingen, terwijl zijn moeder zeker weet dat hij dit bij de arts vertelde. ,,Je denkt: De dokter weet het beter dan jij. We vertrouwden op hem,” zei zijn moeder bij de zitting tegen de tuchtrechter.

Hartfilmpje
Bij Roos was het deze cardioloog die als enige het hartfilmpje zag van een afgebroken fietstest, waarbij het meisje onwel werd. Daarna verdween het filmpje in het archief, zonder dat hij alarm had geslagen. De advocaat van de cardioloog stelde ter verdediging dat de dood van Roos en Juri ‘zeer ongelukkige incidenten’ waren. ,,Maar niets wijst op structureel disfunctioneren.”

De specialist werkt niet meer in het IJsselland Ziekenhuis, dat tal van maatregelen nam na de dood van de twee tieners. Hij werkt in het Maasstad Ziekenhuis in Rotterdam, waar jonge kinderen -net als nu in het IJsselland- altijd worden doorverwezen naar de kindercardioloog.

Lees ook

——————————————-
Cardioloog voorwaardelijk geschorst

Een cardioloog van het IJsselland Ziekenhuis in Capelle aan den IJssel is voorwaardelijk geschorst voor de tijd van een jaar, met een proeftijd van twee jaar. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag legt de arts de maatregel op na twee fatale fouten bij een meisje van vijftien jaar en een jongen van negentien.

 De jongen en het meisje hadden levensbedreigende hartritmestoornissen, maar deze werden niet door de arts als acuut geïnterpreteerd. Zij hadden direct opgenomen en moeten worden, maar dit gebeurde niet. De jonge mensen zijn daarna plotseling overleden.

Het college legde vorig jaar al tuchtrechtelijke maatregelen op aan drie collega’s van de arts, die in hetzelfde ziekenhuis bij de behandeling van het meisje waren betrokken en onvoldoende kritisch de bevindingen van de cardioloog hadden gevolgd. (ANP)
——–
Voorwaardelijke schorsing voor de vermijdbare dood van Juri, 19 jaar.
bron: tuchtrecht.overheid.nl ECLI:NL:TGZRSGR:2016:28 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2015-162
Klacht tegen cardioloog, omdat hij het ECG van een 19-jarige jongeman verkeerd heeft geïnterpreteerd.
Gegrond: De arts heeft ten onrechte de diagnose Wolff-Parkinson-White niet gesteld. Naar het oordeel van het college had hij moeten zien dat de patiënt kampte met deze levensbedreigende aandoening van zijn hart. De jongeman is vrij kort daarna overleden. Voorwaardelijke schorsing uit het BIG-register gedurende een jaar – met een proeftijd van twee jaar. Naast de algemene voorwaarde dat de cardioloog zich binnen de proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, stelt het college een aantal bijzondere voorwaarden op het gebied van nascholing, supervisie en controle door de Inspectie. Datum uitspraak: 15-03-2016 Datum publicatie: 15-03-2016 ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2016:28

volledige uitspraak 15 maart 2016  : bron overheid.tuchtrecht.nl

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klager,

tegen:

C, cardioloog,

werkzaam te B,

verweerder,

gemachtigde: mr. W.R. Kastelein, werkzaam te Zwolle.

1.           Het verloop van de procedure

 1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 6 juli 2015

– het verweerschrift met bijlagen

– de repliek met bijlagen

– de dupliek met bijlagen

– de brief met bijlage d.d. 13 november 2015 van de gemachtigde van verweerder

– de brief met bijlage d.d. 23 december 2015 van klager

– de brief d.d. 11 januari 2016 van de gemachtigde van verweerder.

1.2       De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.3       De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 19 januari 2016. De partijen, verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.Voorts werd mevrouw D, cardioloog, E te B, als door verweerder opgeroepen getuige gehoord.

 2.          De feiten

2.1             Klager is de vader van F (hierna: F), geboren in 1996 en overleden in 2015.

2.2       Op 18 maart 2011 meldde F zich op verwijzing van zijn huisarts tegen het einde van de middag bij de afdeling Spoedeisende Hulp (SEH) van het G. Blijkens de anamnese van de SEH-arts had F twee dagen ervoor steken op de borst gehad, evenals hartkloppingen en zag hij zwart voor de ogen.

Op het formulier ‘speciële anamnese’ is daarvan de volgende aantekening gemaakt:

“A/ 2 dg geleden i/d middag op de fiets plots stekende pijn retrosternaal + hartkloppingen. Nog nooit eerder gehad. Daarna zwart voor de ogen, is gaan zitten, trok weg. Wel zweten N – V- roken – drugs – alcohol –

fam: geen HVZ

afwijkend hartfilm bij STAR

Nu géén klachten”

Op de SEH is F getrieerd voor de cardiologie en gezien door een arts-assistent interne. Er is bloedonderzoek gedaan, een thoraxfoto gemaakt evenals een ECG. Op het ECG staat de volgende automatische beoordeling:

“SINUS RITME MET SINUSARITMIE MET KORT PR-INTERVAL

TYPE B WOLFF-PARKINSON-WHITE PATROON

GEEN VERDERE INTERPRETATIE MOGELIJK

ATYPISCH ECG”

De uitslag van het ECG is als volgt op het formulier ‘speciële anamnese’ genoteerd:

“ECG/ SR 68/min      QRS verlengd®LBTB

Korte PQ tijd”

Op de (slecht leesbare) doorslag van het SEH-formulier staat:

“Anamnese: 2 dg geleden stekende pob

Onderzoek: gb

(…)

ECG: LBTB

(…)”.

Naar aanleiding van de uitslagen van deze onderzoeken heeft de arts-assistent interne overlegd met de dienstdoende cardioloog. Besloten is F naar huis te laten gaan en terug te laten komen voor een poliklinische afspraak en nadere analyse.

2.3       Op 30 maart 2011 is F, nadat een ECG was gemaakt, op de poliklinische afspraak verschenen. Verweerder, sinds 2005 cardioloog, was de behandelend arts van F. Verweerder heeft de anamnese afgenomen, de (slecht leesbare) doorslag van het SEH-formulier bekeken evenals het die dag gemaakte ECG. Dit ECG heeft hij vergeleken met het op de SEH gemaakte ECG. De automatische beoordeling bovenaan het ECG heeft verweerder niet bekeken. Verweerder heeft het formulier ‘speciële anamnese’ niet tot zijn beschikking gehad.

Verweerder heeft het beeld op de ECG’s geïnterpreteerd als een linker bundel tak blok (LBTB).

Hij heeft het volgende in het poliklinisch verslag genoteerd:

“                                 ivm steken borst®

RR 111/63       GB

                        ECG                          LBTB!

(…)

A/ Nu geen steken meer                                             drugs –

collaps –

Sport GB                                                                   R/-

                                                                                  Roken –

(…)

/ECG   SR LBTB

                        X thorax GB

C/ LBTB”

Verweerder heeft nader onderzoek geadviseerd in de vorm van een echocardiografie en fietsergometrie. Deze onderzoeken hebben plaatsgevonden op 6 april 2011 en lieten geen andere afwijkingen zien. Verweerder heeft in de onderzoeksresultaten geen aanwijzing gezien de diagnose LBTB te veranderen.

2.4      De uitslag heeft verweerder aan F op het poliklinisch bezoek van 13 april 2011 meegedeeld. Verweerder heeft op dat moment besloten dat F uit controle kon worden ontslagen en dat hij over enkele jaren terug kon komen voor controle. Een en ander heeft verweerder aan de huisarts van F meegedeeld bij brieven van 21 en 28 april 2011.

In de brief van 21 april 2011 staat het volgende:

“Conclusie: we hebben hier te maken met een patiënt met atypische pijn op de borst klachten met bij toeval eigenlijk een geconstateerd LBTB met een korte PR tijd en mogelijk tekenen van enige pre-excitatie. Van belang is te vermelden dat er eigenlijk helemaal geen palpatieklachten zijn. Ik denk dat we kunnen stellen dat we bij toeval een beeld hebben van verbreding van het QRS complex. Hetgeen we kunnen duiden, gezien de configuratie, als een LBTB-patroon. Mogelijk ook deels te verklaren door aberrante geleiding, gezien enige pre-excitatie. Gezien patiënt klachtenvrij is, wil ik voorlopig expectatief blijven.”

In de brief van 28 april 2011 staat het volgende:

“Conclusie: geen aanwijzingen voor cardiomyopathie. Er is een linker bundeltakpatroon zonder dat we aanwijzingen hebben voor onderliggende cardiale evidente pathologie. Gezien het feit dat patiënt klachtenvrij is wil ik voorlopig expectatief blijven.”

 2.5     Bij brief van 13 januari 2014 is F door zijn huisarts verwezen naar de afdeling cardiologie van het G voor een follow-up. Op de verwijsbrief staat het volgende:

“Follow up onderzoek 2-3 jaar na eenmalige episode borstklachten en ritmestoornis.”

Opnieuw is F onder behandeling gekomen van verweerder. Verweerder heeft F op 5 februari 2014 op de polikliniek gezien, nadat een ECG was gemaakt. De verwijsbrief van de huisarts heeft hij niet gezien.

De uitslag van het ECG heeft hij opnieuw geïnterpreteerd als een LBTB. Hij heeft het volgende in het poliklinisch verslag genoteerd:

“Gaat goed

Geen klachten!

Collaps –                                            VWO

                                                           Sport GB

(…)                                                     Boksen

ECG    SR       LBTB  (…)”

Verweerder heeft besloten aanvullend onderzoek te verrichten in de vorm van een echocardiogram en een fietsproef. Deze onderzoeken vonden plaats op 18 februari 2014. Verweerder heeft de uitslag van de onderzoeken geïnterpreteerd als passend bij een LBTB.

2.6       De uitslagen heeft verweerder op 24 februari 2014 met F besproken. Verweerder heeft op dat moment besloten dat F uit controle kon worden ontslagen zonder verdere behandeling of controle.

Een en ander heeft verweerder aan huisarts H meegedeeld bij brief van 10 maart 2014. Achteraf is gebleken dat F bij een andere huisarts ingeschreven stond. In de brief staat het volgende:

“Conclusie: we kunnen stellen dat hier sprake is van bij toeval ontdekt LBTB, zonder dat hier aanwijzingen zijn voor onderliggende cardiale problematiek bij echo danwel inspanningstest. Mijnerzijds controle alhier afgerond. Patiënt werd gerustgesteld. Geen beperkingen. Geen medicatie-advies.”

 2.7       Op 8 mei 2015 is F tijdens college gecollabeerd en van zijn stoel op de grond gevallen. Omstanders zijn gestart met reanimatie. De ambulance is gebeld; het ambulancepersoneel heeft na aankomst de reanimatie overgenomen. Er was op dat moment sprake van ventrikelfibrilleren. F is vervolgens overgebracht naar het E te B. Daar is na anderhalf uur reanimatie besloten om deze te staken. F is om 11.56 uur overleden.

In de specialistenbrief staat bij ‘conclusie’ het volgende:

“19-jarige jongeman met witnessed out-of-hospital cardiac arrest o.b.v. ventrikelfibrilleren, waarschijnlijk secundair aan WPW syndroom, bij structureel normaal hart. Overleden op 8 mei 2015 om 11.56 uur na een langdurige reanimatie.”

 2.8       Verweerder heeft daags erna van de gebeurtenis vernomen en is van zijn vakantieadres naar Nederland gekomen. Op 11 mei 2015 is de gebeurtenis als calamiteit bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg gemeld. Verweerder heeft voorts twee brieven aan klager gestuurd (18 en 26 mei 2015) waarin hij hem uitnodigt voor een gesprek en zijn medeleven heeft geuit.

2.9       Verweerder heeft vanaf mei 2015 enkele maanden onder supervisie gewerkt van het E te B in de persoon van D. D heeft bekeken of ‘de situatie op de afdeling cardiologie veilig was voor patiënten’. Dit was volgens haar het geval. Er heeft tevens een onderzoek plaatsgevonden van statussen van jonge patiënten die behandeld zijn door de cardiologen van het G. Hierin zijn geen fouten in diagnostiek en behandeling naar voren gekomen. Ditzelfde geldt voor de 100 onderzochte statussen van door verweerder behandelde patiënten.

2.10     Verweerder heeft zich laten bijscholen op het gebied van de kindercardiologie en in het bijzonder de diagnose Wolff-Parkinson-White. Hij werkt sinds augustus 2015 in het I te B.

2.11     Zowel op verzoek van klager als op dat van verweerder zijn partijdeskundigenrapporten opgemaakt door J, cardioloog n.p. respectievelijk K, cardioloog. Deze bevinden zich bij de processtukken.

2.12     Verweerder had in 2013 bij een toen vijftienjarige patiënte de verkeerde diagnose gesteld door een misinterpretatie van de ECG-beelden, naar aanleiding waarvan haar ouders een tuchtklacht hebben ingediend bij dit College. Verweerder krijgt hiervoor bij uitspraak van vandaag een berisping.

3.            De klacht

Klager verwijt verweerder professionele slordigheid, onzorgvuldige dossiervorming en medische onbekwaamheid en stelt dat Juri als gevolg van deze nalatigheid is komen te overlijden.

 4.       Het standpunt van verweerder

 Verweerder heeft erkend de diagnose Wolff-Parkinson-White gemist te hebben. Verweerder betwist echter dat hem slordigheid, onzorgvuldige dossiervorming en medische onbekwaamheid kan worden verweten.

5.         De beoordeling

5.1      De vraag die centraal staat is of verweerder een verwijt kan worden gemaakt van het feit dat hij de diagnose Wolff-Parkinson-White heeft gemist en de daarbij behorende nadere evaluatie en eventueel behandeling niet heeft ingesteld. Het missen van een diagnose behoeft op zichzelf niet tuchtrechtelijk verwijtbaar te zijn, maar dat is wel het geval als vast komt te staan dat de wijze waarop een arts tot de onjuiste diagnose is gekomen in strijd is met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame beroepsgenoot mag worden verwacht. Het College overweegt tegen deze achtergrond als volgt.

 5.2       De oorzaak van de ziekte van F is gelegen in een extra verbinding tussen de hartboezems en de hartkamers (Bundel van Kent) waardoor de elektrische prikkel op twee manieren vanuit de boezems de kamers kan bereiken: de normale via de AV knoop en de bundel van His, en een abnormale via de Bundel van Kent. De hiervoor (zo) kenmerkende ECG afwijkingen waren ook duidelijk bij F aanwezig: de sterk verkorte PQ-tijd en het verbrede QRS-complex door de pre-excitatie. Behalve dat er een kans is op het ontstaan van zogenoemde re-entry tachycardieën is er een kleine kans op het bestaan van een maligne bundel. Deze kan aanleiding zijn tot ontstaan van ventrikelfibrilleren (vrijwel steeds met dodelijke afloop) indien boezemfibrilleren ontstaat. Het passende beleid zou zijn geweest vast te stellen of er sprake was van zo’n maligne bundel, ook al waren er geen klachten van re-entry tachycardie. De eerste stap in die evaluatie is het maken van een inspanningsECG.

Interpretatie van het 12-kanaals elektrocardiogram, zoals waarvan hier sprake is, behoort tot de essentie van het vak van cardioloog. Verweerder heeft het typische pre-excitatie beeld van F op de ECG’s gezien, getuige ook zijn brief van 21 april 2011 aan de huisarts. Hij heeft het beeld – de pre-excitatie met een bijpassend verbreed QRS complex – echter ten onrechte geïnterpreteerd als een linker bundeltakblok en de korte PQ-tijd als behorend bij dit blok. Een verklaring hiervoor heeft verweerder niet en kan ook het College niet construeren of begrijpen. In dit geval zijn de ECG’s (over)duidelijk. Reeds het enkele feit dat pre-excitatie wordt gezien, had verweerder tot de juiste diagnose, of op zijn minst tot aarzeling, moeten brengen. Dit betekent ook dat verweerder vervolgonderzoek had moeten instellen. Verweerder heeft dat weliswaar gedaan in de vorm van een inspanningsECG, maar wederom of nog steeds vanuit de veronderstelling van een linker bundeltakblok. Dat inspanningsECG liet bij relatief hoge hartfrequentie (ca. 183/min) geen versmalling van het QRS complex zien. Dit pleit vóór een maligne bundel, maar het inspanningsECG is niet met die vraagstelling beoordeeld en de juiste conclusie is daarom niet getrokken. Verweerder heeft zijn oorspronkelijke diagnose dan ook niet verlaten, deze niet kritisch bekeken en daardoor niet in het vizier gekregen dat F kampte met een potentieel levensbedreigende aandoening.

Ditzelfde geldt voor de beoordeling in 2014. Spijtig genoeg heeft verweerder de verwijzing van de huisarts gedateerd 13 januari 2014 (waarin melding was gemaakt van hartritmestoornissen) niet gezien en heeft hij andermaal de pre-excitatie om onverklaarbare redenen geduid als een linker bundeltakblok en opnieuw onderzoeken ingesteld die hem tot dezelfde conclusie brachten. Verweerder had deze misinterpretatie van het ECG noch in 2011 noch in 2014 mogen maken. Deze is hem tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.

5.3       Anders dan klager stelt, is de dossiervoering niet ondermaats, zij het dat het College wel heeft opgemerkt dat er twee brieven van april 2011 gericht aan de huisarts zijn inzake hetzelfde consult, met niet precies dezelfde inhoud en dat de derde brief aan de huisarts door een organisatorische fout aan de verkeerde huisarts is geadresseerd. Hierin ziet het College echter geen tuchtrechtelijke verwijtbaarheid. Dit klachtonderdeel is niet gegrond.

5.4       De conclusie is dat de klacht gegrond is voor zover het het diagnostisch proces betreft (rov. 5.2) en dat deze voor het overige, waaronder inzake de dossiervoering, wordt afgewezen. Verweerder heeft op het punt van de diagnostiek in strijd gehandeld met de zorg die hij ten opzichte van F behoorde te betrachten zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Er is geen aanleiding voor andere kwalificaties dan deze.

5.5       Het College acht een zware maatregel passend. De reden hiervoor is enerzijds gelegen in de ernst van het verwijt dat verweerder kan worden gemaakt, en anderzijds in het feit dat verweerder in een tijdbestek van enkele jaren bij twee aan zijn zorg toevertrouwde patiënten fouten heeft gemaakt die op hetzelfde (essentiële) deelgebied van de cardiologie liggen, te weten de interpretatie van het elektrocardiogram. Het College acht anderzijds ook van belang dat verweerder vanaf april 2015 gedurende enige tijd onder supervisie heeft gewerkt en blijk geeft van inzicht in zijn handelen. Dit laatste baseert het College op de verklaring van getuige D, die vanaf mei 2015 enkele maanden toezicht heeft gehouden op het functioneren van verweerder en in het verleden ook betrokken is geweest bij diens werkzaamheden. Een structureel disfunctioneren is niet aan het licht gekomen. Al met al wordt een voorwaardelijke schorsing gedurende één jaar met een proeftijd van twee jaar het meest op zijn plaats geacht.

Het College verbindt daaraan de bijzondere voorwaarden als in het dictum vermeld. Deze bijzondere voorwaarden vinden toepassing naast de algemene voorwaarde dat verweerder zich niet opnieuwschuldig maakt aan handelen of nalaten in strijd met de goede zorg die hij als cardioloog behoort te betrachten, dan wel in strijd met het belang van de individuele gezondheidszorg, een en ander zoals bedoeld in artikel 47 eerste lid van de Wet BIG.

5.6       Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal deze beslissing, zodra zij onherroepelijk is, op de voet van artikel 71 van de Wet BIG bekend worden gemaakt op hierna te vermelden wijze.

6.       De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:
–  verklaart de klacht gegrond voor zover het het diagnostisch proces betreft (rov. 5.2);
–  schorst de inschrijving van verweerder in het BIG-register voor de duur van één jaar;
–  bepaalt dat deze schorsing voorwaardelijk is en niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij:
verweerder zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren na het onherroepelijk worden van deze beslissing schuldig maakt aan enig handelen of nalaten in strijd met de goede zorg die hij als cardioloog behoort te betrachten, dan wel in strijd met het belang van de individuele gezondheidszorg, een en ander zoals bedoeld in artikel 47 eerste lid van de Wet BIG;
en/of verweerder een of meerdere van de volgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
a.  –  dat hij gedurende de proeftijd op aanwijzing van en onder toezicht van een door de IGZ aan te wijzen supervisor werkt;
–  dat deze supervisie ten minste is gericht op de interpretatie van ECG’s en op regelmatig overleg met collegae bij het interpreteren van ECG’s;
–   dat de supervisor de IGZ binnen drie maanden na het einde van de proeftijd informeert dat verweerder deze voorwaarde is nagekomen;
b. –  dat hij gedurende de proeftijd nascholing volgt met speciale aandacht voor elektrocardiografie en ritme- en geleidingsstoornissen en dat hij de daarbij behorende examens met goed gevolg aflegt;
–  dat hij de IGZ binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van deze uitspraak informeert over de keuze van de te volgen cursussen;
–  dat hij aan het einde van het nascholingstraject de IGZ informeert over de door hem behaalde resultaten door overlegging van bewijzen van deelname en certificaten;
–   verzoekt de IGZ mee te werken aan genoemde voorwaarden en het College te informeren, indien verweerder een of meerdere voorwaarden niet of niet naar behoren nakomt;
–  bepaalt dat de proeftijd ingaat op de dag van het onherroepelijk worden van deze uitspraak en dat de proeftijd uitsluitend loopt gedurende de periode(n) dat verweerder is ingeschreven in het BIG-register;
–  verklaart de klacht voor het overige ongegrond
–  bepaalt dat om redenen, aan het algemeen belang ontleend, deze beslissing, zodra zij onherroepelijk is, in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en Medisch Contact ter bekendmaking zal worden aangeboden.
Deze beslissing is gegeven door
mr. L.J. Sarlemijn, voorzitter, mr. dr. R.P. Wijne, lid-jurist,
dr. R.W. Koster, dr. B. van Ek en dr. J.P van der Sluijs, leden-arts,
bijgestaan door mr. E.C. Zandman, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2016.
voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c.  de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.

—————
Berisping voor de vermijdbare dood van Roos, 16 jaar.
overheid.tuchtrecht.nl Datum uitspraak: 15 maart 2016

ECLI:NL:TGZRSGR:2016:29 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2015-176
Klacht tegen cardioloog over de onjuiste beoordeling van de fietsproef van een 15-jarig meisje. Gegrond: De arts had de op het ECG zichtbare ernstige hartritmestoornis (bidirectionele ventriculaire tachycardie) niet mogen missen. Wel heeft de arts de uitslag van de proef als “mogelijk positief” aangemerkt en nader onderzoek aangeraden. Maar voordat het nadere onderzoek zou plaatsvinden is het meisje overleden. Naar het oordeel van het college had zij direct na de fietsproef moeten worden opgenomen en behandeld.Berisping. Datum uitspraak: 15-03-2016 Datum publicatie: 15-03-2016 ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2016:29

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A en B,

wonende te C,

klagers,

gemachtigde: mr. W.J. Boer, werkzaam te Rotterdam,

tegen:
D,cardioloog,

werkzaam te C,

verweerder,

gemachtigde: mr. W.R. Kastelein, werkzaam te Zwolle.

1.         Het verloop van de procedure

 1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 31 juli 2015

– het verweerschrift met bijlagen

– de repliek met bijlagen

– de dupliek met een bijlage.

1.2       De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.3       De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 19 januari 2016. De partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Mr. Boer heeft zittingsaantekeningen voorgedragen en overgelegd. Voorts werd mevrouw

E, cardioloog, F te B, als door verweerder opgeroepen getuige gehoord.

2.         De feiten

 2.1       Klagers zijn de ouders van G (hierna: G), geboren in 1997 en overleden in 2013.

2.2       In verband met meermalen collaberen, onder verschillende omstandigheden, waaronder inspanning, heeft de huisarts G op 28 maart 2013 naar de neuroloog verwezen. Na diens analyse dat een neurologische aandoening niet waarschijnlijk was heeft de neuroloog G naar een cardioloog verwezen om een cardiale oorzaak uit te sluiten.

2.3       Op 29 mei 2013 is G bij een collega van verweerder, cardioloog H, op consult geweest. Er zijn toen een rust-ECG en een echocardiagram gemaakt, die geen afwijkingen lieten zien.

2.4       Op aanwijzing van deze cardioloog vond op 12 juni 2013 aanvullend onderzoek plaats; er is onder meer een inspannings-ECG (fietsergometrie) gemaakt. De fietsproef is voortijdig door de onderzoekster (hartfunctielaborant) gestaakt. Omdat de aanvragende cardioloog ten tijde van de fietsproef niet aanwezig was, heeft de onderzoekster verweerder als dienstdoend cardioloog geraadpleegd.

2.5       Op het voorblad van het inspannings-ECG (het fietsergometrieformulier) is door de onderzoekster onder meer vermeld:

Onder Klin. gegevens: “Regelmatig collaps”

(vanaf 90 Watt): “beetje vlekken voor ogen”,

(vanaf 120 Watt): “bigemenie”, “doublet’s” en “SVT’tje”, en

(bij 150 Watt): “max: geen ST ↑↓” en “vlekken ↓”.

Bij “herstelfase” blijkt dat er sprake was van algeheel herstel.

Op dit voorblad is aangekruist, en door verweerder geparafeerd, dat het onderzoek is gestaakt op advies van de onderzoeker; alsmede: “mogelijk positieve test” en “lage belastingcapaciteit”. Verweerder heeft met de hand bijgeschreven: “Bij inspanning last van Bigeminie. Overweeg sec opinion/EFO”. Verweerder had in het computersysteem gezien dat het rust-ECG en het echocardiogram niet afwijkend waren. Aan klaagster is meegedeeld dat de uitslag over veertien dagen telefonisch door één van de artsen zou worden doorgegeven.

2.6       Op 14 juni 2013 heeft G de zogenoemde Holtertest ondergaan. Een andere collega van verweerder, cardioloog I, heeft op 26 juni 2013 de uitslag van het aanvullende onderzoek aan klagers meegedeeld. Een vervolgonderzoek door middel van een coronair CT-angiogram werd toen aangekondigd. Dit vervolgonderzoek werd uiteindelijk in september 2013 gepland.

2.7       In juli 2013 zouden klagers met G op vakantie gaan. Vóór hun vertrek naar J zijn klagers bij de huisarts geweest omdat zij ongerust waren. De huisarts heeft vervolgens telefonisch overleg gehad met weer een andere collega van verweerder, cardioloog K, die desgevraagd tegen hem heeft gezegd dat klagers gerust met G op vakantie konden gaan, wat de huisarts heeft overgebracht aan klagers.

2.8       Op 22 juli 2013 is G in J tijdens het zwemmen onwel geworden en na reanimatie per helikopter naar een ziekenhuis in J gebracht, waar de diagnose catecholaminerge polymorfe ventriculaire tachycardie (CPVT) is gesteld. Op 26 juli 2013 is G in het ziekenhuis overleden.

2.9       Naar aanleiding van eerdere klachten van klagers tegen de drie betrokken, hiervoor genoemde, collega’s van verweerder zijn aan die collega’s tuchtrechtelijke maatregelen opgelegd bij beslissingen van 14 april 2015.

3.         De klacht De klacht luidt:

Verweerder heeft de resultaten van de fietsergometrie niet correct beoordeeld, terwijl deze alarmerende bevindingen liet zien. Op het formulier heeft verweerder slechts melding gemaakt van bigeminie bij inspanning zonder de gebleken bidirectionele kamertachycardie te vermelden. Verweerder heeft de aanvragende cardioloog slechts in overweging gegeven een second opinion aan te vragen en/of een elektrofysiologisch onderzoek te laten verrichten, in plaats van de bevindingen met hem te bespreken, wat nodig was mede omdat de fietsproef voortijdig moest worden gestaakt. Verweerder had G toen zelf moeten onderzoeken en haar moeten opnemen. In ieder geval had gestart moeten worden met het gebruik van bètablokkers en had G moeten worden geadviseerd zich niet in te spannen. Hij heeft de ernst en de risico’s verkeerd ingeschat.

4.         Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft het College verzocht om bij de beoordeling van zijn handelwijze rekening te houden met zijn verweer en met de door hem beschreven omstandigheden. Op dat verweer en die omstandigheden wordt zo nodig hieronder bij de beoordeling ingegaan.

5.         De beoordeling

 5.1       Verweerder heeft gemeend op het ECG van de fietsproef van 12 juni 2013 een supraventriculaire tachycardie (SVT) te zien. Op dat ECG is echter de bidirectionele ventriculaire tachycardie (VT), bijvoorbeeld van zes slagen op blad 7/12, duidelijk zichtbaar.  De mogelijke – door verweerder genoemde – storing op het ECG vormde geen belemmering voor een juiste interpretatie ervan. Ook de bewegingen van G, die bij fietsproeven gebruikelijk zijn, stonden een goede weergave van de afwijkingniet in de weg. De bidirectionele VT duidde op een levensbedreigend karakter van de ritmestoornis. Dat het rust-ECG en het echocardiagram geen afwijkingen vertoonden wees niet in een andere richting, omdat deze ritmestoornis juist bij inspanning zichtbaar is. Daarom was voor geruststelling ook geen reden dat het na de beëindiging van de fietsproef weer goed ging met G. Verweerder heeft de uitslag weliswaar als “mogelijk positief” afgegeven, de bigeminie bij inspanning vermeld en een second opinion en/of EFO geadviseerd, maar gezien de aard en ernst van de gebleken ritmestoornis en gegeven het feit dat het om een jong meisje van destijds 15 jaar ging, dat herhaaldelijk was gecollabeerd, ook bij inspanning, had hij daarmee niet mogen volstaan. Het was nodig dat G werd opgenomen en dat eventueel na nader onderzoek werd gestart met behandeling met bètablokkers.Ook een advies tot vermijding van inspanning was aangewezen.Daarover was, zoals klagers terecht stellen, overleg nodig met de collega-cardioloog die het onderzoek had aangevraagd.

5.2       De conclusie is dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de zorg die hij ten opzichte van G behoorde te betrachten zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). De klacht is dan ook gegrond.

5.3      Interpretatie van het 12-kanaals elektrocardiogram, zoals waarvan hier sprake is, behoort tot de essentie van het vak van cardioloog. Het missen van de ventriculaire tachycardie was in de gegeven omstandigheden een verwijtbare beoordelingsfout op dit essentiële onderdeel, met voorzienbare ernstige gevolgen. Daarom wordt niet volstaan met een waarschuwing, maar zal het College verweerder als maatregel een berisping opleggen.

5.4       Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal deze beslissing, zodra zij onherroepelijk is, op de voet van artikel 71 van de Wet BIG bekend worden gemaakt op de hierna te vermelden wijze.

6.         De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:
verklaart de klacht gegrond en legt op de maatregel van berisping;
bepaalt dat deze beslissing, zodra zij onherroepelijk is, in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en Medisch Contact ter bekendmaking zal worden aangeboden.

Deze beslissing is gegeven door
mr. L.J. Sarlemijn, voorzitter, mr.dr. R.P. Wijne, lid-jurist,
dr. R.W. Koster, dr. B. van Ek en dr. J.P. van der Sluijs, leden-artsen,
bijgestaan door mr. E.C. Zandman, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2016.
voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:
a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b.         degene over wie is geklaagd;
c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.

Delen:Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Share on LinkedInEmail this to someone